id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.939 Rolnummer: A. 78114/VII-16572 Zaak: Arrest 153939 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:30 Fiche Arrest nr 153.939 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.939 van 19 januari 2006 in de zaak A. 78.114/VII-16.572. In zake : Marcel VERHEYEN, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel VERHEYEN op 2 april 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 9 februari 1998 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 januari 1993 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker om een inrichting te veranderen, gelegen te Hoogstraten, Boskantweg 13; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; VII-16.572-1/12 Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat A. THIENPONT die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker baat te Hoogstraten aan de Boskantweg nr. 13 een veeteeltinrichting uit. Op 16 september 1992 dient hij een milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbreiding van zijn veeteeltinrichting met 44 stuks vee, 2.456 varkens, opslag van mest, voeders en mazout en elektromotoren. 1.2. Op 21 januari 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning voor de opslag van mazout, maar voor het overige wordt ze geweigerd. 1.3. Op 24 maart 1993 gaat verzoeker hiertegen in beroep bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. 1.4. Met een besluit van 28 juli 1993 verwerpt de Vlaamse minister van Leefmilieu dit beroep. VII-16.572-2/12 1.5. Verzoeker stelt tegen dit besluit een annulatieberoep in, en met het arrest nr. 67.985 van 4 september 1997 wordt het ministerieel besluit van 28 juli 1993 vernietigd. 1.6. In het kader van de hernomen beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht : - de afdeling Stedenbouwkundige vergunningen : principieel gunstig; - de administratie Gezondheidszorg : ongunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij : ongunstig; - de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL : beroep gedeeltelijk gegrond verklaren; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie : beroep gedeeltelijk gegrond verklaren. 1.7. Op 9 februari 1998 wordt de bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat thans vergunning wordt verleend voor 44 stuks rundvee, silo's voor 93,5 ton mengvoeder, diverse elektromotoren voor een totaal vermogen van 31,46 kW en de opslag van 4.000 liter mazout. Voor het overige wordt de vergunning geweigerd. De bestreden beslissing vindt zijn grond in artikel 5.9.4.1 en artikel 5.9.4.2. van het nieuwe Vlarem II; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert "van de artikelen 23 en 25 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, van artikel 52.5.a Vlarem I, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de beginselen inzake behoorlijk bestuur"; dat het middel als volgt wordt uiteengezet : "De verwerende partij gaat er desondanks van uit dat na het vernietigingsarrest een nieuwe mogelijkheid bestond om de beroepsprocedure over te doen. Zij gaat er tevens van uit dat de aanvangsdatum van de dwingende beslissingstermijn, voorzien door artikel 23 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 een aanvang nam op de datum van ontvangst van het vernietigingsarrest. Deze zienswijze kan niet worden aanvaard. VII-16.572-3/12 A. De stelling dat na een annulatie de administratieve overheid over een nieuwe beslissingstermijn van gelijke duur beschikt is strijdig met het mechanisme van stilzwijgende goedkeuring dat door de decreetgever in artikel 25 par.1 van het decreet van 28 juni 1985 werd ingesteld (zie bij analogie het advies dd. 14 februari 1995 van de Heer Auditeur BAERT in de zaak G/A 61.900/IV- 14.939, VT4 limited/Vlaamse Gemeenschap : het kabeldecreet van 4 mei 1994 voorziet ook dat de vergunning voor wijziging van programma's op het kabelnet geacht wordt stilzwijgend te zijn verkregen wanneer de Vlaamse regering niet binnen een termijn van vier maanden een beslissing heeft genomen). B. In casu gaat het om de vernietiging van een weigeringsbeslissing. Die vernietiging heeft met het gezag van een rechterlijke uitspraak vastgesteld dat (
