← België

Arrest 153949 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.949 Rolnummer: A. 83279/VII-18120 Zaak: Arrest 153949 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-31 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:31 Fiche Arrest nr 153.949 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.949 van 19 januari 2006 in de zaak A. 83.279/VII-18.

  1. In zake :
  2. Nicky STADSBADER,
  3. de c.v.b.a. VOORUIT NR. 1, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (R.I.Z.I.V). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nicky STADSBADER en de c.v.b.a. VOORUIT NR. 1 op 1 april 1999 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 januari 1999 van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, waarbij aan de verzekeringsinstellingen verbod wordt opgelegd tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen die door de eerste verzoekster over een periode van drie weken worden verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 28 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-18.120-1/14 Gelet op de beschikking van 19 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van Attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Feiten Nicky STADSBADER, apotheker, werkt van oktober 1993 tot december 1994 in de apotheek VOORUIT op de Vrijdagmarkt te Gent. Door de Dienst voor geneeskundige controle van het R.I.Z.I.V wordt een onderzoek ingesteld naar de aanrekening van wachtdiensthonoraria in deze apotheek. Na kennisname van het resultaat van dit onderzoek, beslist het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle in zijn zitting van 13 december 1996 apotheker Nicky STADSBADER naar de Beperkte kamer te verwijzen. Op basis van het samengesteld dossier worden haar in de periode van oktober 1993 tot december 1994 de volgende inbreuken op de Z.I.V.-reglementering ten laste gelegd : "1) Ten onrechte aanrekenen van het supplementair honorarium aan de ziekteverzekering omdat niet werd voldaan aan de eis dat dit supplementair honorarium slechts mag worden aangerekend bij het voorleggen en uitvoeren van het voorschrift buiten de normale openingsuren van de apotheek. 2) Het hoogdringendheidshonorarium werd ten onrechte aangerekend wegens het niet voldoen aan de voorwaarde van dringendheid : Het bijkomend honorarium kon niet worden aangerekend omdat uit de datum van het voorschrift en datum en uur van uitvoering blijkt dat het voorschrift niet dringend werd voorgelegd en uitgevoerd". VII-18.120-2/14 Met een beslissing van 21 mei 1997 legt de Beperkte kamer de verzekeringsinstellingen het verbod op tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen welke door de eerste verzoekster zullen worden verleend over een periode van zeven weken. Deze beslissing rust op volgende motivering : "De Beperkte Kamer na inzage van het dossier beslist de feiten welke apotheker STADSBADER worden ten laste gelegd als bewezen te beschouwen. De bewezen feiten worden aangehouden door de Beperkte Kamer. De aangehouden feiten maken een inbreuk (uit) op het ten tijde van de feiten van toepassing zijnde artikel 18 van het Koninklijk besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoet komt in de kosten van de farmaceutische specialiteiten en daarmee gelijkgestelde produkten, artikel 12 § 3 van het Koninklijk besluit van 4 juli 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoet komt in de kosten van de magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde produkten, en de in uitvoering van beide artikelen vastgelegde vijfde wijzigingsclausule dd. 13 september 1993 bij de nationale overeenkomst tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen gesloten op 22 december
  5. Dienvolgens kan er aanleiding bestaan tot een sanctiemaatregel. De Beperkte Kamer overwegende : - dat klaarblijkelijk een systeem werd opgezet om ten onrechte prestaties in rekening te brengen lastens de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en derhalve een maximum aan voordelen te bekomen ten laste van deze verzekering, - het niet geringe bedrag van de ten onrechte in rekening gebrachte prestaties, - dat niet tot terugbetaling is overgegaan van de ten onrechte aangerekende prestaties, acht een voorbeeldige sanctiemaatregel aangewezen". De eerste verzoekster tekent op 24 juni 1997 tegen deze beslissing hoger beroep aan. Met een aangetekende brief van 16 december 1997 wordt zij uitgenodigd om op 13 januari 1998 voor de Commissie van beroep te verschijnen. Op deze zitting