← België

Arrest 153965 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.965 Rolnummer: A. 166885/X-12530 Zaak: Arrest 153965 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:32 Fiche Arrest nr 153.965 van 19 januari 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.965 van 19 januari 2006 in de zaak A.166.885/X-12.

  1. In zake :
  2. Ivo LAURENT,
  3. Theodorus TEUNISSEN,
  4. Sebastiaan SMIT, die woonplaats kiezen bij Advocaten E. VAN der MUSSELE en Y. VANDEN BOSCH, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 18A tegen : de gemeente MALLE, die woonplaats kiest bij Advocaat R. DE KONINCK, kantoor houdende te 2610 WILRIJK, Prins Boudewijnlaan 177-
  5. tussenkomende partij : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEDEWI, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HELSEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ivo LAURENT, Theodorus TEUNISSEN en Sebastiaan SMIT op 15 oktober 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 16 augustus 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle, waarbij aan Peter LEENAERTS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het uitbreiden van een loods met 440 m² gelegen te Malle, Vlimmersendijk 60, op een perceel kadastraal bekend Sectie C nr. 83K; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.530-1/5 Gelet op de beschikking van 6 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. VAN der MUSSELE die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat R. DE KONINCK verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. HELSEN die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEDEWI met een verzoekschrift van 3 november 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk X-12.530-2/5 besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekers doen gelden dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning een vermindering van de leefkwaliteit van de tot nu open omgeving meebrengt omdat in het zicht van verzoekers een loods wordt gerealiseerd van 7,70 m hoog, en bijna 2 m hoger dan de nu bestaande constructies, dat hun uitzicht op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied achter hun percelen wordt aangetast, dat de bestaande constructies hieraan geen afbreuk doen nu deze onwettig zijn en hun zicht aldus moet worden geacht geheel ongerept te zijn, dat bijkomend de verstoring van hun woonmilieu toeneemt doordat de aanvrager meer dan nu het geval is verkeer van en naar de loods zal organiseren en tot slot, dat de bestreden vergunning de waarde van hun eigendommen negatief zal beïnvloeden; Overwegende dat de vergunning betrekking heeft op de uitbreiding van een bestaande loods, in te planten links van de bestaande loods, met een nokhoogte van 7,5 m; dat luidens de vergunning de nieuwe loods een "fysisch geheel (vormt) met de bestaande bedrijfsgebouwen, gelet op de inplanting van de loods, tussen de bestaande loods, serre en woning"; dat voorts in de vergunning wordt gesteld dat "deze uitbreiding van de loods noodzakelijk (is) om te voldoen aan de normen betreffende hygiëne en voedselveiligheid en om zodanig een optimale agrarische bedrijfsvoering te garanderen"; dat het verschil in nokhoogte met de reeds bestaande loods waar tegenaan wordt gebouwd, ongeveer 1 m bedraagt; dat rekening houdend met de reeds op het bouwperceel bestaande constructies en met de concrete vergunde inplanting van de uitbreiding die zich, ten opzichte van verzoekers' eigendommen, situeert achter de bestaande loods en serre, met de afstand tussen verzoekers' woningen en het bouwperceel (65 m tot 140 m) en met het beperkte verschil in nokhoogte tussen de thans bestaande constructies waarop de verzoekers X-12.530-3/5 uitkijken en de vergunde uitbreiding, de verzoekers niet aannemelijk maken aan de hand van afdoende concrete en precieze gegevens dat de visuele impact van de vergunde uitbreiding op zich gezien een ernstig visueel nadeel is; dat het argument dat, naar de verzoekers stellen, de thans bestaande constructies onwettig zouden zijn derwijze dat er voor de bepaling van hun uitzicht geen rekening mag mee worden gehouden, niet wordt bijgetreden; dat de Raad immers bij de beoordeling van een ernstig nadeel geen abstractie vermag te maken van de bestaande feitelijke toestand, ongeacht of die wettig vergund is of niet; dat de al dan niet wettigheid van een feitelijke toestand niet dienstig kan worden ingeroepen; dat gelet op de concrete aard van de vergunde bouwwerken, voorts ook de aangevoerde verstoring van het woonmilieu ingevolge toenemend verkeer van en naar de loods niet met concrete elementen wordt aannemelijk gemaakt; dat er ter zake geen aanwijzingen worden gegeven dat een dergelijk nadeel niet louter hypothetisch zou zijn, minstens dat de verzoekers niet aantonen dat dit in hun hoofde een ernstig nadeel is in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat tot slot de ingeroepen negatieve beïnvloeding van de verkoops- en verhuurwaarde van de eigendommen van de verzoekers, een financieel nadeel is waarvan de verzoekers niet aantonen dat dit ernstig én moeilijk te herstellen is; dat de uiteenzetting van de verzoekers niet doet blijken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  7. Het verzoek tot tussenkomst van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEDEWI in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. X-12.530-4/5 Artikel
  8. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.530-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.965 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.