id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.949 Rolnummer: A. 83279/VII-18120 Zaak: Arrest 153949 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-31 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:31 Fiche Arrest nr 153.949 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.949 van 19 januari 2006 in de zaak A. 83.279/VII-18.
(4)De verzoekende partijen menen dan ook dat nu het voorliggend geschil werd onderzocht door ambtenaren in dienst van de verwerende partij alsook nadien werd behandeld door de Beperkte kamer en de Commissie van beroep en niet werd behandeld door de enkel terzake bevoegde arbeidsrechtbanken minstens al de van openbare orde zijnde algemene rechtsbeginselen van behoorlijke rechtspraak (rechten van verdediging, onafhankelijkheid en onpartijdigheid) niet werden toegepast. Tenandere faalt de Beperkte kamer en de Commissie van beroep - dit in weerwil met de te voeren procedures voor de arbeidsrechtbanken - de nodige wettelijke waarborgen te verlenen met het oog op een behoorlijke rechtspraak. Onder meer wordt in zake vooreerst het volledig onderzoek verricht door ambtenaren in dienst van het RIZIV en bovendien dan nog ter terechtzitting en voorafgaandelijk de debatten ten gronde ook een verslag uitgebracht door een inspecteur of controleur, ambtenaar of agent bij de Dienst voor geneeskundige controle, alle werknemers van het RIZIV, die zich daarenboven ook nog eens kunnen mengen in de debatten (art. 145, §2, al. 3 gec. w.). Bovendien dient bemerkt dat art. 146 gec. w. bepaalt dat de Dienst voor geneeskundige verzorging slechts overgaat tot iedere onderzoeking of bevinding - middels de tussenkomst van o.a. geneesheren-inspecteurs -, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van alle eventueel in voorliggende procedure betrokken partijen eigen aan het RIZIV, uitgesloten de aangeklaagde zorgver- strekker die zulk(...) een (legale) mogelijkheid wordt ontzegd. Het komt verzoeker aldus terecht voor dat bij de Beperkte kamer en de Commissie van beroep de 3.1.1.
- De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe; VII-18.120-8/14 3.1.
- Bespreking Overwegende dat de van belang zijnde bepalingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (de gecoördineerde Z.I.V.-wet) als volgt luiden : - Artikel 141 : "§
- Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle is er mede belast : (...) 9/ naar de in § 2 bedoelde beperkte kamers de vaststellingen te verwijzen gedaan ten laste van personen of inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen en tegen wie de in artikel 156 bedoelde straffen kunnen worden uitgesproken. (...) §
- Het Comité richt in zijn schoot ten minste twee beperkte kamers op; deze zijn alleen belast met de toepassing van de bepalingen van 9/ en 10/ van § 1, eerste lid. (...)"; - Artikel 155, derde lid : "Tegen de tuchtrechtelijke beslissingen van het Comité kan beroep aangete- kend worden bij daartoe ingestelde commissies van beroep; het beroep schorst de uitvoering van de tuchtstraf"; - Artikel 156 : "Onverminderd de eventuele strafrechtelijke en tuchtvervolging en afgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen, bedoeld in titel III, kunnen de in artikel 141, § 2, bedoelde beperkte kamers de verzekeringsinstel- lingen het tegemoet komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verbieden over een tijdvak van vijf dagen tot één jaar, wanneer ze worden verleend door een zorgverlener die de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet naleeft. (...) Tegen de beslissing kan beroep worden ingesteld bij een der in artikel 155, derde lid, bedoelde commissies van beroep. (...)"; Overwegende dat deze duidelijke wetteksten er geen twijfel over laten bestaan dat de Commissie van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundi- ge controle van het R.I.Z.I.V en bedoeld bij artikel 155 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet, door de wetgever bevoegd is gemaakt om van de hogere beroepen tegen de beslissingen van de Beperkte kamer kennis te nemen en erover uitspraak te doen; dat de algemene bevoegdheid van de arbeidsrechtbank op grond van de artikelen 580, VII-18.120-9/14 581 en 583 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 167 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet derhalve ter zake niet toepasselijk is; Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. in geval van een betwisting over een burgerlijk recht, het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie waarborgt; dat de Commissie van beroep een rechtsprekend orgaan is waarvan de onafhankelijkheid ten opzichte van het R.I.Z.I.V door de wetgever is gewild; dat de Commissie bestaat uit drie magistraten die stemgerechtigd zijn en uit drie