wordt zij, bijgestaan door haar raadslieden, gehoord. Door de raadslieden worden besluiten ingediend. Op 29 januari 1999 neemt de Commissie van beroep de thans bestreden beslissing, waarbij zij het hoger beroep van de eerste verzoekster gedeeltelijk gegrond verklaart, de beslissing a quo van de Beperkte kamer bevestigt wat de aangehouden tenlastelegging betreft, maar vernietigt in zoverre een verbod van verzekeringstegemoetkomingen over een periode van zeven weken wordt uitgesproken en waarbij zij, opnieuw wijzend, de verzekeringsinstellingen verbiedt tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door de eerste verzoekster over een periode van drie weken zullen worden verleend. VII-18.120-3/14 De beslissing van de Commissie van beroep is als volgt gemoti- veerd : "Overwegende dat : - appellant bij de ontwikkeling van zijn middelen tot hoger beroep, in hoofdorde verwijst naar de historische omstandigheden die geleid hebben tot het organiseren van een continue dag- en nacht-service met één centrale wachtdienst zoals bedoeld in artikel 9 § 1 van het Koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 in de vestiging - appellant daarbij verwijst naar de rechtsstrijd die gevoerd werd tussen de apothekers-provisoren van de C.V. VOORUIT NR. 1 en de verenigingen van zelfstandige apothekers (KOVAG en de V.Z.W. Wachtdienst Apothekers Stad Gent) waarvan de genoemde apothekers-provisoren geen deel uitmaakten daar deze verenigingen van apothekers zich enkel richtten tot de zelfstandige apotheken van de Gentse regio; - appellant verder verwijst naar de wachtdienstregeling die per 1 januari 1997 georganiseerd werd ingevolge een overeenkomst afgesloten tussen alle partijen, volgend op het arrest van het Hof van Cassatie van 25 januari 1996 en daarmede een einde werd gemaakt aan alle betwistingen. Overwegende dat de Commissie van beroep bij de situering van het geschil binnen de context waarin het zich heeft ontwikkeld, ten dele rekening houdt met de argumenten van appellant; Overwegende dat de organisatie van een wachtdienstregeling in de Gentse regio tot 1 januari 1997 niet heeft kunnen rekenen op de medewerking van alle partijen, zowel de zelfstandige apothekers als de apothekers-provisoren van de C.V. Vooruit; Overwegende dat de Commissie van Beroep vaststelt dat in de hieraan voorafgaande periode de grens tussen wachtdienst, week-enddienst en wachtdienst onduidelijk was, temeer daar de wachtdiensten door de betrokken partijen zelf dienden georganiseerd te worden; Overwegende dat de Commissie van beroep ten deze evenwel oordeelt dat uit het geheel van de weerhouden inbreuken niet blijkt dat een systeem werd opgezet om ten onrechte prestaties in rekening te brengen lastens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging; Overwegende dat uit de weerhouden vaststellingen ook niet blijkt dat zij van aard zijn dat het evenwicht, waarop het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gesteund is, in grote mate verstoord werd; Overwegende dat de Commissie van beroep daarbij oordeelt dat in casu rekening dient gehouden te worden met de status van apotheker Nicky STADSBADER in de hiërarchie van het apothekerskader van de C.V. VOORUIT; dat zij halftijds tewerkgesteld was als apotheker onder bediendencontract met wisselende prestaties in de week en tijdens het week-end, meestal ter vervanging van andere apothekers; dat alhoewel zij als apotheker verantwoordelijkheid draagt als verstrekker van de voorgeschreven geneesmid- delen, zij niet verantwoordelijk kan geacht worden voor de verwerking van de gegevens die gebeurt volgens een van uit de leiding opgelegd stramien"; VII-18.120-4/14
  6. Ontvankelijkheid Overwegende dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de tweede verzoekende partij geen partij was voor de Commissie van beroep; Overwegende dat de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverze- kering, een rechtsprekend orgaan is; dat wanneer de Raad van State kennis neemt van een beroep tot vernietiging van een beslissing van de Commissie van beroep, hij als administratieve cassatierechter zetelt; dat alleen zij die partij waren voor het administratief rechtscollege de beslissing ervan voor de Raad van State kunnen aanvechten; Overwegende dat het door de tweede verzoekende partij ingestelde beroep dienvolgens niet ontvankelijk is;
  7. Gegrondheid van het beroep van de eerste verzoekster 3.
  8. Eerste middel 3.1.
  9. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 3.1.1.
