← België

Arrest 153938 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.938 Rolnummer: A. 80045/VII-17063 Zaak: Arrest 153938 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-31 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:30 Fiche Arrest nr 153.938 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.938 van 19 januari 2006 in de zaak A. 80.045/VII-17.063 In zake : de b.v.b.a. AFBRAAKWERKEN JOZEF VERHEYEN, die woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN, tussenkomende partij : 1. de v.z.w. NATUURPUNT SCHIJNVALLEI, gevestigd te WIJNEGEM, Krommelei 63, 2. Marina DEFERNELMONT, wonende te WOMMELGEM, De Keer 13. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. AFBRAAKWERKEN JOZEF VERHEYEN op 28 augustus 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 juni 1998 houdende de weigering aan de verzoekende partij om een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen, gelegen te 2160 Wommelgem, De Keer 15, op de kadastrale percelen sectie B, nrs. 199a en 200a, te exploiteren; Gelet op het arrest nr. 78.145 van 14 januari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 31 maart 1999 ingediend door de v.z.w. NATUURRESERVATEN SCHIJNVALLEI, thans de v.z.w. NATUURPUNT SCHIJNVALLEI; VII-17.063-1/12 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 maart 1999 ingediend door Marina DEFERNELMONT; Gelet op de beschikking van 19 april 1999 die de tussenkomst van de v.z.w. NATUURRESERVATEN SCHIJNVALLEI en van Marina DEFERNELMONT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 1 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. BOCKSTAELE die, loco Advocaat P. AERTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van mevrouw M. DEFERNELMONT, tweede tussenkomende partij, die verschijnt in persoon; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-17.063-2/12 1.1. Op 20 december 1990 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de verzoekende partij de vergunning tot het exploiteren van een inrichting voor het opslaan, sorteren en bewerken van afbraakmaterialen voor recuperatie te Wommelgem, De Keer 15. In de aanhef van dit weigeringsbesluit staat te lezen: "Overwegende dat de inrichting is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de inrichting met deze bestemming onverenigbaar is". 1.2. Tegen voornoemd weigeringsbesluit stelt de verzoekende partij op 22 februari 1991 beroep in bij de gemeenschapsminister voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting. Het wordt niet betwist dat de minister nog geen uitspraak deed over dit beroep. 1.3. Nadat de verzoekende partij hiertoe op 15 december 1997 een vergunningsaanvraag heeft ingediend, verleent het college van burgemeester en schepenen van Wommelgem op 10 februari 1998 een vergunning om aan De Keer nr. 15 te Wommelgem een inrichting te exploiteren met als voorwerp: " 2.2.1.a. Opslag en sortering van inerte afvalstoffen; 2.2.1.c. Opslag en sortering van niet-gevaarlijke afvalstoffen, zoals papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw- en sloopafval, met een opslagcapaciteit van maximaal 100 ton; 2.2.2.a.1. Opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen, met een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 m³; 2.2.2.b.1. Opslag en mechanische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen uit rubriek 2.2.1.c., met een opslagcapaciteit van maximaal 100 ton; 2.2.2.c.2. Opslag en mechanische behandeling van schroot, met een opslagcapaciteit van meer dan 10 t/m 100 ton; 15.1.1. Al dan niet overdekte ruimte waarin gestald worden 3 t/m 25 motorvoertuigen en/of aanhangwagens andere dan personenwagens; 15.2. Werkplaatsen voor het herstellen van motorvoertuigen, andere dan bedoeld onder rubriek 15.3.; 1put; 17.3.6.1.b. Opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55/ maar dat de 100/C niet overtreft, met uitzondering van deze bedoeld onder rubriek 48., met een totaal inhoudsvermogen van 100 t/m 20.000 liter, voor andere dan onder rubriek 17.3.6.1.a. bedoelde inrichtingen: 5.000 liter witte en 3.000 liter rode dieselbrandstof; VII-17.063-3/12 17.3.9.1. Installaties voor het ontvangen, opslaan en laden van vloeibare koolwaterstoffen die als tussen of eindproduct bestemd zijn voor een verdeler of verbruiker. Inrichtingen voor de verdeling van de in rubriek 17.3.6.1. bedoelde vloeistoffen met maximum één verdeelpomp; 1 pomp". 