- de)tegen het bestreden besluit aangevoerde middelen gegrond waren, met als gevolg dat de verwerende partij die opgetreden is als orgaan van het actief bestuur, er toe aangezet werd om de zaak opnieuw te onderzoeken, in het licht van het gestelde in het arrest, en, in voorkomend geval, opnieuw op de vergunningsaanvraag (dient) te beschikken. De beginselen van behoorlijk bestuur leggen de overheid de verplichting op om binnen een redelijke termijn te beslissen, ook in de gevallen waarin geen dwingende beslissingstermijn is opgelegd (RvSt. nr. 38.697, 7 februari 1992; RvSt. nr. 45.999, 4 februari 1994; RvSt. nr. 49.386, 30 juni 1994; RvSt. nr. 51.495, 2 februari 1995). In het huidige geval weegt de verplichting om tijdig te beslissen uiteraard nog zwaarder vermits de decreetgever aan de overheid die over de vergunningsaanvraag in beroep te beslissen heeft een dwingende termijn heeft opgelegd. Het verstrijken van deze termijn, zonder dat een beslissing werd genomen, heeft voor gevolg dat de aanvrager geacht wordt over een stilzwijgende vergunning te beschikken. Er anders over beslissen zou er op neer komen dat de overheid die op een onwettige wijze na beroep een milieuvergunning weigerde, en dus een fout heeft begaan, door het feit dat de benadeelde aanvrager een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij Uw Raad moet instellen om de wettigheid te laten herstellen, over een veel ruimere termijn zal kunnen beschikken dan deze voorzien door artikel 23 van het decreet van 28 juni 1985. De verwerende partij zou aldus qua termijn uit de door haar begane onwettigheid een voordeel putten, wat vanzelfsprekend niet kan worden aanvaard. C. De vernietigingsprocedure neemt -in theorie- minstens enkele maanden in beslag. De praktijk leert dat het soms iets langer kan duren. De aanvrager wiens vergunning na beroep bij de verwerende partij op onwettige wijze werd geweigerd zou in dergelijk geval langer dienen te wachten vooraleer definitief op administratief niveau over de vergunningsaanvraag wordt beschikt (in het kader van de opnieuw tot leven gekomen administratieve beroepsprocedure na het vernietigingsarrest) dan een aanvrager aan wie de milieuvergunning op wettige wijze werd toegekend in graad van beroep. Dergelijke situatie, die, het weze herhaald, enkel het gevolg is van een onwettigheid begaan door de overheid, houdt uiteraard -en in het huidige geval kan men zeggen : alweer- een ongelijke behandeling en een discriminatie in en is dus strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. D. Een vernietigingsarrest heeft voor gevolg dat de vernietigde overheidshandeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde wordt weggenomen. De vernietiging werkt niet enkel voor de toekomst maar ook voor het verleden en wel tot de dag waarop de beslissing is genomen. De onwettigheid werd immers gepleegd op het ogenblik waarop de vernietigde rechtshandeling werd verricht (A. MAST en J. DUJARDIN, VII-16.572-4/12 onmiddellijk terechtkomt in het stelsel van de stilzwijgende vergunning zoals voorzien door artikel 25 par.1 van voormeld decreet. Terzake kan bij analogie worden verwezen naar de beginselen van het Burgerlijk Wetboek inzake stuiting van verjaringstermijnen. Deze worden, o.m. gestuit door een dagvaarding (art. 2244 B.W.). Indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm of indien de eis wordt afgewezen wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden (art. 2247 B.W.). Dit is een zuivere toepassing van het voor de hand liggende beginsel dat een nietige rechtshandeling uiteraard geen gevolgen kan teweegbrengen (tenzij ingevolge de toepassing van andere rechtsbeginselen, zoals bijvoorbeeld in het administratief recht de continuïteit van het openbaar bestuur). In casu kan echter - mede gelet op hetgeen hoger werd uiteengezet- geen enkel rechtsbeginsel worden ingeroepen dat zou verantwoorden dat na het vernietigingsarrest de verwerende partij geacht wordt om opnieuw over een volledige termijn te beschikken om een nieuw onderzoek te verrichten en een nieuwe beslissing te nemen. E. In het arrest nummer 62.901 van 30 oktober 1996 