← België

Arrest 153947 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.947 Rolnummer: A. 165291/VII-34470 Zaak: Arrest 153947 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:31 Fiche Arrest nr 153.947 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.947 van 19 januari 2006 in de zaak A. 165.291/VII-34.470. In zake : 1. de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL, 2. de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, 3. Kevin VERCAMMEN, 4. Caroline GILLIS, 5. Karolien GIELEN, 6. Kristel KNAEPEN, die woonplaats kiezen bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER, K. LEUS en K. LEMMENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat 38. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL, de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, Kevin VERCAMMEN, Caroline GILLIS, Karolien GIELEN en Kristel KNAEPEN op 19 augustus 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 20 juni 2005 tot vaststelling van de criteria en de regels voor de selectie van de erkende kinesitherapeuten die het recht bekomen om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen (Belgisch Staatsblad 30 juni 2005); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur J. STEVENS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-34.470-1/16 Gelet op de beschikking van 3 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaten K. LEUS en K. LEMMENS, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. STEVENS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de vordering moet beoordeeld worden binnen de -niet betwiste- juridische context die zich in de huidige stand van de zaak als volgt aandient : 1.1. Op grond van artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen ingevoegd bij de wet van 6 april 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, met het oog op de regeling van de uitoefening van de kinesitherapie, mag niemand de kinesitherapie beoefenen, noch de beroepstitel van kinesitherapeut dragen, dan wanneer hij houder is van een erkenning verleend door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort. 1.2. Artikel 35novies van hetzelfde koninklijk besluit nr. 78, zoals het werd ingevoegd bij de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, liet de Koning toe het globaal aantal kandidaten te bepalen dat jaarlijks toegang heeft tot het verkrijgen van de in artikel 21bis bedoelde erkenning als kinesitherapeut. 1.3. Het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van het globaal aantal kinesitherapeuten, opgesplitst per Gemeenschap, die toegang hebben tot de beroepstitel van kinesitherapeut, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 november 2000, bepaalt dat het globaal jaarlijks aantal kinesitherapeuten niet meer VII-34.470-2/16 dan 450 mag bedragen in 2005, 2006, en 2007, nl. 270 en 180 voor de titularissen van diploma’s uitgereikt door respectievelijk de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Dit besluit werd nooit uitgevoerd. 1.4. Met de wet van 24 november 2004 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, wordt artikel 21bis van voormeld koninklijk besluit nr. 78 aangevuld en artikel 35novies, § 1, vervangen (Belgisch Staatsblad 9 maart 2005). Artikel 21bis, § 1, wordt aangevuld als volgt : "De houders van de erkenning, bedoeld in het eerste lid, die voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 35novies, § 1, 4/, kunnen de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging verkrijgen, voor de in artikel 34, eerste lid, 1/, c), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juni 1994, bedoelde verstrekkingen". Artikel 35novies, § 1, wordt vervangen als volgt : "§ 1. Op gezamenlijk voorstel van de ministers die respectievelijk de Volksgezondheid en Sociale Zaken onder hun bevoegdheid hebben, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad : 1/ ... 2/ kan de Koning, na advies van de Planningscommissie, het globaal aantal kandidaten bepalen, die houders zijn van een diploma afgeleverd door een instelling die onder de bevoegdheid van de Franse of van de Vlaamse Gemeenschap valt, opgesplitst per Gemeenschap, dat jaarlijks, na het behalen van de erkenning bedoeld in artikel 21bis, § 1, eerste lid, toegang krijgt tot de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, voor de in artikel 34, eerste lid, 1/, c), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde verstrekkingen; 3/ ... 