  10. De eerste verzoekster voert als eerste middel aan : "Eerste middel geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, samengelezen met een(s)deels artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en anderdeels artikel 14.1 van het Internationaal Pact met betrekking tot de burgerlijke en politieke rechten; uit de schending van een algemeen rechtsbeginsel, inzonderheid het recht van verdediging en het rechtzekerheidsbe- ginsel. Doordat een(s)deels de bevoegdheid desbetreffend wordt opgedragen aan de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle en - in beroep aan - de Commissie van beroep waar evenwel terzake de arbeidsrecht- bank als enige rechtens de volstrekte bevoegdheid heeft en anderdeels deze Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle en de Commissie van beroep niet dezelfde waarborgen bieden als de gewone rechtbanken, inzonderheid de arbeidsrechtbank". VII-18.120-5/14 Zij licht, samengevat, toe : - wat het eerste onderdeel betreft : - dat een verbod aan de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen als oorspronkelijk uitgesproken door de Beperkte kamer en later door de Commissie van beroep een administratieve sanctie betreft en dat de vaststelling dat administratieve sancties worden opgelegd overeenkomstig artikel 583 van het Gerechtelijk Wetboek dient te leiden tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, - dat de artikelen 580-581 en 583 van het Gerechtelijk Wetboek de arbeids- rechtbank uitdrukkelijk bevoegd maken om kennis te nemen van geschillen betreffende rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, - dat artikel 167 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 de arbeidsrecht- bank de volstrekte bevoegdheid geeft voor betwistingen in verband met de rechten voortvloeiend uit de "ziekte- en invaliditeitswet"; - wat het tweede onderdeel betreft : - dat er een discriminatie bestaat in die zin dat zij in een geschil met betrekking tot een burgerlijk recht, in tegenstelling tot de partijen in andere geschillen betreffende burgerlijke rechten, onderworpen werd aan een ander rechtscollege dan de hoven en rechtbanken waarin artikel 40 van de Grondwet voorziet, - dat indien het geschil voor de arbeidsrechtbank ware behandeld geweest, zij had kunnen rekenen op een behandeling van haar zaak door drie rechters en op de tussenkomst van een ondeelbaar en onafhankelijk arbeidsauditoraat, - dat deze waarborgen zonder enige objectieve en redelijke verantwoording bij de Beperkte kamer en de Commissie van beroep ontbreken, - dat de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld : "Schendt artikel 141 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging(...) en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 samengelezen met artikel 156 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging(...) en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet op zichzelf gezien, samengelezen met een(s)deels art. 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en anderdeels artikel 14.1 van het Internationaal Pact met betrekking tot de burgerlijke en politieke rechten, in de mate dat deze artikelen zouden inhouden dat een betwisting omtrent een verbod tot tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verstrekkingen door de in artikelen 142 en 156 van de gecoördineerde Wet 14 juli 1994 bij het RIZIV bedoelde Beperkte Kamer en Commissie van beroep worden behandeld, terwijl iedere betwisting tussen de verzekerde (of in VII-18.120-6/14 voorkomend geval zorgverlener) en het RIZIV zelf aan de gewone rechtbanken worden onderworpen, bedoeld in artikelen 580, 581 en 583 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 167 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ?". 3.1.1.
  11. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord, samengevat : - dat de betreffende sancties enkel kunnen worden opgelegd aan zorgverleners en dus niet aan de rechthebbende en de gerechtigden op de vastgestelde prestaties en geneeskundige verstrekkingen, - dat er geen algemene bevoegdheid voor de arbeidsrechtbank inzake sociale geschillen bestaat, - dat het niet gaat om een socialezekerheidsgeschil of om een geschil over burgerlijke rechten en verplichtingen, - dat artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.) en artikel 14.1 van het Internationaal Pact met betrekking tot de burgerlijke en politieke rechten (B.U.P.O.) niet van toepassing zijn op het louter administratief sanctioneren van een apotheker die de wets- en verordeningsbepalingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet naleeft, - dat de onafhankelijke samenstelling van de Commissie van beroep borg staat voor een onpartijdige en objectieve beslissing door drie leden-magistraten van de rechterlijke orde, nadat deze werden geadviseerd door dokters-vertegen- woordigers van de verzekeringsinstellingen en apothekers van de representatieve organisaties van het apothekerskorps, - dat de regeling zoals voorzien in artikel 141, samengelezen met artikel 156 van de gecoördineerde wet, geen discriminatie voor de eerste verzoekster uitmaakt en evenmin het gelijkheidsbeginsel schendt, - dat er geen reden is om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen. 3.1.1.
