id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.971 Rolnummer: A. 154801/XIV-20416 Zaak: Arrest 153971 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.971 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.971 van 19 januari 2006 in de zaak A. 154.801/XIV-20.
- In zake :
- XXX,
- XXX, wonende te 1082 SINT-AGATHA-BERCHEM Soldatenstraat 127 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Libanese nationaliteit, op 7 augustus 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 9 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen, die persoonlijk verschijnen, van Advocaat J. D. HATEGEKIMANA die, loco Advocaat P. HUGET verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20416-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht zoals bepaald in artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 57/14, 57/15 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, van het recht op tegenspraak, en uit machtsoverschrij- ding, verzoekers aanvoeren dat de voorzitster van de tweede Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar elementaire plicht van onpartijdig, onafhankelijk en neutraal magistraat heeft geschonden, dat haar houding ter zitting deed vermoeden dat zij reeds op voorhand een negatief oordeel over hun asielaanvraag had, dat zij zich tijdens de zitting nerveus en agressief gedroeg, de spot dreef en zelfs dermate luid sprak (lees: schreeuwde) dat ze de zitting in andere kamers verstoorde, dat gedurende enige tijd geen vertaling werd toegelaten van het gesprek tussen de voorzitster en hun raadsman, dat indien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het origineel document, dat door verzoekers op vraag van de gemeente overhandigd was, dermate belangrijk vond, zij van haar recht diende gebruik te maken zoals bepaald in artikel 57/15 van de Vreemdelingenwet volgens hetwelk “zij (...) gerechtigd (is) om alle bescheiden en inlichtingen die voor de uitoefening van haar opdracht nuttig zijn, door elke Belgische overheid te doen overleggen”, dat de verklaring voor het feit dat het origineel document niet kon worden voorgelegd geheel plausibel is en het nerveus, agressief en spottend gedrag van de voorzitster niet verantwoord- de, dat zij een gebrek aan elementaire beleefdheid vertoonde, dat de proceduregids van de Verenigde Naties nochtans voorschrijft dat de asielinstanties de kandidaat-vluchtelingen op hun gemak dienen te stellen, dat de voorzitster tekort schiet in haar ambtsverplichting zich sereen te gedragen en zelfs tekort schiet met betrekking tot de in België geldende minimumeisen van een administratieve jurisdictionele overheid, waardoor er geen grondig onderzoek werd gevoerd van hun vrees voor vervolging; 1.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig wordt aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat artikel 6 van het E.V.R.M. in deze niet XIV-20416-2/4 toepasselijk is aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; 1.2.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de eerste bestreden beslissing de aanvraag van de eerste verzoekende partij wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- zijn verklaringen niet eensluidend en coherent zijn en zijn lidmaatschap van de Baath-partij geheel ongeloofwaardig is; dat de bestreden beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat het motief omtrent de identiteit slechts van bijkomstige aard is, zodat de eventuele onwettigheid ervan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat verzoekers niet betwisten dat de tweede verzoekende partij haar asielaanvraag aan die van de eerste verzoekende partij heeft verbonden, zodat de in haren hoofde genomen beslissing genoegzaam is gemotiveerd door de verwijzing naar de weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van de eerste verzoekende partij; dat geen enkel dossierstuk echter bevestigt wat verzoekers betogen, namelijk dat één van de leden van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, in casu de voorzitster van de tweede Nederlandstalige Kamer, zich ter zitting agressief, nerveus of spottend zou hebben gedragen; dat uit de respectieve verslagen van de zitting van 9 juli 2004 evenmin blijkt dat verzoekers voor de feitenrechter hieromtrent een opmerking of voorbehoud hebben gemaakt in verband met hun ondervraging; dat verzoekers zich in hun middel beperken tot een aantal loutere beweringen die zij niet in het minst met concrete gegevens staven; dat, bij ontstentenis hiervan, de echtheid van de beweringen, die aan de grondslag van het middel liggen, niet is bewezen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-20416-3/4 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20416-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.971 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.