4/ kan de Koning de criteria en regels vastleggen voor de selectie van de in 1/, in 2/ en in 3/ bedoelde kandidaten". De Memorie van Toelichting bij deze bepalingen stelt (Parl. St. Kamer, Zitting 2003-2004, doc. nr. 51.1016/1, Memorie van toelichting, p. 5.) : "3. Kinesitherapie Niet alleen is het aantal kinesitherapeuten in België nu reeds te hoog, en de vooruitzichten van het aantal diploma's die in de komende jaren zullen worden uitgereikt wijzen erop dat deze situatie nog zal verergeren. Momenteel is de erkenning door de minister van Volksgezondheid zowel een voorwaarde om het beroep van kinesitherapeut te mogen uitoefenen als een voorwaarde om toegang te krijgen tot de terugbetaling van de zorg in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het is de bedoeling om de toegang tot het beroep mogelijk te maken, los van het bezit van een RIZIVnummer. VII-34.470-3/16 Wie daarenboven toegang wil tot het beroep in het kader van de terugbetaling door het RIZIV, zal deel moeten uitmaken van de quota die zijn vastgelegd op grond van artikel 35novies van het koninklijk besluit nr. 78. De contingentering zal slaan op die gediplomeerden die én de erkenning én de toegang tot het Riziv wensen te bekomen. De anderen die, via de erkenning, het beroep mogen uitoefenen zonder over een RIZIV-nummer te beschikken, kunnen terecht in het ruim tewerkstellingsdomein van het onderwijs of de welzijnssector zoals bijvoorbeeld gehandicaptenzorg, revalidatiecentra of sportclubs. Dit betekent ook dat kinesitherapeuten die hun diploma bekomen hebben in België en er erkend zijn, het beroep van kinesitherapeut in een andere lidstaat mogen beoefenen. De beperking van het aantal kinesitherapeuten moest in principe in 2003 in werking treden. Op uitdrukkelijk verzoek van de Gemeenschappen is de toepassing echter uitgesteld tot 2005"; en "Artikel 4 wijzigt artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 78 ... Het heeft als doel twee soorten voorwaarden te creëren, al naar gelang het gaat om de gewone toegang tot de uitoefening van het beroep van kinesitherapeut of om de uitoefening van het beroep van kinesitherapeut in het kader van terugbetaling door het RIZIV. De gewone toegang tot het beroep vereist de erkenning. De toegang tot het beroep in het kader van de terugbetaling door het RIZIV vereist niet alleen de beroepstitel maar ook het voldoen aan de voorwaarden vastgelegd op grond van artikel 35novies van het besluit nr. 78, nl. deel uitmaken van de quota vastgelegd door de Koning en voldoen aan de kwaliteitscriteria vastgelegd door de Koning. Dit artikel geeft de Koning de bevoegdheid om de voorwaarden en modaliteiten voor het verkrijgen, het behouden en het intrekken van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging (lees : vast te leggen)". 1.5. Het -in deze zaak bestreden- koninklijk besluit van 20 juni 2005 tot vaststelling van de criteria en de regels voor de selectie van de erkende kinesitherapeuten die het recht bekomen om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen (Belgisch Staatsblad 30 juni 2005) bepaalt : "HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1. § 1. In dit besluit wordt verstaan onder : § 2. De kandidaten die het recht bekomen om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, worden geselecteerd op basis van een vergelijkend examen. Dit recht is persoonlijk en onoverdraagbaar. VII-34.470-4/16 § 3. Het vergelijkend examen heeft betrekking op de kennis, bekwaamheid en attitudes van de kandidaten die noodzakelijk worden geacht voor het recht om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen in het kader van het beheer van een kinesitherapiepraktijk. § 4. De bepalingen van huidig besluit zijn niet van toepassing op kandidaten die het diploma beoogd in artikel 4 § 2 behaalden voor 1 juni 2005. HOOFDSTUK II. - Toekenning van bevoegdheden voor het vaststellen van de inhoud en de organisatiemodaliteiten van het vergelijkend examen. Art. 2. (...) Art. 3. (...) HOOFDSTUK III. - Inschrijving. Art. 4. (...) HOOFDSTUK IV. - Het vergelijkend examen. Art. 5. (...) Art. 6. (...) HOOFDSTUK VI. - Het totaal aantal kandidaten houders van een diploma afgeleverd door een instelling die tot de Franse Gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschap behoort, die het recht om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen bekomen. Art. 7. § 1. Het totaal aantal kinesitherapeuten dat, na het diploma te hebben behaald bedoeld in artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, jaarlijks het recht heeft om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen bedoeld in artikel 35novies, § 1, 2/ mag voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 niet hoger zijn dan jaarlijks 450 en 350 voor het jaar 2009; § 2. Per Gemeenschap is het aantal beoogd in artikel1 vastgesteld als volgt : 1/ wat het aantal kandidaten betreft dat een einddiploma afgeleverd door een universiteit of instelling van hoger onderwijs onder bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap heeft : jaarlijks 270 voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008, en 210 voor het jaar 2009. 2/ wat het aantal kandidaten betreft dat een einddiploma afgeleverd door een universiteit of instelling van hoger onderwijs onder bevoegdheid van de Franse Gemeenschap heeft : jaarlijks 180 voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008, en 140 voor het jaar 2009. Art. 8. (...) HOOFDSTUK VII - Slotbepalingen. Art. 9. (...) Art. 10. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 11. Het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van het globaal aantal kinesitherapeuten, opgesplitst per Gemeenschap, die toegang hebben tot de beroepstitel van kinesitherapeut wordt opgeheven. Art. 12. Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en onze Minister van Ambtenarenzaken zijn belast met de uitvoering van dit besluit voor de materies die hen betreffen". 1.6. Het ministerieel besluit van 29 augustus 2005 (Belgisch Staatsblad 1 september 2005) tot vaststelling voor het jaar 2005 van de datum en organisatiemodaliteiten van het vergelijkend examen voor de selectie van de erkende VII-34.470-5/16 kinesitherapeuten die het recht bekomen om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, bepaalt als datum van het desbetreffend vergelijkend examen 28 oktober 2005. Voorts bepaalt het de organisatiemodaliteiten van het vergelijkend examen; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de voorwaarde inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de partijen de volgende argumenten aanbrengen : 3.1.1. De verzoekende partijen adstrueren eerst hun belang bij de vordering : "5.- Eerste en tweede verzoekende partij zijn vrije universitaire onderwijsinstel- lingen. Zij bieden beiden een academische opleiding 'Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie' aan. In de mate dat de voorgestelde contingentering door de wetgever is ingevoerd - en door de Koning verder is uitgewerkt in het bestreden besluit - om het vermeende probleem van het teveel aan kinesitherapeuten aan te pakken werd duidelijk een ontradend effect beoogd. Weliswaar wordt de toegang tot het beroep op zich niet beperkt, maar dat belet niet dat de mogelijkheid om toe (

  1. te)treden tot het terugbetalingssysteem van het RIZIV aan banden wordt gelegd. Door deze maatregel zullen de heid in de toelichting van het wetsvoorstel verklaart dat Er moet dan ook worden vastgesteld dat de wetgever en de Koning er ondubbelzinnig voor hebben gekozen om de opleiding VII-34.470-6/16 studentenaantal heeft immers - hetgeen in het verleden genoegzaam met betrekking tot andere opleidingen is bewezen - zeer nefaste consequenties voor de macrodoelmatigheid van de opleiding en doet de inspanningen en investeringen teloorgaan die de opleiding, en zodoende de betrokken universiteit, heeft gedaan om kwaliteitsonderwijs in de kinesitherapie te verstrekken. Dat deze inspanningen inderdaad in het verleden werden gedaan en zulks, uiteraard, hetgeen eigen is aan een investering, met het oog op het verzekeren van de toekomst en het voortbestaan van de opleiding blijkt uit de resultaten van het visitatierapport 2004 betreffende de universitaire opleidingen kinesitherapie (...). Aangezien eerste en tweede verzoekende partij de ongunstige, beperkende rechtsgevolgen bestrijden die de bestreden bepalingen verbinden aan de diploma's die zij uitreiken, kan niet worden betwist dat zij getuigen van het vereiste belang. Zulks is des te meer het geval daar de bestreden bepalingen zoals zij door de Koning zijn uitgewerkt, zoals hierna zal worden uiteengezet, onmiskenbaar een miskenning inhouden van de onderwijsbevoegdheden van de universitaire instellingen. 5.- De overige verzoekers zijn studenten of pas afgestudeerden in de kinesitherapie. Aangezien de verzoekers de ongunstige rechtsgevolgen betwisten die de bestreden bepalingen verbinden aan het bezit van de diploma’s waarvan zij houder zijn of aan de organisatie van het beroep dat zij wensen uit te oefenen, doen zij blijken van het vereiste belang. Er kan inderdaad niet worden betwijfeld dat derde tot en met zesde verzoeker rechtstreeks en ongunstig in hun situatie worden geraakt door bepalingen die voor hen een bijkomende voorwaarde creëren voor de zelfstandige uitoefening van het beroep van kinesitherapeut in het RIZIV-systeem. In de mate dat de bestreden bepalingen, enerzijds, voorzien in een jaarlijks, per Gemeenschap, vast te stellen contingent van kinesitherapeuten die recht hebben op het verstrekken van prestaties binnen het RIZIV-systeem en, anderzijds, de houders van het diploma kinesitherapie verplichten om deel te nemen aan een vergelijkend examen om te kunnen deel uitmaken van dit contigent, kan niet ernstig worden betwijfeld dat de bestreden regels verzoekers een rechtstreeks en persoonlijk nadeel berokkenen. Het belang dat zij hebben bij de schorsing van de bestreden regeling is derhalve manifest". Voorts voeren zij het volgende aan : "III. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 6.- Het kan niet ernstig worden betwijfeld dat de bestreden regeling voor verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich meebrengt. 7.