← België

Arrest 153969 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.969 Rolnummer: A. 155191/XIV-20500 Zaak: Arrest 153969 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.969 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.969 van 19 januari 2006 in de zaak A. 155.191/XIV-20.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Slowaakse nationaliteit, op 30 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.500-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen (Vreemdelingenwet), van de zorgvuldigheidsplicht en uit de manifeste beoordelingsfout, verzoeker aanvoert dat door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet grondig werd gemotiveerd waarom de door hem ondergane discriminatie in Slowakije niet kan worden beschouwd als element van een vrees voor vervolging, dat het nochtans niet uitgesloten is dat discriminatie, bedreigingen en geweldplegingen door hun herhaling of in samenhang met andere factoren, zoals een algehele sfeer van onveiligheid, onder de toepassing van het Vluchtelingenverdrag vallen, zoals blijkt uit de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties, dat naast de persoonlijke ervaringen van de vluchteling ook de situatie in het land van herkomst belangrijk is, dat ook feiten gepleegd door personen of bevolkingsgroepen in aanmerking kunnen worden genomen indien ze bewust door de autoriteiten worden geduld of indien ze weigeren om een afdoende bescherming te bieden, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen enkel “het ontzeggen van bepaalde kerkelijke activiteiten” doch niet het geheel van de door hem ondergane moeilijkheden omwille van zijn herkomst in zijn land van herkomst aan het Vluchtelingenverdrag heeft getoetst en geenszins rekening heeft gehouden met de algemene toestand van onveiligheid en discriminatie waarvan Roma in Slowakije het slachtoffer zijn; 1.2.
  4. Overwegende dat, in de mate in het middel kritiek wordt geuit op de gebrekkige motivering door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het niet in aanmerking kan worden genomen, want niet gericht tegen de thans bestreden beslissing of de wijze waarop deze tot stand is gekomen; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar enkel als aanbeveling dient; XIV-20.500-2/4 1.2.
  5. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wel degelijk op de algemene toestand van de Roma-bevolking in Slowakije werd ingegaan; dat zij evenwel van oordeel is dat “het loutere feit Roma te zijn onvoldoende is om te besluiten tot de erkenning van de status van vluchteling” en zich daarvoor steunt op een algemeen ambtsbericht van het Nederlands Ministerie van Buitenlandse Zaken, waaruit blijkt dat “sedert 1999 de Slovaakse regering met het oog op de toetreding tot de Europese Unie een beschermingsbeleid uitbouwt ten aanzien van de Roma-minderheid”; dat zodoende genoegzaam wordt aangegeven waarom de hoedanigheid van Roma-zigeuner op zich niet tot een erkenning als vluchteling kan leiden; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kennelijk onredelijk is waar zij de ingeroepen discriminatie omwille van de Roma-afkomst van verzoeker niet aanneemt, mede gelet op de vaststellingen dat verzoeker “niet aantoont dat de beweerde discriminatie zich voordoet”, hij niet weerlegt “dat Roma-zigeuners in Slovakije op hulp en bijstand van de katholieke kerk kunnen rekenen”, “het ontzeggen van bepaalde kerkelijke activiteiten, met name het misdienaar zijn en het geven van godsdienstlessen, niet dermate systematisch en ingrijpend is dat fundamentele mensenrechten worden aangetast waardoor het leven in het land van herkomst ondraaglijk wordt” en “het niet toelaten tot bepaalde functies in de katholieke kerk (...) niet kan worden aangezien als een beletsel om vrij zijn godsdienst te beleven”; dat haar geen onzorgvuldigheid kan worden verweten; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : XIV-20.500-3/4 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.500-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.969 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.