id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.961 Rolnummer: A. 152120/X-11907 Zaak: Arrest 153961 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:32 Fiche Arrest nr 153.961 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.961 van 19 januari 2006 in de zaak A. 152.120/X-11.
- In zake :
- Laurentius VAN EEKERT,
- Margaretha LAVRIJSEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat H. SEGERS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat W. REMY, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Kolonel Dusartplein
- tussenkomende partij : de gemeente TESSENDERLO. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Laurentius VAN EEKERT en Margaretha LAVRIJSEN op 26 mei 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 23 maart 2004 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken "waarbij aan het gemeentebestuur van Tessenderlo machtiging tot onteigening wordt verleend met toepassing van de spoedprocedure van verschillende onroerende goederen gelegen in Tessenderlo rond de Tiendenschuur en Kerkhoeve in het kader van de instandhouding en herstelling van de geklasseerde cultuur-historische gebouwen"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-11.907-1/6 Gelet op de beschikking van 2 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij bovenvermel- de beschikking wordt ingetrokken en de zaak in behandeling wordt genomen op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ch. SUFFELEERS die loco Advocaat H. SEGERS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat W. REMY, die verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat N. OZDEMIR die loco Advocaten P. VANAGT en E. POOLS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeente TESSENDERLO met een verzoekschrift van 23 september 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de verzoekende partijen eigenaar zijn van onder meer de percelen gelegen te Tessenderlo, kadastraal bekend Sectie E, nrs. 1489/e en 1489/f/4, Sectie A, nrs. 545/b, 547/c, 549/e, 552/d, 547/d, 546/c, 531/g, 535/b, 540/b, 541/b, 542/b en 538/b, in het onteigeningsplan van 15 januari 2002 aangeduid als zijnde de loten 1 tot en met 14; dat op voormelde percelen onder meer de gebouwen "Tiendenschuur" en "Kerkhoeve" zijn gelegen, alsmede een eikendreef; dat voormelde gebouwen en eikendreef bij koninklijk besluit van 2 maart 1983 als dorpsgezicht werden beschermd en dat de gebouwen bovendien als monument werden beschermd; dat de gemeentelijke Cultuurraad van Tessenderlo reeds in 1990 heeft gewezen op schade aan de beschermde gebouwen; dat uit een plaatsbezoek van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen is gebleken dat een aantal bomen van de eikendreef verrottingsverschijnselen vertoonden wegens een foutieve X-11.907-2/6 snoeiwijze; dat de gemeente Tessenderlo in de loop van de daaropvolgende jaren de eigenaar herhaaldelijk heeft gewezen op het feit dat hij overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 december 1976 verplicht is om zorg te dragen voor het in stand houden en het onderhoud van beschermde monumenten; dat de verzoekende partijen geen gevolg hebben gegeven aan al deze verzoeken en ingebrekestellingen; dat aangezien de beschermde monumenten hoe langer hoe meer schade opliepen, het gemeentebestuur van Tessenderlo bij besluit van 8 september 1997 besliste om onderhandelingen aan te knopen met het oog op de aankoop van de onroerende goederen; dat de onderhandelingen niet hebben geleid tot de aankoop van de onroerende goederen; dat om een effectieve bescherming en instandhouding van het beschermde geheel te garanderen de gemeente Tessenderlo bij besluit van 25 februari 2002 besliste over te gaan tot de onteigeningsprocedure van de Tiendenschuur, de Kerkhoeve en de onmiddellijke aanpalende gronden en toegangs- wegen waarvan één met eikendreef; dat de verzoekende partijen in de loop van het openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend; dat het bezwaar van de verzoekende partijen werd verworpen bij besluit van 24 juni 2002 van de gemeente- raad van Tessenderlo en dat de onteigeningsplannen bij voormeld besluit definitief werden goedgekeurd; dat aangezien het verplicht advies van de dienst Monumenten en Landschappen lang op zich liet wachten de gemeente Tessenderlo bij een schrijven d.d. 6 december 2002 reeds de machtiging heeft aangevraagd van de bevoegde minister om tot onteigening met spoedprocedure te mogen overgaan; dat het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen op 2 februari 2004 aan de bevoegde minister werd toegestuurd; dat de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken bij het thans bestreden besluit van 23 maart 