- Voor wat eerste en tweede verzoekster betreft, staat het vast dat het in het besluit bepaalde contingent en de organisatie van een vergelijkend examen de opleiding kinesitherapie beduidend minder aantrekkelijk maken. Eerste en tweede verzoekster zullen aldus minder studenten voor hun opleiding kinesitherapie mogen verwelkomen. Het is bovendien erg onwaarschijnlijk dat de potentiële studenten kinesitherapie, die afgeschrikt worden door de contingentering en het vergelijkend examen, voor een andere door eerste en tweede verzoekster aangeboden opleiding zullen kiezen. Zij zullen daarentegen naar alle waarschijnlijkheid kiezen voor vergelijkbare 4-jarige opleidingen in de (para)- medische sfeer. Verzoeksters bieden dergelijke opleidingen niet aan. Het staat aldus vast dat verzoeksters door de bestreden regeling studenten zullen mislopen. In het verleden (2 jaar geleden) is reeds gebleken welke nefaste gevolgen dergelijke toegangbeperkende maatregelen hebben op een opleiding, het voortbestaan daarvan en de consequenties voor de instelling, faculteit of afdeling. Reeds twee jaar geleden werden de kinesitherapie-opleidingen getroffen door de maatregelen van de minister van onderwijs waardoor alle opleidingen nog de helft VII-34.470-7/16 tot één derde van hun normale inschrijvingen konden noteren in het eerste jaar. Vorig jaar kon weliswaar opnieuw een (zij het veeleer bescheiden) vooruitgang in de inschrijvingsaantallen worden genoteerd. Echter de voortdurende en opeenvolgende wijziging van de spelregels tijdens de (meerjarige) opleiding zal ook deze keer - en allicht een nog grotere - reductie van het aantal inschrijvingen in het eerste jaar met zich meebrengen waardoor de kleinere opleidingen riskeren onder een leefbaar aantal studenten te komen (de zgn vereiste bovendien zal op die wijze (veelvuldige wijzigingen en uitstroombeperkende maatregelen) ook de overstap door andere studenten naar andere vergelijkbare vierjarige paramedische opleidingen worden aangemoedigd die - weerom - niet worden aangeboden, als universitaire instelling, door eerste en tweede verzoekende partij. Het onder een leefbaar aantal studenten komen van een opleiding heeft binnen het universitair onderwijs tot gevolg dat ook de onderzoeksexpertise verloren gaat wat nefast is voor de wetenschappelijke ontwikkeling en expertise binnen de kinesitherapie en waardoor onherroepelijk het (hoge en internationaal gewaardeerde) niveau van de opleidingen zal stagneren; d.i, in werkelijkheid achteruit gaan omdat het door het visitatierapport 2004 erkende en behaalde niveau niet zal kunnen worden gehandhaafd. Het opzetten van dergelijk kwaliteitsvol onderzoek is een meerjarenplanning en zal bij een (zeer duidelijk te verwachten) verhoogde marktaanvraag in de toekomst niet snel in te halen zijn hetgeen op zijn beurt de kwaliteit van het onderwijs zal aantasten en derhalve zal leiden tot een te verwachten nieuwe daling van het studentenaantal waardoor een nefaste draaikolkbeweging ontstaat. Dergelijk moeilijk te herstellen nadeel kan ook niet als een louter financieel nadeel worden aangemerkt omdat een dergelijk, uitermate moeilijk omkeerbaar proces dat - al is het dan een gevolg van het zgn. 8.- Voor wat de overige verzoekers betreft, is het moeilijk te herstellen ernstig nadeel evident. Met name de studenten (of pas afgestudeerden) die na 1 juni 2005 hun diploma behalen of (net) behaald hebben, worden thans geconfronteerd met een contingentering van het aantal kinesitherapeuten dat kan deel uitmaken van het terugbetalingsstelsel van het RIZIV. Om toegelaten te worden tot dit systeem zullen zij moeten deelnemen aan een vergelijkend examen. (...) Het is alleszins duidelijk dat de betrokken kinesitherapeuten, zolang zij geen zekerheid hebben over (...) hun gunstig resultaat, zij uit voorzichtigheid geen investeringen zullen kunnen doen in hun zelfstandige carrière als kinesitherapeut binnen het terugbetalingsstelsel. Deze studenten die hun studies reeds aanvatten of, zelfs, zopas beëindigden in de maand juli of, ingeval van een herkansing, in september van het jaar 2005 worden aldus door het bestreden besluit van 20 juni 2005 voor een voor hen nadelig voldongen feit geplaatst, inzonderheid door de wijze waarop het bestreden besluit de door de wet van 24 november 2004 beoogde contingentering aan de uitstroom realiseert. Bovendien konden zij zich aan een dergelijke vastgestelde contingentering aan de uitstroom niet verwachten en werd er bovendien niet voorzien, voor diegenen die de studies hebben aangevat in een in redelijkheid aanvaardbare overgangsperiode of aangepaste overgangsmaatregel. Het gegeven dat de K.B. van 3 mei 1999 en van 23 november 2000, zonder self - executing te zijn reeds contingentering kunnen immers aan het voorgaande geen afbreuk doen. VII-34.470-8/16 Aankondigingeffecten kunnen immers juridisch geen aanvaardbare werkwijze uitmaken en bieden de rechtsonderhorige in ieder geval onvoldoende rechtszekerheid 1.) omtrent de vraag of hetgeen aangekondigd wordt zal worden waargemaakt, en zo ja, 2.) omtrent het tijdstip of 3.) de wijze waarop hetgeen aangekondigd wordt zal worden gerealiseerd of uitgewerkt. Zulks geldt des te meer nu de vorm waarin of de wijze waarop de contingentering