leden die tot dezelfde beroepsgroep behoren als de zorgverlener ten laste van wie de vaststellingen zijn gedaan en drie leden aangeduid door de verzekeringsinstellingen, welke slechts een raadgevende functie hebben; dat de Dienst voor geneeskundige controle ter zitting wordt gehoord in zijn middelen; dat deze echter niet vertegenwoordigd is in de Commissie en geenszins deelneemt aan de beraadslagingen van de Commissie van beroep; dat de Commissie van beroep evenmin enige verantwoording verschuldigd is voor haar beslissingen ten aanzien van het R.I.Z.I.V.; dat aldus de Commissie van beroep voldoet aan de vereisten van een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie; dat het feit dat in de desbetreffen- de procedure niet de mening van een instantie, vergelijkbaar met het arbeidsaudito- raat, wordt ingewonnen daaraan geenszins afbreuk doet; dat er bijgevolg, onafgezien de vraag of het voorliggend geding al dan niet burgerlijke rechten betreft, geen schending is van de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsplicht verwoord in artikel 6 van het E.V.R.M. en artikel 14.1 van het B.U.P.O.-verdrag of van "het recht van verdediging" of het rechtszekerheidsbeginsel; Overwegende dat de eerste verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet door artikel 141 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet; dat zij vraagt aan het Arbitragehof de hierboven onder randnummer 3.1.1.
- geciteerde prejudiciële vraag te stellen; Overwegende dat het Arbitragehof, met zijn arrest nr. 133/2001, van 30 oktober 2001, voor recht heeft gezegd wat volgt : "De artikelen 141, 146 en 156 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij de geschillen omtrent het verbod tot tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verstrekkingen aan een administratief rechtscollege toewijzen. Zij schenden evenmin die grondwetsbepalingen, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre zij het onderzoek naar en de bevindingen omtrent de naleving door VII-18.120-10/14 de zorgverlener van de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen betreffen" ; Overwegende dat artikel 26 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof als volgt luidt : "Art. 26 §
- Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent : 1/ de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeen- schappen en de Gewesten; (...) §
- Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden : 1/ (...) 2/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. (...)"; Overwegende dat, nu het Arbitragehof met zijn arrest nr. 133/2001, van 30 oktober 2001, reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp als dat van de door de eerste verzoekster voorgestelde vraag, de Raad van State met toepassing van het voormelde artikel 26, § 2, 2/, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet is gehouden die prejudiciële vraag nogmaals aan het Arbitragehof voor te leggen; Overwegende dat uit de voorgaande overwegingen en uit het meergenoemd arrest nr. 133/2001, van 30 oktober 2001, van het Arbitragehof, volgt dat het eerste middel in zijn beide onderdelen ongegrond is; 3.
- Tweede middel 3.2.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 3.2.1.
- De eerste verzoekster voert als tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 156 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet en het motiveringsbegin- sel, samengevat, aan dat in de aangevochten beslissing nergens te lezen valt waaruit haar incorrecte houding werkelijk zou hebben bestaan of welke wets- of verorde- VII-18.120-11/14 ningsbepalingen zij niet concreet zou hebben nageleefd; dat de wijziging in de R.I.Z.I.V-reglementering de aard van de specifieke regelgeving terzake de wachtdienst voor de officina niet wijzigt, dat de in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 bedoelde groeperingen autonoom de wacht- dienst inrichten volgens de regelgeving die zij bepalen en dat de samenlezing van de verschillende alinea's van punt 2 van het wachtreglement van 14 december 1988 er geen twijfel over laat bestaan dat een wachtdienst wordt geregeld. 3.2.1.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord, samengevat : - dat in de betwiste beslissing duidelijk en precies staat vermeld wat de eerste verzoekster ten laste werd gelegd, - dat in de regelgeving van sociale zaken wordt bepaald dat een supplementair honorarium mag gevraagd worden ten laste van de ziekteverzekering als aan bepaalde voorwaarden - o.a. dat het gaat om door de ziekteverzekering vergoedbare geneesmiddelen - wordt voldaan, - dat de voorschriften met vergoedbare geneesmiddelen dienen te worden voorgelegd en uitgevoerd buiten de normale openingsuren van de apotheek, wat niet het geval was. 3.2.1.