  12. In de memorie van wederantwoord voegt de eerste verzoekster niets wezenlijks toe aan wat reeds werd gezegd. 3.1.1.
  13. In haar laatste memorie betoogt de eerste verzoekster nog : "Betreffende het eerste ernstige middel, uitgebreid met het algemeen rechtsbe- ginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid. (...) Artikel 6.1 E.V.R.M., dat niet afzijdig blijft van de stadia die de procedure ten gronde voorafgaan, erkent voor iedereen het recht op het feit dat zijn zaak tijdens het onderzoek van een betwisting over zijn burgerlijke rechten en plichten VII-18.120-7/14 op een eerlijke manier wordt gehoord en onderzocht, hetgeen met zich brengt dat partijen in een burgerlijk geding gelijke kansen moeten hebben om de door de andere partijen aangebrachte bewijzen te weerleggen. Onder meer wordt in zake vooreerst het volledig onderzoek verricht door ambtenaren in dienst van de verwerende partij en bovendien dan nog ter terechtzitting en voorafgaandelijk de debatten ten gronde ook een verslag uitgebracht door een inspecteur of controleur, ambtenaar of agent bij de Dienst voor geneeskundige controle, alle werknemers van de verwerende partij. De verweven institutionele structuur van de verwerende partij met de beoordelende kamer en commissie enerzijds en de aard en teneur van het gevoerde onderzoek alsmede van het genoemd verslag anderzijds zijn bij de totstandkoming van de beslissing niks meer of minder dan een Gelet (op) de nauwe banden van de hogergenoemde betrokken ambtenaren, die instonden voor het onderzoek en het verslag, met de verwerende partij, die tenslotte hun broodheer is, kan desbetreffend toch door verzoekers gerechtvaar- digd worden gevreesd dat die ambtenaren de kaart zullen trekken voor de verwerende partij. Bijgevolg, in die gesteldheid, (zijn) het onderzoek en de terechtzitting niet (...) ontdaan van een schijn van partijdigheid en een misken- ning van de rechten van verdediging. Het hoog beginsel van de

(4)De verzoekende partijen menen dan ook dat nu het voorliggend geschil werd onderzocht door ambtenaren in dienst van de verwerende partij alsook nadien werd behandeld door de Beperkte kamer en de Commissie van beroep en niet werd behandeld door de enkel terzake bevoegde arbeidsrechtbanken minstens al de van openbare orde zijnde algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtspraak (rechten van verdediging, onafhankelijkheid en onpartijdigheid) niet werden toegepast. Tenandere faalt de Beperkte kamer en de Commissie van beroep - dit in weerwil met de te voeren procedures voor de arbeidsrechtbanken - de nodige wettelijke waarborgen te verlenen met het oog op een behoorlijke rechtspraak. Onder meer wordt in zake vooreerst het volledig onderzoek verricht door ambtenaren in dienst van het RIZIV en bovendien dan nog ter terechtzitting en voorafgaandelijk de debatten ten gronde ook een verslag uitgebracht door een inspecteur of controleur, ambtenaar of agent bij de Dienst voor geneeskundige controle, alle werknemers van het RIZIV, die zich daarenboven ook nog eens kunnen mengen in de debatten (art. 145, §2, al. 3 gec. w.). Bovendien dient bemerkt dat art. 146 gec. w. bepaalt dat de Dienst voor geneeskundige verzorging slechts overgaat tot iedere onderzoeking of bevinding - middels de tussenkomst van o.a. geneesheren-inspecteurs -, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van alle eventueel in voorliggende procedure betrokken partijen eigen aan het RIZIV, uitgesloten de aangeklaagde zorgver- strekker die zulk(...) een (legale) mogelijkheid wordt ontzegd. Het komt verzoeker aldus terecht voor dat bij de Beperkte kamer en de Commissie van beroep de 3.1.1.
  1. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe; VII-18.120-8/14 3.1.