kon worden gerealiseerd in diverse besprekingen en ontwerpen vele gedaanten heeft gehad en ook kon hebben (beperking aan de instroom, aan de uitstroom, (her)oriëntering tijdens de studies, enz. met elk hun uitwerkingsmodaliteiten of - opties). Het komt juist de overheid toe de vereiste rechtszekerheid te scheppen door het uitvaardigen van duidelijke en behoorlijke regelgeving of normstelling gepaard gaande met de vereiste in redelijkheid aanvaardbare overgangsmaatregelen inzonderheid daar waar het de reglementering van de vrijheid van de beroepsuitoefening betreft en derhalve een fundamenteel recht van de rechtsonderhorige in het geding is. Een Aangezien het bestreden besluit bovendien nog bepaalt dat er voor 2005 - waarvan zij de duur niet kennen aangezien hij loopt tot op het ogenblik van de bekendmaking van de resultaten van het eventueel georganiseerde examen - niet alleen inkomsten maar ook ervaring mislopen. Een eventueel later tussen te komen annulatiearrest is immers niet bij machte om, enerzijds, genoegdoening te bieden voor de onzekerheid waarin de betrokkenen hun loopbaan moeten aanvatten en daarin belangrijke keuzen moeten doen en, anderzijds, om het verlies aan nuttige ervaring als (zelfstandige) kinesitherapeut binnen het terugbetalingsstelsel te compenseren. Het feit dat het besluit, dat hen deze nadelen berokkent, is aangetast door een aantal manifeste onwettigheden, versterkt enkel nog de noodzaak om de afloop van het annulatieberoep niet af te wachten. Enkel een schorsing kan dan ook genoegdoening brengen opdat zij zich volgens hun plannen zouden kunnen vestigen niet alleen als (zelfstandig) kinesitherapeut maar als zelfstandig therapeut binnen het reguliere terugbetalingsstelsel van het RIZIV en daartoe de vereiste initiatieven zouden kunnen nemen teneinde zulk project financieel en met redelijke beroepsperspectieven te kunnen realiseren. 9. Voor wat de verzoekers betreft die de opleiding kinesitherapie reeds hebben aangevat of haar reeds bijna of kortelings hebben voltooid, geldt eveneens dat zij zich geconfronteerd zien met een reeks bijkomende voorwaarden voor de zelfstandige uitoefening van het beroep binnen het terugbetalingsstelsel van het RIZIV (contingent, vergelijkend examen). Deze voorwaarden hebben onmiskenbaar een belangrijke impact op het verdere verloop van hun professionele carrière. Deze bijkomende lasten worden hen daarenboven opgelegd zonder dat er voor hen in een overgangsregeling is voorzien. Gelet evenwel op het feit dat de bedoelde contingentering en examens reeds op hen van toepassing zullen zijn, nog voor een eventueel annulatiearrest zal zijn tussengekomen, kan niet worden ontkend dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zullen lijden ingevolge de inwerkingtreding van het bestreden besluit. Ook deze studenten dreigen immers op onwettige wijze, van meetaf aan, bij de aanvang van hun loopbaan, in hun professionele toekomst te worden beknot, in casu in het systematisch uitbouwen onder de volledige verantwoordelijkheid van de betrokken zelfstandig opererende kinesitherapeut van een volwaardige (lees met toegang tot het RIZIV) zelfstandige praktijk. Het feit dat het besluit, dat hen deze VII-34.470-9/16 nadelen berokkent, bovendien is aangetast door een aantal manifeste onwettigheden, versterkt enkel nog de noodzaak om de afloop van het annulatieberoep niet af te wachten. Enkel een schorsing van de bestreden maatregelen kan soelaas brengen". 3.1.2. De verwerende partij antwoordt hier op : "8. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partijen beweren, beschikken ze terzake niet over het rechtens vereiste belang. Verzoekende partijen tonen niet aan dat de schorsing en/of de nietigverklaring van het bestreden besluit hen een voordeel zou verschaffen, integendeel. Volgens artikel 11 van het bestreden besluit wordt het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot vaststelling van het globaal aantal kinesitherapeuten, opgesplitst per Gemeenschap, die toegang hebben tot de beroepstitel van kinesitherapie, opgeheven. Dit laatste besluit legde het jaarlijks aantal kinesitherapeuten vast die toegang hebben tot het dragen van de beroepstitel van kinesitherapeut (450 in 2005, 2006 en 2007). Dit regime werd door het bestreden besluit drastisch versoepeld nu de contingentering geen betrekking meer heeft op de erkenning als kinesitherapeut doch wel op het recht van erkende kinesitherapeuten om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering. Een schorsing en/of nietigverklaring zou leiden tot het opnieuw in het leven roepen van een ongunstiger regime, hetgeen bezwaarlijk als een voordelige situatie kan beschouwd worden. Bij gebrek aan voordeel bij schorsing en/of nietigverklaring kan er geen sprake zijn van belang. Verzoekende partijen tonen het rechtstreekse karakter van hun nadeel niet aan. In de mate dat het bezwaar van verzoekende partijen slaat op het principe van de contingentering van het aantal