1.4. Tegen dit vergunningsbesluit worden drie beroepen ingesteld, met name door de v.z.w. NATUURRRESERVATEN SCHIJNVALLEI, de familie VANDERMOEREN en de OVAM. In de beroepschriften wordt er op gewezen dat de inrichting ligt in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht die alle ongunstig zijn - zij het dat het advies van de afdeling Stedenbouw laattijdig werd uitgebracht - omwille van de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, bestemming waarmede zij onverenigbaar is. 1.6. Op 11 juni 1998 wordt de thans bestreden beslissing genomen, waarvan de voor het onderzoek van de zaak van belang zijnde overwegingen luiden als volgt: "Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan Antwerpen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Gelet op het feit dat tijdens het openbaar onderzoek 2 schriftelijke bezwaren werden ingediend met betrekking tot het volgende: - stedenbouwkundige onverenigbaarheid; - stofhinder; - de firma heeft nooit veel acht gegeven aan de wetgeving op ruimtelijke ordening en de milieuwetgeving; Overwegende dat voor de evaluatie van de beroepsargumenten en van de ingediende bezwaren wordt verwezen naar de ongunstige adviezen van de AMV, de OVAM en de PMVC; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie zelfs mits naleving van gepaste milieuvergunningsvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat in die omstandigheden de beroepen gegrond zijn, het bestreden schepencollegebesluit wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd". 1.7. De bestreden beslissing wordt met een aangetekend schrijven van 26 juni 1998 aan de verzoekende partij betekend; VII-17.063-4/12 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 25, §§ 1 en 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) en van de artikelen 50, 4/,

  1. a)en c), en 50, 5/, van Vlarem I; dat zij betoogt dat het bestreden besluit op 11 juni 1998 werd genomen, doch dat de kennisgeving ervan slechts geschiedde op 26 juni 1998, ontvangen op 29 juni 1998, en dus buiten de in artikel 50, 4/,
  2. a)en c), van Vlarem I bedoelde termijn; dat zij betoogt dat de in artikel 50 van Vlarem I vastgestelde termijnen "van uitspraak en betekening als vervaltermijnen" moeten worden beschouwd en dat de rechtszekerheid die het instellen van een vervaltermijn beoogt te geven, niet alleen vereist dat de beslissing in beroep tijdig wordt genomen, maar ook dat deze tijdig wordt ter kennis gebracht; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de bestreden beslissing betekend diende te worden binnen een termijn van vier maanden en tien kalenderdagen na ontvangst van het beroep, hetgeen in casu gebeurde; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog doet gelden dat uit de letterlijke tekst van artikel 50, 4/, van Vlarem I volgt dat de kennisgeving van de bestreden beslissing dient te gebeuren binnen de tien kalenderdagen nadat de bestreden beslissing werd genomen; 2.1.4. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst erop wijst dat de beslissingstermijn een vervaltermijn is, maar niet de termijn voor het betekenen van de beslissing, dat in casu binnen de vier maanden na ontvangst van het beroep werd beslist; dat de eerste tussenkomende partij deze argumentatie herhaalt in haar memorie; 2.1.5. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst niet ingaat op het middel; 2.1.6. Overwegende dat de verzoekende partij als reactie op het auditoraatsverslag in haar laatste memorie erop wijst dat haar situatie verschillend is met de feitelijke gegevens van het princiepsarrest terzake van de Raad van State, BILCKE, nr. 93.652 van 1 maart 2001, dat handelt over het annulatieberoep tegen een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij VII-17.063-5/12 het beroep van de aanvrager/verzoekende partij tegen het weigeringsbesluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel werd afgewezen en de weigering aldus werd bevestigd; dat de verzoekende partij vervolgens de feitelijke gegevens van onderhavige zaak herhaalt en erop wijst dat het oorspronkelijke besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem in casu de gevraagde milieuvergunning had verleend, dat slechts ingevolge het beroep dat door de OVAM, als adviesverlenende overheidsinstantie, werd ingesteld, de vergunning werd geschorst, en dat aangezien zij aldus beschikte over een rechtsgeldig verleende vergunning, die werd geschorst ingevolge het beroep van de OVAM, zij "het recht (heeft) om binnen de in VLAREM I gestelde termijnen kennis te hebben van een eventuele beslissing van de beroepsinstantie", dat "dit niet alleen het normale gevolg (
  3. is)van de VLAREM- termijnen, maar ook een kwestie van rechtszekerheid"; dat de verzoekende partij nogmaals de wettelijke bepalingen terzake aanhaalt en daaruit besluit dat, aangezien zij "over een rechtsgeldige vergunning beschikte in eerste aanleg, de termijn van een dergelijke beslissing en kennisgeving belangrijk (
  4. is)voor (haar) rechtstoestand", dat, indien de kennisgeving niet geschiedt binnen de voorgeschreven termijnen, "er geen sprake (kan) zijn van een rechtsgeldige en tijdige beslissing", dat "in het andere geval het regelen van een termijn voor bekendmaking geen enkele zin of inhoud (heeft)", en dat "overeenkomstig de (toenmalige) bepalingen van art. 25 § 2 van het Coördinatiedecreet de schorsing van rechtswege (wordt) opgeheven indien geen rechtsgeldige uitspraak werd gedaan"; 2.1.7.1. Overwegende dat nergens in het milieuvergunningsdecreet een termijn is vastgelegd om de beslissingen in beroep aan de exploitant te betekenen; dat de decreetgever in artikel 24, § 2, van hetzelfde decreet heeft bepaald dat de Vlaamse regering de wijze regelt waarop het beroep moet worden bekendgemaakt en behandeld; dat alzo in het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), in