  2. Bespreking Overwegende dat de van belang zijnde bepalingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (de gecoördineerde Z.I.V.-wet) als volgt luiden : - Artikel 141 : "§
  3. Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle is er mede belast : (...) 9/ naar de in § 2 bedoelde beperkte kamers de vaststellingen te verwijzen gedaan ten laste van personen of inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen en tegen wie de in artikel 156 bedoelde straffen kunnen worden uitgesproken. (...) §
  4. Het Comité richt in zijn schoot ten minste twee beperkte kamers op; deze zijn alleen belast met de toepassing van de bepalingen van 9/ en 10/ van § 1, eerste lid. (...)"; - Artikel 155, derde lid : "Tegen de tuchtrechtelijke beslissingen van het Comité kan beroep aangete- kend worden bij daartoe ingestelde commissies van beroep; het beroep schorst de uitvoering van de tuchtstraf"; - Artikel 156 : "Onverminderd de eventuele strafrechtelijke en tuchtvervolging en afgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen, bedoeld in titel III, kunnen de in artikel 141, § 2, bedoelde beperkte kamers de verzekeringsinstel- lingen het tegemoet komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verbieden over een tijdvak van vijf dagen tot één jaar, wanneer ze worden verleend door een zorgverlener die de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet naleeft. (...) Tegen de beslissing kan beroep worden ingesteld bij een der in artikel 155, derde lid, bedoelde commissies van beroep. (...)"; Overwegende dat deze duidelijke wetteksten er geen twijfel over laten bestaan dat de Commissie van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundi- ge controle van het R.I.Z.I.V en bedoeld bij artikel 155 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet, door de wetgever bevoegd is gemaakt om van de hogere beroepen tegen de beslissingen van de Beperkte kamer kennis te nemen en erover uitspraak te doen; dat de algemene bevoegdheid van de arbeidsrechtbank op grond van de artikelen 580, VII-18.120-9/14 581 en 583 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 167 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet derhalve ter zake niet toepasselijk is; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. in geval van een betwisting over een burgerlijk recht, het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie waarborgt; dat de Commissie van beroep een rechtsprekend orgaan is waarvan de onafhankelijkheid ten opzichte van het R.I.Z.I.V door de wetgever is gewild; dat de Commissie bestaat uit drie magistraten die stemgerechtigd zijn en uit drie leden die tot dezelfde beroepsgroep behoren als de zorgverlener ten laste van wie de vaststellingen zijn gedaan en drie leden aangeduid door de verzekeringsinstellingen, welke slechts een raadgevende functie hebben; dat de Dienst voor geneeskundige controle ter zitting wordt gehoord in zijn middelen; dat deze echter niet vertegenwoordigd is in de Commissie en geenszins deelneemt aan de beraadslagingen van de Commissie van beroep; dat de Commissie van beroep evenmin enige verantwoording verschuldigd is voor haar beslissingen ten aanzien van het R.I.Z.I.V.; dat aldus de Commissie van beroep voldoet aan de vereisten van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie; dat het feit dat in de desbetreffen- de procedure niet de mening van een instantie, vergelijkbaar met het arbeidsaudito- raat, wordt ingewonnen daaraan geenszins afbreuk doet; dat er bijgevolg, onafgezien de vraag of het voorliggend geding al dan niet burgerlijke rechten betreft, geen schending is van de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsplicht verwoord in artikel 6 van het E.V.R.M. en artikel 14.1 van het B.U.P.O.-verdrag of van "het recht van verdediging" of het rechtszekerheidsbeginsel; Overwegende dat de eerste verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet door artikel 141 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet; dat zij vraagt aan het Arbitragehof de hierboven onder randnummer 3.1.1.
  5. geciteerde prejudiciële vraag te stellen; Overwegende dat het Arbitragehof, met zijn arrest nr. 133/2001, van 30 oktober 2001, voor recht heeft gezegd wat volgt : "De artikelen 141, 146 en 156 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij de geschillen omtrent het verbod tot tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verstrekkingen aan een administratief rechtscollege toewijzen. Zij schenden evenmin die grondwetsbepalingen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre zij het onderzoek naar en de bevindingen omtrent de naleving door VII-18.120-10/14 de zorgverlener van de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen betreffen" ; Overwegende dat artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof als volgt luidt : "Art. 26 §
  6. Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent : 1/ de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeen- schappen en de Gewesten; (...) §
  7. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden : 1/ (...) 2/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. (...)"; Overwegende dat, nu het Arbitragehof met zijn arrest nr. 133/2001, van 30 oktober 2001, reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp als dat van de door de eerste verzoekster voorgestelde vraag, de Raad van State met toepassing van het voormelde artikel 26, § 2, 2/, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet is gehouden die prejudiciële vraag nogmaals aan het Arbitragehof voor te leggen; Overwegende dat uit de voorgaande overwegingen en uit het meergenoemd arrest nr. 133/2001, van 30 oktober 2001, van het Arbitragehof, volgt dat het eerste middel in zijn beide onderdelen ongegrond is; 3.
  8. Tweede middel 3.2.
  9. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 3.2.1.