erkende kinesitherapeuten die het recht bekomen om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering, vloeit de gewraakte situatie niet uit het bestreden besluit, doch wel uit de wet van 24 november 2004 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg. Artikel 21bis en 35 novies van het KB nr. 78 voorzien voortaan in een regeling waarbij het globaal aantal erkende kinesitherapeuten die toegang krijgt tot de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging door de Koning wordt vastgelegd. Het ingeroepen nadeel volgt bijgevolg niet uit het bestreden besluit doch wel rechtstreeks uit de wet. (...) In hoofde van verzoekende partijen sub 1 en 2 dient meer bepaald te worden opgemerkt dat het aangevoerde nadeel niet concreet wordt aangetoond. Het zogenaamd ontradend effect en de beweerde daling van het studentenaantal wordt niet aangetoond. Het oorzakelijk verband tussen de aangevoerde daling en de uitvaardiging van het bestreden besluit evenmin. Het geciteerde visitatierapport 2004 wordt niet neergelegd en de inhoud ervan niet vermeld. Zelfs indien dit enige relevantie zou hebben, quod non, zou het ontradend effect niet voortvloeien uit de inwerkingtreding van het bestreden besluit, doch wel, zoals reeds aangetoond, uit de inwerkingtreding van het stelsel van de contingentering van het aantal kinesitherapeuten die toegang krijgen tot het beroepstitel van kinesitherapie. Dit stelsel bestaat nu al meer dan zes jaar. Het behoorde tot de Gemeenschappen en tot de instellingen die de relevante vormingen in kinesitherapie en revalidatie verschaffen - waaronder verzoekende partijen sub 1 en 2 - om de studenten te informeren over de mogelijke gevolgen van de inwerkingtreding van betrokken stelsel op hun toekomstige carrière. De aankondiging thans van een versoepeling van het nieuwe regime zou het tegenovergestelde effect moeten hebben, nl. dat van een aanmoediging, met tot gevolg een significante toename van het VII-34.470-10/16 studentenaantal. Bij gebrek aan concreet nadeel hebben verzoekende partijen sub 1 en 2 geen belang bij hun vordering. In hoofde van verzoekende partijen sub 3 tot/met 6 geldt mutatis mutandis hetgeen voorafgaat. Bovendien, in tegenstelling tot hetgeen in de vordering wordt beweerd, zijn verzoekende partijen sub 3 tot/met 6 nog niet titularis van een diploma tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeters-expert en van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten, gaat niet op. Bij gebrek aan een concreet, rechtstreeks, actueel en zeker nadeel, hebben verzoekende partijen sub 3 tot/met 6 geen belang. Bij gebrek aan belang dient de vordering als onontvankelijk te worden beschouwd. III. BETREFFENDE HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL (...) De argumentatie ontwikkeld in de discussie van het belang van verzoekende partijen geldt mutatis mutandis inzake het gebrek aan MTHEN. Bij gebrek aan rechtstreeks, actueel en zeker nadeel kan er ook geen MTHEN zijn. Wat het rechtstreeks nadeel betreft, kan er nog op gewezen worden dat er volgens vaste rechtspraak van uw Raad aan de voorwaarden inzake MTHEN niet is voldaan wanneer vaststaat dat het aangevoerde nadeel niet uit de aangevochten rechtshandeling voortvloeit (R.v.St., nr. 38.360, 19 december 1991, Fauconnier t/ Gemeente Zele en Vlaams Gewest). Terzake blijkt dat het gewraakte stelsel rechtstreeks uit de wet voortvloeit en dat het bestreden besluit slechts een uitvoering is van de wettelijke bepalingen. Het aangevoerde nadeel is dan ook te vinden in de beslissing van de Wetgever om een stelsel te organiseren van contingentering van kinesitherapeuten die verrichtingen kunnen verstrekken met tegemoetkoming van het RIZIV. (...) 12. Bovendien kan het standpunt van verzoekende partij niet worden bijgetreden omdat ze onjuiste gevolgen trekken uit de uitvoering van het bestreden besluit. In de eerste plaats worden kinesitherapeuten de mogelijkheid niet ontzegd hun beroep uit te oefenen. Ze worden niet belet hun diploma nuttig te kunnen gebruiken met het oog op de uitoefening van professionele activiteiten. Eens te meer dient te worden beklemtoond dat het bestreden besluit geen beperking oplegt inzake het dragen van beroepstitel VII-34.470-11/16 RIZIV. Erkende kinesitherapeuten worden de mogelijkheid niet ontzegd hun beroep uit te oefenen, noch verrichtingen te verstrekken die tot de kinesitherapie behoren. Kinesitherapeuten die onder het bestreden besluit vallen en die niet aan het vergelijkend examen hebben deelgenomen of die het examen hebben afgelegd doch niet batig werden gerangschikt, mogen verrichtingen verstrekken die tot de nomenclatuur behoren, ook al zijn deze verrichtingen niet vatbaar voor een tegemoetkoming van het RIZIV. De tegemoetkoming van het RIZIV is immers niet automatisch, doch zal plaatsvinden bij aanvraag van de patiënt. De mogelijkheid tot tussenkomst hangt dan ook af van de wil van de patiënt. Er wordt ook beklemtoond dat alle verrichtingen