← België

Arrest 153964 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.964 Rolnummer: A. 163356/X-12347 Zaak: Arrest 153964 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:32 Fiche Arrest nr 153.964 van 19 januari 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.964 van 19 januari 2006 in de zaak A. 163.356/X-12.

  1. In zake : Marleen CARDON, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : de gemeente LANGEMARK-POELKAPELLE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
  2. tussenkomende partij : de n.v. DEJONCKHEERE, die woonplaats kiest bij Advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 8 b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marleen CARDON op16 juni 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van, eensdeels, het besluit van 18 april 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Langemark-Poelkapelle waarbij aan de n.v. DRIES DEJONCKHEERE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "het uitbreiden van bedrijfsgebouwen voor opslag van granen bij (het) bestaande bedrijf in handel van meststoffen, granen en zaden" op een terrein gelegen aan de Bikschotestraat te Langemark-Poelkapelle (Bikschote), kadastraal bekend Sectie A, nrs. 498 v 3 en 498 w 3, en anderdeels, het besluit van 25 april 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Langemark-Poelkapelle, waarbij onder de voorwaarden bepaald in dat besluit aan de n.v. DEJONCKHEERE de milieuvergunning wordt verleend om een inrichting gelegen te Langemark-Poelkapelle (Bikschote), Bikschotestraat 87a, met de erin vermelde rubrieken, "verder te exploiteren zodat deze voortaan omvat: bedrijf van handel in granen en kunstmeststoffen : ruimte voor 17 voertuigen (3 vrachtwagens, X-12.347-1/7 3 heftrucks, 1 tractor, 4 kipwagens, 5 strooiers, 1 transportband), 25.000 liter mazout (1 x 10.000 l, 3 x 5.000 l), 1 verdeelslang voor mazout, opslag 1 ton biociden, opslag 3.655 ton vaste kunstmeststoffen en 50 ton vloeibare kunstmeststoffen, 45,77 kW motoren (besturing loswagen 2 x 0,736 kW, elevatoren 2 x 3,68 kW, mobiele blazers 14,35 kW, uitvoervijs afval 1,47 kW, schudders 1,13 kW, stofafzuiginstallatie 3,68 kW, mobiele transportbanden 16,31 kW), 13.000 m³ granen, 250 ton strooizout (15.1.1., 17.3.6.2., 17.3.9.1., 17.4, 28.1.f.2, 45.13.d.2, 45.14.2, 50)"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. PROOT die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat J. GOETHALS die loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat S. RONSE die loco Advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. DEJONCKHEERE met een verzoekschrift van 7 juli 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij opwerpen dat de vordering tot schorsing in zoverre ze is gericht tegen de milieuvergunning niet ontvankelijk is onder meer aangezien X-12.347-2/7 verzoekster heeft verzuimd het door artikel 23, § 1, van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 georganiseerde administratief beroep bij de bestendige deputatie in te stellen tegen de door het college van burgemeester en schepenen verleende milieuvergunning; Overwegende dat een beroep tot nietigverklaring -en derhalve ook een vordering tot schorsing die er een accessorium van vormt- slechts ontvankelijk is indien de verzoekende partij vooraf de tegen de bestreden beslissing georganiseerde administratieve beroepen heeft uitgeput; Overwegende dat artikel 23, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt : "Tegen elke beslissing over vergunningsaanvragen in eerste aanleg genomen door het college van burgemeester en schepenen, kan beroep worden ingediend bij de bestendige deputatie van de provincieraad, die uitspraak doet binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het beroepsschrift."; dat artikel 24, § 1, 5/, van hetzelfde decreet bepaalt : "Het beroep bedoeld in artikel 23 kan worden ingediend door : (...) 5/ elke natuurlijke of rechtspersoon die ten gevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden (...)