← België

Arrest 153963 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.963 Rolnummer: A. 160088/X-12212 Zaak: Arrest 153963 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:32 Fiche Arrest nr 153.963 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.963 van 19 januari 2006 in de zaak A. 160.088/X-12.

  1. In zake : de v.z.w. FONDATION RAPHAËL ET MARIE GILLES DE PELICHY, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VANDORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te 9255 BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. FONDATION RAPHAËL ET MARIE GILLES DE PELICHY op 17 februari 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 9 december 2004 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Ingelmunster en de stad Izegem van openbaar nut wordt verklaard; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.212-1/6 Gelet op de beschikking van 2 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij voormelde beschikking wordt ingetrokken en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. VAN DORPE die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. LAUREYS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. DE SMET die loco Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. AQUAFIN met een verzoekschrift van 31 mei 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat verzoekster eigenaar is van het kasteel "Blauwhuis", met bijhorend park, gelegen te Izegem; dat dit kasteel met bijhorend park volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare-Tielt is gelegen in parkgebied; dat de n.v. AQUAFIN van het Vlaamse Gewest de opdracht heeft gekregen om het stedelijk afvalwater te zuiveren en daarvoor de nodige infrastructuur te beheren en op te richten; dat de n.v. AQUAFIN op 1 juli 1996 de opdracht heeft gekregen om het project 96548 "Ingelmunster: Collector RZWI Meulebeke-Ingelmunster-Izegem uit te voeren"; dat voor dit project twee tracés naast elkaar werden beschreven in de startnota van de n.v. AQUAFIN; dat het eerste tracé de grenzen van het kasteelpark grosso modo volgt, terwijl het tweede tracé hoofdzakelijk door het grasperk van het kasteel loopt; dat het milieueffectenrapport (hierna: MER) de voorkeur heeft gegeven aan het tweede tracé; dat verzoekster van bij de aanvang aan de n.v. AQUAFIN heeft X-12.212-2/6 voorgesteld om het eerste tracé te volgen; dat de n.v. AQUAFIN op 5 december 2003 een aanvraag heeft ingediend om de verklaring van openbaar nut te verkrijgen voor de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op private onbebouwde gronden gelegen op het grondgebied van de gemeente Ingelmunster en de stad Izegem; dat de gemeente Ingelmunster een openbaar onderzoek heeft georganiseerd van 27 augustus tot 27 september 2004; dat geen bezwaren werden ingediend; dat de stad Izegem een openbaar onderzoek heeft georganiseerd van 10 september tot 10 oktober 2004; dat twee bezwaarschriften werden ingediend waaronder een door verzoekster; dat het bezwaarschrift van verzoekster werd beoordeeld en verworpen; dat de Vlaamse Minister voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur bij het thans bestreden besluit van 9 december 2004 de oprichting van een rioolwaterzui- veringsinfrastructuur in de gemeente Ingelmunster en de stad Izegem van openbaar nut heeft verklaard; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-12.212-3/6 Overwegende dat de verzoekende partij wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft in essentie aanvoert dat door het bestreden besluit een blijvende erfdienstbaarheid van openbaar nut wordt gelegd voor de oprichting en het onderhoud van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op haar eigendom over een tracé van 353 m, hetgeen een beperking inhoudt van het eigendomsrecht, dat de aanleg van de collector schade zal toebrengen aan 20 waardevolle eiken, dat dit blijkt uit het verslag van het studiebureel voor wegenis-, riolerings- en omgevingswerken, landmeetkunde en urbanisatie, de b.v.b.a. DUMOULIN, dat het dus geen hypotheti- sche schade betreft, dat minstens twee volgroeide ceders aan de toegangspoort van het park zullen worden gerooid waardoor de symmetrie van het uitzicht zal worden tenietgedaan, dat deze nadelen niet of veel beperkter zouden bestaan volgens het oorspronkelijk tracé, dat de milieueffecten van het gekozen tracé zelfs volgens het MER negatief worden beoordeeld, dat de uitgravings- en bouwwerken onvermijdelijk hinder zullen veroorzaken voor de uitbating van het kasteel waar veel huwelijksfees- ten en recepties worden georganiseerd, dat het uitgesloten is dat er feesten worden gehouden tijdens de werken omdat de parking dan niet beschikbaar zal zijn en het onvermijdelijke slijk op de toegangsweg onaanvaardbaar is voor de gasten, dat de inrichting onvermijdelijk een hypotheek en beperking legt op de toekomstige aanleg; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de uitvoering van collectorenwerken noodzakelijkerwijze dient te worden voorafgegaan door andere vergunningsbeslissingen, zoals de noodzakelijke bouwvergunning, dat de thans bestreden beslissing louter de verklaring van openbaar nut van de bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur tot voorwerp heeft, dat de meeste van de aangevoerde beweerde te lijden nadelen niet eens rechtstreeks voortvloeien uit het bestreden besluit, dat een aantal nadelen hypothetische nadelen van morele aard zijn (verlies van imago als toplocatie voor feesten ten gevolge van afzegging door kandidaat-klanten voor de feestzalen tijdens de werkzaamheden van de collectoren- werken, terugval van cliënteel door werken aan toegang tot het domein), dat de beweerde te lijden schade aan bepaalde bomen in de dreef door de graafwerken louter hypothetisch is aangezien in het MER-rapport speciaal werd toegezien op het minimaliseren van de werkbreedte om juist de bomen en hun wortelgestel te sparen, dat het feit dat twee cederbomen aan de toegangspoort zullen worden gerooid waardoor een asymmetrie ontstaat met de stijl van het kasteel en het park noch moeilijk te herstellen is, noch objectief ernstig te noemen is, dat de vervanging van gerooide cederbomen steeds mogelijk is en de waardering ervan in geld vrij gemakkelijk te bepalen is; X-12.212-4/6 Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in het aangevochten besluit; dat het bestreden ministerieel besluit enkel de verklaring van openbaar nut van de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie tot voorwerp heeft en geenszins de vergunning inhoudt voor de bouw en de exploitatie van de geplande ondergrondse collector; dat verzoekende partij niet concreet uiteenzet welk ernstig nadeel het vestigen van de erfdienstbaarheid van openbaar nut op zich voor haar tot gevolg heeft; dat de stelling dat dit "een beperking inhoudt van het eigendomsrecht" dermate vaag en algemeen is dat het niet als een afdoende omschreven ernstig nadeel kan worden beschouwd; dat de door de verzoekende partij ingeroepen nadelen met betrekking tot het gebruik, het genot en de beschikking over haar eigendom dan ook niet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit maar uit eventueel nog te verlenen stedenbouwkundige en exploitatievergunningen; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. X-12.212-5/6 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.212-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.963 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.783 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.