die niet geviseerd worden door de nomenclatuur sowieso buiten discussie zijn, nu ze niet vatbaar zijn voor de tegemoetkoming door het RIZIV. Deze verrichtingen zullen worden verricht door kinesitherapeuten, ongeacht het resultaat van het vergelijkend examen. Bovendien staat vast dat de verrichtingen die in de nomenclatuur Verzoekende partijen verliezen nog uit het oog dat het diploma van kinesitherapie nuttig kan worden aangevoerd (...) bij aanwerving als loontrekkende in bijvoorbeeld ziekenhuizen of rusthuizen. Kinesitherapeutische verrichtingen zullen op die manier kunnen worden verricht, met tussenkomst van het RIZIV, ongeacht het al dan niet succesvol afleggen van het vergelijkend examen. Het diploma van kinesitherapeut zal ook in het onderwijs, in de medische delegatie of in sportclubs kunnen aangewend worden, zoals dit o.m. in de voorbereidende werken van de wet van 24 november 2004 werd benadrukt. Naast het feit dat het bestreden besluit de uitoefening van de kinesitherapie niet verhindert maar slechts bepaalde modaliteiten ervan regelt, dient te worden vastgesteld dat de beroepsmogelijkheden als kinesitherapeut veel meer omvatten dan hetgeen verzoekende partijen proberen te doen geloven. 13. De argumenten aangevoerd door verzoekende partijen sub 1 en 2 zijn niet relevant inzake het bewijs van een MTHEN. Het aangevoerde nadeel is zeer vaag en louter hypothetisch. De zgn. wordt zelfs niet neergelegd. Welnu, luidens een vaste rechtspraak van uw Raad dient het bewijs van het MTHEN aan de hand van voldoende concrete stukken te worden gestaafd. Deze stukken moeten anderzijds reeds als bijlagen aan het verzoekschrift worden gehecht zodat de verwerende partij er tijdig kennis van kan nemen. Uit de hiervoor geciteerde arresten besluit de Heer Auditeur E. LANCKSWEERDT De gevolgen die aan de uitvoering van het bestreden besluit (sic) zijn ook volstrekt hypothetisch. Er wordt niet concreet aangetoond waarom het bestreden besluit uiteindelijk de wetenschappelijke ontwikkeling en expertise binnen de kinesitherapie in Vlaanderen onherroepelijk zal stagneren. Verzoekende partijen stellen zelfs dat er vorig jaar weliswaar opnieuw vooruitgang met de inschrijvingen kon worden geboekt, ondanks de maatregelen die door de Vlaamse minister van onderwijs een jaar daarvoor werden getroffen. Verwerende partij - VII-34.470-12/16 en uw Raad - kunnen zich in die omstandigheden onmogelijk een idee vormen over de negatieve impact die het bestreden besluit zou kunnen hebben. Het aangevoerde MTHEN is louter hypothetisch en kan bijgevolg niet ernstig zijn. 14. In geen geval kan door verzoekende partijen sub 1 en 2 gesteld worden dat ze het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en/of een vorm van contingentering van de kinesitherapie niet konden anticiperen. Van een beweerde Het principe van de contingentering van het aantal erkende kinesitherapeuten werd, meer dan zes jaar geleden, vastgelegd in het KB nr. 78. Deze regeling werd verder uitgewerkt in het KB van 3 mei 1999. Bij uitvaardiging van deze maatregelen moesten de gemeenschappen en de instellingen die een opleiding kinesitherapie verschaffen er immers voor zorgen dat het publiek en de studenten over voldoende informatie zouden beschikken omtrent de nieuwe maatregelen. Immers, bij contingentering van andere beroepen of specialiteiten, zoals de regeling die van toepassing is, in het kader van de gezondheidszorgberoepen o.m. op de titularissen van bijzondere beroepstitels, hebben de Gemeenschappen maatregelen genomen teneinde bijvoorbeeld een numerus clausus vast te leggen, in de loop of bij begin van de studies. Dit is niet gebeurd voor wat betreft de opleiding inzake kinesitherapie en revalidatie. Toch weet men sinds minstens vijf jaar dat een stelsel van contingentering vanaf 2005 in België zal worden toegepast. Indien verzoekende partijen sub 1 en 2 thans geconfronteerd worden met een forse daling van de inschrijvingen ten gevolge van de uitvoering van het bestreden besluit, zoals dit wordt beweerd, zou dit te wijten zijn aan het gebrek aan maatregelen inzake de organisatie van de betrokken universiteiten of, minstens, aan het gebrek aan informatie naar de studenten en kandidaten studenten toe vanwege de bevoegde overheden en de bevoegde instellingen - waaronder verzoekende partijen sub 1 en 2 - die betrokken opleiding verschaffen. Het nadeel zou aldus geen rechtstreeks gevolg van het bestreden besluit zijn maar eerder het gevolg van de houding van verzoekende partijen sub 1 en 2. 15. Het aangevoerde moreel nadeel - de aantasting van het aura van de opleiding, van de faculteiten en van de universiteiten - gaat niet op. Zelfs indien zou aangenomen worden dat verzoekende partijen gewag van een moreel nadeel zouden kunnen maken, quod non, dient te worden opgemerkt dat dit nadeel normaliter door de eventuele latere vernietiging van de handeling zou verdwijnen, zodat, zoals door M. LEROY terecht wordt beklemtoond, (Vrije vertaling : Het moreel nadeel kan bijgevolg manifest niet worden ingeroepen terzake. 