- In de memorie van wederantwoord voegt de eerste verzoekster niets wezenlijks toe aan wat reeds werd gezegd. 3.2.1.
- In haar laatste memorie betoogt de eerste verzoekster nog dat in weerwil van de appreciatie door de verwerende partij ook het Hof van Cassatie het destijds zo heeft begrepen dat de officina's van de verzoekende partijen tijdens de weekdagen van 19 uur tot 22 uur en op zaterdag, zondag en feestdag en dus buiten de normale openingsuren, met wacht waren. 3.2.1.
- De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe; 3.2.
- Bespreking Overwegende dat de bestreden beslissing niet alleen een opsomming van de overtreden verordeningsbepalingen bevat, maar daarnaast duidelijk aangeeft omwille van welke laakbare gedragingen aan de eerste verzoekster een verbod van verzekeringstegemoetkoming wordt opgelegd, met name wegens : VII-18.120-12/14 1/ het ten onrechte aanrekenen van het supplementair honorarium terwijl niet was voldaan aan de eis dat dit supplementair honorarium slechts mag worden aangerekend bij het voorleggen en uitvoeren van het voorschrift buiten de normale openingsuren van de apotheek (eerste tenlastelegging), en 2/ het ten onrechte aanrekenen van het supplementair honorarium aan de ziekteverzekering terwijl niet was voldaan aan de eis van dringendheid. Uit de datum van het voorschrift en datum van uur van uitvoering was gebleken dat het voorschrift niet dringend werd voorgelegd en uitgevoerd (tweede tenlasteleg- ging); Overwegende dat, zo de in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 bedoelde groeperingen in principe autonoom de wachtdiensten instellen, een wachtvergoeding aan het R.I.Z.I.V slechts mag worden aangerekend indien aan al de daartoe gestelde voorwaarden is voldaan; dat luidens de vijfde wijzigingsclausule van 13 september 1993 bij de nationale overeenkomst tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen van 22 december 1967, zoals deze clausule ten tijde van de in het geding zijnde feiten van toepassing was, een bijkomend honorarium alleen mocht worden aangerekend "voor de geneesmiddelen- voorschriften die vergoedbare recipés omvatten die dringend worden uitgevoerd en afgeleverd" en "dat supplementair honorarium (...) aan de ziekteverzekering slechts (mocht) worden aangerekend indien het voorschrift (werd) voorgelegd en uitgevoerd buiten de normale openingsuren van de apotheek, en uitsluitend hetzij tussen 19.00 en 8.00 uur, hetzij op een zondag of op een wettelijke feestdag (...)"; Overwegende dat de eerste verzoekster met haar argumentatie betreffende de organisatie van de wachtdiensten dan ook niet aantoont dat de Commissie van beroep in rechte niet vermocht te oordelen dat de bewuste prestaties niet werden uitgeoefend buiten de normale openingsuren van de betrokken apotheek, dat de bedoelde voorschriften niet dringend waren, en dat aldus door een bijkomend honorarium aan te rekenen voor voorschriften die hetzij niet buiten de normale openingsuren van de apotheek hetzij niet dringend waren voorgelegd en uitgevoerd, de eerste verzoekster de verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzeke- ring voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet heeft nageleefd, zodat te haren opzichte krachtens artikel 156 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet een verbod van verzekeringstegemoetkoming kon worden uitgesproken; Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is, VII-18.120-13/14 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, J. LUST, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.120-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div