heeft uw Raad weliswaar een andere opvatting gehuldigd. Nu de vernietigde beslissing er een is die het beroep afwijst en de weigering van milieuvergunning bevestigt, beschikt de minister, na de betekening van het arrest, opnieuw over de volle termijn van vijf maanden om een nieuwe beslissing te nemen. Het (vernietigings)arrest heeft de partijen teruggebracht in de toestand vanaf de dag van de ontvangst van het beroep. Artikel 23 van het milieuvergunningsdecreet stelt dat de minister in zulk geval een beslissing moet nemen binnen de vijf maanden na de ontvangst van het beroep. Na het verstrijken van die termijn wordt de aanvrager, op grond van art. 25 geacht over een stilzwijgende vergunning te beschikken. Met de verzending, de ontvangst en de kennisneming van het beroepschrift van verzoeker gebeurde niets onwettigs. Hetzelfde geldt voor wat de ontvankelijkheidsverklaring ervan betreft. De datum van ontvangst van het beroep blijft dan ook onverbiddelijk deze van 30 maart 1993, zoals trouwens vermeld in het bestreden besluit. Wanneer de partijen, ingevolge de vernietiging door de Raad van State, in feite herplaatst worden naar een bepaald ogenblik (in casu : de datum van ontvangst van het beroep), moeten aan deze vaststelling ook de juridische gevolgen (in casu : het verplicht beslissen binnen de decretaal voorziene termijn) worden verbonden"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat het door verzoeker gehuldigde standpunt ingaat tegen de rechtspraak van de Raad van State, en dat zij daarbij refereert naar diverse arresten van de Raad van State; dat, voorts, zij doet gelden dat een stilzwijgende goedkeuring van de vergunningsaanvraag niet kan worden ingeroepen als door de overheid uitdrukkelijk een weigeringsbeslissing werd genomen; 2.1.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker niet meer op het middel terugkomt; 2.1.4. Overwegende dat het thans bestreden besluit werd genomen binnen vier maanden na de betekening, op 12 september 1997, van het vernietigingsarrest nr. VII-16.572-5/12 67.985; dat ingevolge dit arrest de verwerende partij in de positie was teruggebracht waarin zij haar bevoegdheid, die zij tevoren onrechtmatig had uitgeoefend, opnieuw kon aanwenden met al de waarborgen die haar in staat moeten stellen die bevoegdheid, ditmaal rechtmatig, uit te oefenen, rekening houdend met onder meer het vernietigingsarrest van de Raad van State; dat, in de tijd gezien, dit impliceert dat door de betekening van het vernietigingsarrest de zaak weer in de toestand werd gebracht waarin ze zich bevond na het indienen van het beroep, maar voor het onderzoek ervan door de overheid; dat, nu de vernietigde beslissing er een is die de milieuvergunning weigert, de verwerende partij na de betekening van het annulatiearrest opnieuw over de volle termijn van vijf maanden beschikte om een nieuwe beslissing te nemen; dat te dezen er geen sprake is van terugwerkende kracht van een nieuwe regelgeving; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert "van het beginsel van de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest van de Raad van State, van het verbod tot terugwerking van reglementaire en individuele besluiten, en van het beginsel inzake rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel"; dat hij het middel als volgt toelicht : "Door het vernietigingsarrest van 4 september 1997 werden de partijen teruggebracht in het verleden, met andere woorden naar het ogenblik waarop het administratief beroep werd ingediend (24 maart 1993), en zeker binnen de bindende beslissingstermijn van vijf maanden volgend op dit administratief beroep. Het thans bestreden besluit weigert de vergunning op grond van Vlarem Ilbis, dat pas op 1 juni 1995 tot stand kwam en op 31 juli 1995 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, om vanaf 1 augustus 1995 in werking te treden. Zonder afbreuk te doen aan voormelde beginselen kon de verwerende partij de bepalingen van Vlarem Ilbis niet toepassen op de lopende vergunningsaanvraag (in beroep). Op te merken valt dat het eerder ingeroepen weigeringsmotief, geput uit het Door thans de bepalingen van Vlarem Ilbis toe