."; Overwegende dat de verzoekende partij inroept als onmiddellijke buur hinder te ondervinden van de betrokken inrichting; dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeksters eigendom, waar zij ook woonachtig is, paalt aan de terreinen waarop de betrokken inrichting wordt ingeplant; dat de verzoekende partij derhalve eerst het overeenkomstig voormelde bepalingen georganiseerde administratief beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad dient of alleszins diende uit te putten; dat de door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen exceptie gegrond is; dat de vordering tot schorsing inzoverre gericht tegen de bij besluit van 25 april 2005 door het college van burgemeester en schepenen verleende milieuvergunning niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij opwerpen dat de vordering niet ontvankelijk is; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van X-12.347-3/7 en een uitspraak over die excepties zich slechts zouden opdringen indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voormeld artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij in de vordering tot schorsing uiteenzet dat de inplanting van een loods met dergelijk grote afmetingen op een dermate korte afstand van haar woning zal leiden tot een ernstige aantasting van haar woon- en leefklimaat, dat het vrij uitzicht op het weidse agrarische landschap waarvan zij momenteel geniet, volledig zal worden gehypothekeerd door de bouw van de imposante loods, dat zij voor de rest van haar dagen zal moeten leven naast een enorme "muur" pal naast haar perceel, dat een dergelijke verstoring van het uitzicht op het waardevolle landschap ontegensprekelijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt, dat zij, op het moment dat zij de woning aankocht, geenszins kon of moest verwachten dat een dergelijk gebouw zou worden ingeplant "in haar achtertuin" aangezien op dat ogenblik onverkort de gewestplanbestemming gold, met X-12.347-4/7 name agrarisch gebied, dat zij meende te kunnen wonen in een rustige, landelijke omgeving die, behalve het bedrijf van de tussenkomende partij, wordt beheerst door de functie wonen en landbouw, dat er bovendien geluidshinder en stof- en geurhinder zal zijn die onlosmakelijk verbonden is met de aard van de activiteiten van de tussenkomende partij; dat de verzoekende partij besluit dat niet kan worden miskend dat het nadeel dat zij lijdt ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit helemaal niet of in ieder geval bijzonder moeilijk kan worden hersteld en dat een louter annulatieberoep geen soelaas kan bieden; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen onder meer antwoordt dat de schorsing geen enkel nut meer kan hebben aangezien de werken op het ogenblik van het opstellen van de nota "omzeggens reeds voltooid" waren, dat de verzoekende partij moest weten dat het gaat om een prefabconstructie die in korte tijd kan worden afgewerkt, maar dat zij "een uiterst gebrek aan d(i)ligentie aan de dag (heeft) gelegd door zich niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid" tot de Raad van State te wenden; dat zij voorts wat betreft de "exploitatiehinder" antwoordt dat het volstaat vast te stellen dat het beroep tegen de milieuvergunning volstrekt onontvankelijk is, zodat geen acht mag worden geslagen op de hinder die mogelijks aan de tenuitvoerlegging van die vergunning mocht verbonden zijn; Overwegende dat niet wordt betwist dat de door het eerste bestreden besluit vergunde bouwwerken volledig zijn uitgevoerd in zover deze zichtbaar zijn van op de eigendom van de verzoekende partij; dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van dit besluit het nadeel, geput uit door de vergunde bouwwerken veroorzaakte visuele hinder, aldus niet meer kan voorkomen en derhalve zonder nut is; dat het om deze reden alleen reeds niet meer dienstig kan worden ingeroepen; dat anderzijds de nadelen, geput uit de exploitatie van de betrokken inrichting, met name geluidshinder en stof- en geurhinder, volgens verzoekende partij overigens ook zelf "onlosmakelijk verbonden (met) de aard van de activiteiten van de NV DRIES DEJONCKHEERE", niet meer dienstig kunnen worden ingeroepen gelet op de niet-ontvankelijkheid van de vordering in zoverre deze is gericht tegen de milieuvergunning die toelaat de betrokken inrichting verder te exploiteren en deze exploitatie uit te breiden tot de betrokken loods; dat in de gegeven omstandigheden de uiteenzetting van de verzoekende partij geen afdoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke X-12.347-5/7 tenuitvoerlegging een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat, wat het eerste bestreden besluit betreft, niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering wat dit besluit betreft, af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  3. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DEJONCKHEERE in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  4. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.347-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.347-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.964 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.