  10. De eerste verzoekster voert als tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 156 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet en het motiveringsbegin- sel, samengevat, aan dat in de aangevochten beslissing nergens te lezen valt waaruit haar incorrecte houding werkelijk zou hebben bestaan of welke wets- of verorde- VII-18.120-11/14 ningsbepalingen zij niet concreet zou hebben nageleefd; dat de wijziging in de R.I.Z.I.V-reglementering de aard van de specifieke regelgeving terzake de wachtdienst voor de officina niet wijzigt, dat de in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 bedoelde groeperingen autonoom de wacht- dienst inrichten volgens de regelgeving die zij bepalen en dat de samenlezing van de verschillende alinea's van punt 2 van het wachtreglement van 14 december 1988 er geen twijfel over laat bestaan dat een wachtdienst wordt geregeld. 3.2.1.
  11. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord, samengevat : - dat in de betwiste beslissing duidelijk en precies staat vermeld wat de eerste verzoekster ten laste werd gelegd, - dat in de regelgeving van sociale zaken wordt bepaald dat een supplementair honorarium mag gevraagd worden ten laste van de ziekteverzekering als aan bepaalde voorwaarden - o.a. dat het gaat om door de ziekteverzekering vergoedbare geneesmiddelen - wordt voldaan, - dat de voorschriften met vergoedbare geneesmiddelen dienen te worden voorgelegd en uitgevoerd buiten de normale openingsuren van de apotheek, wat niet het geval was. 3.2.1.
  12. In de memorie van wederantwoord voegt de eerste verzoekster niets wezenlijks toe aan wat reeds werd gezegd. 3.2.1.
  13. In haar laatste memorie betoogt de eerste verzoekster nog dat in weerwil van de appreciatie door de verwerende partij ook het Hof van Cassatie het destijds zo heeft begrepen dat de officina's van de verzoekende partijen tijdens de weekdagen van 19 uur tot 22 uur en op zaterdag, zondag en feestdag en dus buiten de normale openingsuren, met wacht waren. 3.2.1.
  14. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe; 3.2.
  15. Bespreking Overwegende dat de bestreden beslissing niet alleen een opsomming van de overtreden verordeningsbepalingen bevat, maar daarnaast duidelijk aangeeft omwille van welke laakbare gedragingen aan de eerste verzoekster een verbod van verzekeringstegemoetkoming wordt opgelegd, met name wegens : VII-18.120-12/14 1/ het ten onrechte aanrekenen van het supplementair honorarium terwijl niet was voldaan aan de eis dat dit supplementair honorarium slechts mag worden aangerekend bij het voorleggen en uitvoeren van het voorschrift buiten de normale openingsuren van de apotheek (eerste tenlastelegging), en 2/ het ten onrechte aanrekenen van het supplementair honorarium aan de ziekteverzekering terwijl niet was voldaan aan de eis van dringendheid. Uit de datum van het voorschrift en datum van uur van uitvoering was gebleken dat het voorschrift niet dringend werd voorgelegd en uitgevoerd (tweede tenlasteleg- ging); Overwegende dat, zo de in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 bedoelde groeperingen in principe autonoom de wachtdiensten instellen, een wachtvergoeding aan het R.I.Z.I.V slechts mag worden aangerekend indien aan al de daartoe gestelde voorwaarden is voldaan; dat luidens de vijfde wijzigingsclausule van 13 september 1993 bij de nationale overeenkomst tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen van 22 december 1967, zoals deze clausule ten tijde van de in het geding zijnde feiten van toepassing was, een bijkomend honorarium alleen mocht worden aangerekend "voor de geneesmiddelen- voorschriften die vergoedbare recipés omvatten die dringend worden uitgevoerd en afgeleverd" en "dat supplementair honorarium (...) aan de ziekteverzekering slechts (mocht) worden aangerekend indien het voorschrift (werd) voorgelegd en uitgevoerd buiten de normale openingsuren van de apotheek, en uitsluitend hetzij tussen 19.00 en 8.00 uur, hetzij op een zondag of op een wettelijke feestdag (...)"; Overwegende dat de eerste verzoekster met haar argumentatie betreffende de organisatie van de wachtdiensten dan ook niet aantoont dat de Commissie van beroep in rechte niet vermocht te oordelen dat de bewuste prestaties niet werden uitgeoefend buiten de normale openingsuren van de betrokken apotheek, dat de bedoelde voorschriften niet dringend waren, en dat aldus door een bijkomend honorarium aan te rekenen voor voorschriften die hetzij niet buiten de normale openingsuren van de apotheek hetzij niet dringend waren voorgelegd en uitgevoerd, de eerste verzoekster de verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzeke- ring voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet heeft nageleefd, zodat te haren opzichte krachtens artikel 156 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet een verbod van verzekeringstegemoetkoming kon worden uitgesproken; Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is, VII-18.120-13/14 BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, J. LUST, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.120-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.