16. Ook de stelling dat de verzoekende partijen sub 3 tot/met 6 zogezegd verrast werden, dat het KB van 3 mei 1999 niet Het koninklijk besluit van 3 mei 1999 is een volwaardig besluit dat het principe van de contingentering van de erkende kinesitherapeuten heeft opgelegd, in uitvoering van de thans geldende wetsregeling. Het is niet geloofwaardig om te stellen, gelet op het toen geldende wettelijke en reglementaire stelsel, dat de universiteiten en/of de studenten in kinesitherapie zich van niets bewust waren VII-34.470-13/16 en dat de contingentering met het oog op o.m. besparingen voor de sociale zekerheid een loze belofte was. Bij uitvaardiging van deze maatregelen moesten de gemeenschappen en de instellingen die een opleiding kinesitherapie verschaffen er immers voor zorgen dat het publiek en de studenten over voldoende informatie zouden beschikken omtrent de nieuwe maatregelen. De stelling dat het tijdstip van uitvoering onbekend zou zijn, is onjuist nu het besluit van 3 mei 1999, zoals gewijzigd door het besluit van 23 november 2000 op ondubbieuze wijze bepaalt dat de contingentering in 2005, 2006 en 2007 zal plaatsvinden. Evenmin kan worden gesteld, met verwijzing naar het arrest nr. 98.735 d.d. 7 september 2001 van uw Raad dat 98.735 d.d. 7 september 2001 beslist heeft dat ‘l’effet d’annonce n’est pas un procédé juridiquement admissible', moet duidelijk zijn dat het in casu ging om de rechtvaardiging van het opleggen, bij de vastlegging van benoemingsvoorwaarden bij een oproeping tot kandidaturen voor managementfunctie in het federale openbare ambt, van voorwaarden inzake taalkennis die strijdig waren met de gecoördineerde bestuurstaalwetten, in het vooruitzicht van een hypothetische en toekomstige wijziging van betrokken wetten. Het hoeft geen betoog dat dit citaat volstrekt irrelevant is in het kader van huidige problematiek"; 3.2.1. Overwegende dat uit de hierboven weergegeven juridische context van de zaak blijkt dat de regelgeving reeds sedert 1996 een beperking van het aantal erkende kinesitherapeuten mogelijk maakt en in 1999 en 2000 quota werden vastgesteld voor de toegang tot die beroepstitel; dat, ook al werd aan die regelingen aanvankelijk geen verdere concrete uitwerking gegeven, de studenten die de betrokken studies aanvatten, zeker vanaf 1999 moesten verwachten dat concrete maatregelen zouden worden uitgewerkt om de toegang tot het beroep te beperken; Overwegende dat met de wijziging bij de wet van 24 november 2004 de wettelijke regeling in die zin werd versoepeld dat geen beperking van de toegang tot het beroep meer geldt, maar wel een beperking van het aantal beroepsuitoefenaars die verstrekkingen mogen verrichten die terugbetaalbaar zijn in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering; dat het bestreden besluit, genomen ter uitvoering van die wettelijke bepaling, het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 opheft -zodat geen quota meer gelden voor de toegang tot het beroep- de contingentering van het aantal verstrekkers van terugbetaalbare verrichtingen vaststelt, en de selectie van de gegadigden regelt; dat, ook al moeten de kinesitherapeuten die dergelijke verrichtingen wensen te verstrekken op grond van die regeling een vergelijkend examen afleggen, die regeling globaal gunstiger is dan de opgeheven regeling wat het principe van de toegang tot het beroep betreft, daar ze geen beperking meer inhoudt van het aantal beoefenaars van de kinesitherapie; VII-34.470-14/16 Overwegende dat het principe van de contingentering van de kinesitherapeuten die terugbetaalbare prestaties willen leveren voortvloeit uit de wettelijke regeling, en niet uit de bestreden akte; Overwegende dat het beweerde nadeel van studenten die nog meerdere studiejaren moeten voltooien alvorens het diploma te verwerven, zoals de derde, vierde en vijfde verzoekende partijen, bovendien al te hypothetisch is; 3.2.2. Overwegende dat de eerste twee verzoekende partijen geenszins concreet aannemelijk maken dat de bestreden regeling onmiddellijk tot gevolg heeft dat zij zoveel studenten zullen verliezen dat de betrokken opleiding op korte termijn in haar voortbestaan wordt bedreigd; dat de stukken die zij hebben neergelegd daarentegen een uiterst gering verlies aan inschrijvingen voor het academiejaar 2005- 2006 aantonen; 3.2.3. Overwegende dat uit het voorgaande moet worden besloten dat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17 van de Raad van State-wet dreigen te lijden, noch dat de aangevoerde nadelen rechtstreeks voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden koninklijk besluit; dat de vordering om die reden dient te worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-34.470-15/16 Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-34.470-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.947 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.