id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.967 Rolnummer: A. 165922/X-12480 Zaak: Arrest 153967 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.967 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.967 van 19 januari 2006 in de zaak 165.922/X-12.
- In zake : Hermine LEUNENS, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de stad HALLE, die woonplaats kiest bij Advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hermine LEUNENS op 12 september 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 10 juni 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Halle, waarbij aan JACOBS-MEES de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een eengezinswoning met afzonderlijke garage te Halle, A. Demaeghtlaan lot 3, op een perceel kadastraal bekend Sectie F, nr. 129V; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 januari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; X-12.480-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GHYSELS die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat F. DE PRETER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-12.480-2/5 Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij inzake de ernst van het nadeel doet gelden wat volgt : "
- Uit het aanvraagdossier en de neergelegde foto's, blijkt dat de eigendommen waarvan kwestie aan elkaar palen. Het is duidelijk dat de inplanting gebeurt onmiddellijk naast de bestaande woning van verzoekster. Doordat de nieuw in te planten woning op lot 3 6m vooruit naar de straat toe zal worden ingeplant, zal verzoekster opkijken tegen een blinde muur van 6m, wat een zeer bizar en onaanvaardbaar effect gaat geven en verzoekster voor altijd zal beroven van licht en zicht.(...) Verzoekster zal zich dagelijks moeten ergeren aan deze constructie die een vermindering van haar woongenot zal inhouden. Door de aanpalende inplanting bij de perceelsgrens van verzoekster van een nieuwe woning zal de licht- en zichtschade enorm zijn. In de tuin zitten, rusten of werken zal geen plezier of ontspanning meer zijn. (...) De schaduwschade die verzoekster zal ondergaan door de aanpalende constructie is evident."; Overwegende dat de verzoekende partij zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat de vergunning betrekking heeft op het bouwen van een eengezinswoning met aparte garage; dat blijkens de goedgekeurde plannen de vergunde woning deels zal worden aangebouwd tegen de wachtgevel van de woning van de verzoekende partij, evenwel over een afstand van 5, 83 m dichter naar de straat toe ter hoogte van de voortuin van verzoekster; dat wat de aangevoerde nadelen betreft die volgen uit de tenuitvoerlegging van deze vergunde werken, de verzoekende partij zich ter zake beperkt tot algemeenheden en veronderstellingen zonder deze met voldoende concreetheid en precisie te betrekken op de concrete eigen zaak; dat ook de overlegde foto’s niet overtuigen van het bestaan en de ernst X-12.480-3/5 van de in algemene termen uiteengezette nadelen; dat derhalve de in de vordering gegeven uiteenzetting ter zake loutere affirmaties zijn die niet op een overtuigende wijze kunnen worden getoetst aan de concrete zaak; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.480-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.480-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.967 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.