te passen op de lopende (of hangende) vergunningsaanvraag verleent de verwerende partij bij individuele beslissing terugwerkende kracht aan dit besluit, en schendt zij tevens artikel 7.3.01 van Vlarem II (bis), en het wettigheidsbeginsel. De vroegere reglementering moet worden toegepast indien de rechtsonderhorige er een recht kon laten op gelden dat op een bepaald ogenblik een welbepaalde beslissing werd genomen (M. VAN DAMME, VII-16.572-6/12 milieuvergunningsdecreet diende de verwerende partij een beslissing te nemen binnen de vijf maanden na de ontvangst van het beroepschrift"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat op het moment dat de minister zich uitsprak Vlarem II reeds van kracht was en de minister dit dus diende toe te passen; dat naar haar oordeel er geen sprake is van de toepassing van een regelgeving met terugwerkende kracht; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat wanneer wordt aangenomen dat vanaf de vernietiging de administratie over een nieuwe termijn beschikt om een beslissing te nemen, het gevaar bestaat dat de overheid terugwerkende kracht zou verlenen aan een gebeurlijke nieuwe regelgeving en dat aldus het beginsel van de niet-terugwerkende kracht wordt geschonden; 2.2.4. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker betoogt, de vergunningverlenende overheid, wanneer zij uitspraak doet over een exploitatie- of milieuvergunningsaanvraag, niet gebonden is door de reglementering die van toepassing is op de datum van de aanvraag; dat zij, integendeel, ertoe gehouden is als orgaan van actief bestuur de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik van de uitspraak; dat op het ogenblik waarop het bestreden besluit werd genomen het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) reeds in werking was getreden en diende te worden toegepast; dat er aldus geen sprake is van een retroactieve toepassing; dat het middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel de schending aanvoert "van de motiveringsplicht zoals vervat in de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 en artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985"; dat hij doet gelden wat volgt : "Het bestreden besluit komt tot de bevinding dat de inrichting, als niet- gesloten varkenshouderij, niet voldoet aan de afstandsregel voorzien in artikel 5.9.4.4, 1, b Vlarem II. Nochtans zegt de beslissing niet op welke afstand de inrichting zich bevindt ten opzichte van de in die bepaling geviseerde hindergevoelige gebieden. De individuele beslissing moet de feitelijke elementen weergeven die haar ondersteunen"; VII-16.572-7/12 2.3.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij stelt dat verzoeker zelf ook weet dat zijn bedrijf gelegen is op respectievelijk 200 meter van een natuurgebied en 300 meter van een gebied voor dagrecreatie; dat door expliciet te verwijzen naar de afstandsregels die in casu toepasselijk zijn, en door vast te stellen dat deze niet worden geëerbiedigd, de feitelijke en juridische elementen van de beslissing naar behoren werden toegelicht; 2.3.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker niet meer op het middel terugkomt; 2.3.4.1. Overwegende dat in de aanhef van de bestreden beslissing wordt overwogen wat volgt : "Overwegende dat, voor andere dan gesloten varkenshouderijen, na een eventuele uitbreiding tot meer dan 1.800 varkens, overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.9.4.4., 1/,
- b)van titel II van het Vlarem een dergelijke uitbreiding slechts toegelaten is indien het berekend aantal waarderingspunten minstens 151 bedraagt en de inrichting is gelegen op minstens 1.500 m van elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, gebied voor verblijfsrecreatie, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat en woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter; dat deze afstand dient gemeten vanaf elke stal en/of opslag van dierlijke mest of mengmest van de inrichting; dat indien het aantal waarderingspunten 201 of meer bedraagt, de afstand mag worden verminderd tot 1.000 m; Overwegende dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.9.4.1. en 5.9.4.2. van Titel II van het Vlarem aan de inrichting 89 waarderingspunten kunnen worden toegekend; dat aan de bepalingen van artikel 5.9.4.4., 1/,