het bijzonder in de artikelen 50, 4/, c, en 52, 4/, c, de betekeningstermijn van tien kalenderdagen werd vastgelegd; dat nergens in dat reglement aan het overschrijden van die termijn gevolgen worden vastgeknoopt, ook niet in de gevallen waarin de beslissingstermijn in beroep krachtens het milieuvergunningsdecreet een vervaltermijn is; dat aldus de Vlaamse regering de betekeningstermijn in geen enkel geval -dus ook niet in de aan de orde zijnde casus- als een vervaltermijn heeft beschouwd en a fortiori nergens heeft bepaald dat de overschrijding van die termijn het verkrijgen van een stilzwijgende vergunning tot gevolg heeft; dat overigens de Vlaamse regering dit ook niet vermocht te doen; dat VII-17.063-6/12 het bepalen van een vervaltermijn een gewichtige aangelegenheid is, zeker wanneer het verstrijken van de termijn ertoe leidt dat de vergunning stilzwijgend wordt verkregen; dat dit des te meer geldt in milieuzaken waarvan de economische, sociale en ecologische impact niet mag worden onderschat; dat het milieuvergunningsdecreet, noch de voorbereidende werkzaamheden ook maar enige aanwijzing bevatten dat de decreetgever de rechtsgeldigheid van een conform artikel 23, § 1, van het milieuvergunningsdecreet genomen beslissing, en meteen de rechtstoestand van de vergunningsaanvrager, wenste te laten afhangen van de tijdigheid van de betekening van die beslissing -die uiteindelijk niet meer is dan het feitelijk meedelen van een bepaalde rechtssituatie- waardoor een tijdige en expliciet negatieve beslissing van een orgaan dat door hem speciaal met een beslissingsbevoegdheid is bekleed en dat zijn beslissing slechts neemt na een procedure die moet toelaten de in het geding zijnde belangen zo optimaal mogelijk te verzoenen, wordt omgezet in een stilzwijgende positieve beslissing, tegen de wil in van dit orgaan en mogelijk in strijd met allerlei normering op het vlak van het leefmilieu en de ruimtelijke ordening; dat het in artikel 24, § 2, van het milieuvergunningsdecreet bepaalde dan ook niet zover reikt dat daarin een rechtsgrond zou kunnen worden gevonden om aan het overschrijden van de betekeningstermijn van een in beroep genomen beslissing een vervaltermijn vast te knopen; dat, zoals reeds gezegd, de Vlaamse regering dat ook niet heeft gedaan; 2.1.7.2. Overwegende dat de overheid die in beroep een uitspraak moet doen over een in eerste aanleg genomen beslissing, gerechtigd is de volle termijn te benutten die haar reglementair is verleend om over het beroep uitspraak te doen; dat in casu die termijn vier maanden bedroeg; dat dan ook niet valt in te zien hoe de rechtszekerheid van de verzoekende partij in het gedrang kan zijn gebracht, nu haar de bestreden beslissing werd betekend binnen een termijn van vier maanden en tien kalenderdagen na ontvangst van het beroep; 2.1.7.3 Overwegende dat het eerste middel bijgevolg niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen; dat de verzoekende partij doet gelden dat de percelen waarop de inrichting ligt en de omliggende percelen onmogelijk voor enige landbouwactiviteit in aanmerking kunnen komen, daar het een oude stortplaats betreft VII-17.063-7/12 en milieuverontreinigde sites, zodat de bestemming van die percelen volkomen achterhaald is; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden dat zij krachtens artikel 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw ertoe gehouden is de voorschriften van de plannen van aanleg in acht te nemen, wat inhoudt dat zij de milieuvergunning moet weigeren indien de inrichting of een gedeelte ervan niet past in de bindende voorzieningen van het plan; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord er nog op wijst dat uit een schrijven van de OVAM van 1 februari 1999 blijkt dat er afvalstoffen op het perceel werden vastgesteld; 2.2.4. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst stelt dat niet kan worden afgeweken van de gewestplannen, dat de omstandigheid dat het perceel op of in de onmiddellijke buurt van een oude stortplaats ligt niets terzake doet, en dat de activiteiten van een afbraakbedrijf niet in het gebied gedoogd kunnen worden; dat de eerste tussenkomende partij deze argumentatie herhaalt in haar memorie; 2.2.5. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst aanstipt dat de grond nog gebruikt kan worden voor landbouw, dat sierteelt perfect kan als het onder glas en op tafels wordt gekweekt, en dat ook tomaten soms in goten worden gezet en dan niet in aanraking komen met de grond; 2.2.6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord verwijst; 2.2.7.1. Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat de inrichting overeenkomstig het gewestplan Antwerpen ligt in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen niet verenigbaar is met die bestemming; 2.2.7.2. Overwegende dat op grond van artikel 2, § 1, van de ten tijde van het bestreden besluit geldende stedenbouwwet van 29 maart 1962 de overheid die moet beschikken over een milieuvergunningsaanvraag verplicht is de bindende VII-17.063-8/12 bepalingen van de bestemmingsplannen in acht te nemen en vergunningsaanvragen af te wijzen die strijdig zijn met deze bestemmingsvoorschriften; dat de loutere bewering van de verzoekende partij dat de feitelijke toestand niet meer zou overeenstemmen met het bestemmingsvoorschrift niet ter zake doet; 2.2.7.3. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending inroept van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene motiveringsplicht; dat zij doet gelden dat in het bestreden besluit met geen woord wordt gerept over de opname van de onmiddellijke, aangrenzende percelen in milieuverontreinigde sites, dat evenmin wordt geantwoord op de opmerkingen die zij aan de bestendige deputatie heeft overgemaakt in antwoord op de beroepschriften, dat het bestreden besluit onmogelijk kan overwegen dat de hinder en risico's niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt kunnen worden, dat het bestreden besluit bovendien de bezwaren en argumenten van de familie VANDERMOEREN, één van de beroepindieners en thans tweede tussenkomende partij, gewoonweg blijkt aan te nemen en te onderschrijven zonder enige vorm van onderzoek en dat het overigens een burenruzie betreft; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat alle adviserende instanties hebben gesteld dat de exploitatie van de inrichting onverenigbaar is met de ligging in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, dat zij verplicht was de vergunning te weigeren omwille van de stedenbouwkundige onverenigbaarheid, dat de opmerkingen van de verzoekende partij vermeld werden in het bestreden besluit, doch niet van aard waren om de stedenbouwkundige onverenigbaarheid te ontkrachten, en dat het niet nodig is alle argumenten van de verzoekende partij te beantwoorden indien uit de bestreden beslissing voldoende blijkt waarom de vergunning geweigerd diende te worden; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat het argument in verband met de aanwezigheid van een oude stortplaats nergens wordt ontmoet in de bestreden beslissing; 2.3.4. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst herhaalt dat de bestemmingsvoorschriften dwingend zijn, en dat op grond van de bestemmingsvoorschriften niet aangestuurd moet worden VII-17.063-9/12 op een institutionalisering van de bestaande toestand, maar op een sanering van die toestand; dat zij dit nogmaals herhaalt in haar memorie; 2.3.5. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst in verband met de burenruzie aangeeft in welke moeilijke omstandigheden de familie VANDERMOEREN moet leven ten gevolge van de aanwezigheid van het bedrijf; 2.3.6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord verwijst; 2.3.7. Overwegende dat uit de bespreking van het tweede middel blijkt dat de vergunning terecht werd geweigerd op basis van de niet-verenigbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming; dat dit stedenbouwkundig weigeringsmotief op zich volstaat; dat het aldus niet nodig is in te gaan op de argumenten die de vergunningsaanvrager aanvoert, maar dat het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen waarop zij is gebaseerd en dat die redenen afdoende zijn; dat de omstandigheid of de motivering in verband met de hinderaspecten correct is niet terzake doet, indien er een afdoend stedenbouwkundig weigeringsmotief is; dat het derde middel bijgevolg niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel; dat de verzoekende partij doet gelden dat nog geen uitspraak werd gedaan over haar beroep tegen het weigeringsbesluit van 20 december 1990, en dat zij sinds de aanvang van haar activiteiten vanuit milieuoogpunt geen enkel probleem heeft veroorzaakt; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord naar haar argumentatie met betrekking tot het tweede en het derde middel verwijst; 2.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord naar haar verzoekschrift verwijst; 2.4.4. Overwegende dat de eerste tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst aanhaalt dat het eventueel overschrijden van de redelijke termijn om uitspraak te doen over het weigeringsbesluit van 20 december VII-17.063-10/12 1990 er niet toe kan leiden dat de verzoekende partij geacht moet worden over een stilzwijgende vergunning te beschikken; dat dit in de memorie wordt herhaald; 2.4.5. Overwegende dat de tweede tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst niet ingaat op het middel; 2.4.6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie verwijst naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord; 2.4.7. Overwegende dat de omstandigheid dat er nog geen uitspraak zou zijn gedaan over een weigeringsbesluit van 20 december 1990 losstaat van de in het geding zijnde vergunningsaanvraag; dat de aangevoerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur dan ook op een andere vergunningsaanvraag slaat en niet kan leiden tot de vernietiging van de onderhavige beslissing; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. VII-17.063-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.063-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.938 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.