2004 aan de gemeente Tessenderlo machtiging tot onteigening heeft verleend in toepassing van de spoedprocedure voor de verwerving van verschillende onroerende goederen gelegen in Tessenderlo rond de Tienden- schuur en Kerkhoeve in het kader van de instandhouding en herstelling van de geklasseerde cultuur-historische gebouwen; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11.907-3/6 Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende, wat de tweede door artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, dat verzoekende partijen in het verzoekschrift tot schorsing uiteenzetten dat zij akkerteelt beoefenen op de met onteigening bedreigde percelen, dat de gebouwen van de Tiendenschuur en de Kerkhoeve als opslagplaats en ruimte voor plantvoorraden en machines worden gebruikt in de periode van het voorjaar tot wanneer de velden na de oogsttijd "gereed gemaakt worden" voor de winterperiode, dat een onteigening een einde zou betekenen van hun landbouwactiviteit op het 38 hectaren grote terrein rondom de schuur en de hoeve, dat het niet meer kunnen gebruiken van de gebouwen van de Tiendenschuur en Kerkhoeve inhoudt dat ze hun voorraden en machines niet meer ter plekke kunnen onderbrengen hetgeen een onoverkomelijk probleem inhoudt aangezien de zetel van het bedrijf is gevestigd in Nederland, dat zij aldus genoodzaakt zullen zijn om hun gronden braak te laten liggen met als gevolg dat aan hun landbouwactiviteit ter plekke tot een einde zal komen, dat een onteigening ook inhoudt dat zij vanaf de openbare weg geen toegang meer hebben tot de akkers vermits beide toegangswegen worden onteigend, dat de gewassen die thans reeds zijn aangeplant zullen tenietgaan, dat ook de verdere landbouwuitbating in de toekomst onmogelijk wordt gemaakt door de afsluiting van de toegang tot de akkers; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen ter gelegenheid van het openbaar onderzoek reeds hebben aangevoerd dat de exploitatie van hun landbouwactiviteit onmogelijk wordt door de wijze waarop het onteigeningsplan is opgesteld, dat zij die argumenten uitvoerig heeft X-11.907-4/6 beantwoord in het gemeenteraadsbesluit van 24 juni 2002, dat de toegangswegen tot de landerijen rond de beschermde monumenten ingevolge de onteigening deel worden van het openbaar domein en dat deze wegen daardoor hun privé- karakter zullen verliezen waardoor er geen enkel probleem bestaat voor de bereikbaarheid van de landerijen rond het beschermde dorpsgezicht, dat verzoekende partijen zelf een situatie hebben gecreëerd waardoor de bevoegde overheden zich verplicht zagen om over te gaan tot onteigening met spoedprocedure om verder verval te stoppen, dat de verzoekende partijen zich onmogelijk kunnen beroepen op een moeilijk te herstellen nadeel dat zij door eigen handelen of in gebreke blijven hebben uitgelokt, dat de verzoekende partijen zich tegenspreken wanneer zij stellen dat zij in de winterperiode de gebouwen gebruiken voor het stallen van machines nu zij eerder beweerden hun kostbare machines niet te kunnen achterlaten in de in de winter verlaten gebouwen, dat het ernstig nadeel niet wordt bewezen; Overwegende dat moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit enkel machtiging tot onteigening verleent; dat wat de dreiging van het verlies van hun eigendomsrecht betreft, verzoekers pas uit hun eigendom zullen worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan; dat de vrederechter die onteigening slechts kan uitspreken en de provisionele vergoeding slechts kan bepalen nadat hij het bestreden machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst; dat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, de wettigheidscontrole van de burgerlijke rechter evenwaardig heeft bevonden met de controle die de Raad van State kan doen; dat verzoekers de wettigheidsbezwaren welke zij thans aanvoeren, nog zullen kunnen doen gelden voor de vrederechter, dat deze er uitspraak over zal moeten doen en dat, indien zij gegrond worden bevonden, het risico van het verlies van verzoekers' eigendom alsnog afgewend zal kunnen worden; dat, zelfs aangenomen dat de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor verzoekers, deze alleszins geen moeilijk te herstellen karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat verzoekers' uiteenzetting geen afdoende gegevens bevat waaruit kan blijken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; X-11.907-5/6 Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de gemeente TESSENDERLO in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.907-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.961 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.