- b)bijgevolg niet is voldaan; dat er aanleiding toe bestaat de uitbreiding tot met (sic) 3.156 varkens tot 4.106 varkens te weigeren; dat de bijhorende opslag van 840 m³ dierlijke mest eveneens dient geweigerd"; 2.3.4.2. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat aan zijn inrichting 89 waarderingspunten kunnen worden toegekend, zodat overeenkomstig artikel 5.9.4.4., 1/,
- b)van Vlarem II de uitbreiding van de bestaande inrichting slechts was toegelaten indien de inrichting is gelegen op minstens 1.500 meter van elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, gebied voor verblijfsrecreatie, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat en woongebied ander dan woongebieden met landelijk karakter; dat verzoeker ook niet betwist dat zijn aanvraag niet aan deze afstandsregel voldoet; dat dit in concreto betekent dat de inrichting op minder dan 1.500 meter van de hindergevoelige gebieden ligt; dat hoeveel meter de inrichting precies van de hindergevoelige gebieden verwijderd is niet terzake doet zolang het maar minder dan 1.500 meter is, wat verzoeker niet betwist; dat overigens mag worden aangenomen dat verzoeker zelf ook wel de afstand kent VII-16.572-8/12 tussen zijn inrichting en de hindergevoelige gebieden; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert wat volgt : "4 ONBEVOEGDHEID VAN DE VERWERENDE PARTIJ De bestreden beslissing schendt de regels die de bevoegdheden betreffende het leefmilieu- en landbouwbeleid verdelen tussen de federale overheid en de gewesten (artikel 39 van de Grondwet en artikel 6 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980). A. De bevoegdheid inzake landbouw is in beginsel een federale bevoegdheid. De federale overheid beschikt terzake over de residuaire bevoegdheid. Concreet gaat het om het markt- en prijsbeleid, de reglementering, het beheer en de controle van dieren, het sanitair beleid betreffende dieren, de productiebeheersing, het bepalen van landbouwtechnieken en -methodes, enzovoort (toelichting hij voorstel van bijzondere wet tot vervollediging van de federale staatsstructuur, Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/1, 22-23). B. In zijn arrest nummer 55/92 van 9 juli 1992 (B.S., 1 september 1992) overwoog het Arbitragehof (punt 53.7) : van het bestreden decreet zelf is beperkt tot maatregelen die de exploitatie van landbouwbedrijven C. Artikel 20 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt : Onverminderd de bepalingen van dezelfde wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten kan de vergunningverlenende overheid hij het verlenen VII-16.572-9/12 van een vergunning bijzondere voorwaarden opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu'. D. De beslissing van de vergunningverlenende overheid en, subsidiair Vlarem II schenden de bevoegdheidsverdelende regels inzake landbouw en leefmilieu zoals het Arbitragehof die geïnterpreteerd heeft : De voorwaarde dat de uitbreiding van een bestaande gemengde veehouderij moet resulteren in een gesloten varkenshouderij schendt die regels omdat het opleggen van die bedrijfsvorm de bescherming van het leefmilieu niet ten goede komt. Integendeel : het is een aspect van het sanitair beleid betreffende dieren (dierengezondheid, voorkoming van ziektes zoals varkenspest), dat een voorbehouden bevoegdheid van de federale overheid is. Het is inderdaad moeilijk aan te nemen dat een varkenshouderij minder hinderlijk of vervuilend zou zijn dan een varkenshouderij die niet aan die voorwaarden voldoet. De voorwaarde dat de uitbreiding van een bestaande gemengde veehouderij varkens kan toegestaan worden in de mate dat het aantal varkens beperkt is tot een maximum 1.900 schendt die regels omdat die voorwaarde het de federale overheid onmogelijk maakt een doeltreffend beleid te voeren in aangelegenheden die haar voorbehouden bevoegdheid zijn : het markt- en prijsbeleid, de reglementering en het beheer van dieren, de productietechnieken, het bepalen van landbouwtechnieken en -methodes, enzovoort. De gewesten kunnen regels vaststellen om hinder te bestrijden die voortvloeit uit de activiteiten van varkenshouders (bijvoorbeeld door bemestingsnormen op te leggen). Die regels zullen ongetwijfeld een weerslag hebben op de manier waarop sommige landbouwbedrijven worden geëxploiteerd, maar dat is een normaal gevolg van het uitoefenen, door de gewesten, van hun bevoegdheid inzake aangelegenheden die door de landbouwuitbating worden beïnvloed, en dan is er geen sprake van bevoegdheidsoverschrijding. Dit is echter wel het geval als een gewest rechtstreeks ingrijpt in de exploitatie van landbouwbedrijven door maximumaantallen varkens op te leggen. Met andere woorden : een gewest kan maximumnormen van hinder voor het leefmilieu vaststellen, maar een gewest kan niet voorschrijven (bijvoorbeeld door productietechnieken op te leggen, door varkensquota op te leggen, ...) op welke manier een varkenshouderij die norm moet naleven"; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat verzoeker niet aantoont dat het voor de federale overheid onmogelijk zou zijn een doeltreffend landbouwbeleid te voeren en dat overigens de federale overheid de bewuste regelgeving nooit heeft aangevallen; 2.4.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord niet op het middel terugkomt; 2.4.4. Overwegende dat artikel 6, § 1, II, 1 en 3/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat tot de bevoegdheid van de gewesten behoort wat betreft het leefmilieu en het waterbeleid : VII-16.572-10/12 - de bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; - de politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming; dat artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, zoals gewijzigd door artikel 49 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, ten tijde van het uitvaardigen van het nieuwe Vlarem II, luidde als volgt : "De Vlaamse regering wordt gemachtigd algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen, waarvan ze, indien om technische redenen noodzakelijk, bij gemotiveerd besluit kan afwijken. Met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu kunnen deze milieuvoorwaarden bepalingen bevatten die de toelaatbaarheid van bepaalde inrichtingen in sommige gebieden beperken of verbieden. De vergunningverlenende overheid kan bij het verlenen van een vergunning bijzondere exploitatievoorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu"; dat die bepaling kan worden ingepast in de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest op het vlak van het leefmilieu, zoals die tot uitdrukking wordt gebracht in het hierboven aangehaalde artikel 6, § 1, II, 1/ en 3/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; dat die bepaling rechtsgrond biedt voor de verbods- en afstandsbepalingen vervat in de artikelen 5.4.9.3, 5.4.9.4 en 5.4.9.5 van het nieuwe Vlarem II; dat blijkens de parlementaire voorbereiding van vorenstaand artikel (Gedr. st., Vl. Raad, 1993-1994, nr. 415/1, p. 19, nr. 415/12, p. 23) het de bedoeling van de decreetgever was ondubbelzinnig tot uiting te laten komen dat ook gebiedsgebonden afstandsregels kunnen worden gehanteerd bij het beoordelen van milieuvergunningsaanvragen; dat aldus uit niets blijkt dat de verwerende partij bij het vaststellen en het toepassen van de afstandsregel neergelegd in artikel 5.9.4.4, 1/,
- b)van Vlarem II haar bevoegdheid is te buiten gegaan; dat hieraan geen afbreuk doet de omstandigheid dat het vastleggen en toepassen van afstandsregels een weerslag heeft op de mogelijkheid tot het uitbaten van landbouwinrichtingen en de wijze waarop zij kunnen worden uitgebaat; dat, immers, dergelijke repercussies onvermijdelijk zijn bij het vaststellen en het toepassen van de milieuregelgeving; dat nergens uit blijkt dat het Vlaamse Gewest zijn bevoegdheid op een dermate wijze heeft uitgeoefend dat de federale overheid haar ten tijde van de bestreden beslissing toegekende bevoegdheden op het vlak van de landbouw niet meer kon uitoefenen; dat het vierde middel niet gegrond is, VII-16.572-11/12 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.572-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div