← België

Arrest 153972 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.972 Rolnummer: A. 155035/XIV-20466 Zaak: Arrest 153972 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.972 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing . RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.972 van 19 januari 2006 in de zaak A. 155.035/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 1210 SINT-JOOST-TEN-NODE, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Colombiaanse nationaliteit, op 25 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 15 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. JANSSEN die, loco Advocaat I. FLACHET verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.466-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van “het zorgvuldigheidsbeginsel in de uitvoering van de verdragsrechtelijke verplichting van de Belgische Staat tot het verlenen van asiel aan vluchtelingen, verplichting op zich genomen door de Belgische Staat via de ratificatie van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchteling, en meer bepaald artikel 1, (A), 2 van het Verdrag opgemaakt te Genève (B.S., 4 oktober 1953)”, verzoekster aanvoert dat zij emotioneel en psychologisch zwaar onder de hele situatie te lijden heeft, dat zij last van slapeloosheid en voortdurende hoofdpijn heeft en hiervoor in behandeling is gegaan, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen rekening houdt met het door haar ingediende medisch attest dat een aantal medisch-psychologische vaststellingen bevat, dat het procedurehandboek van de Verenigde Naties nochtans een hoofdstuk heeft gewijd aan de behandeling van een asielaanvraag van personen die lijden aan “des troubles mentaux”, stellende dat in dergelijke gevallen andere onderzoekstechnieken moeten worden gebruikt en het advies van een dokter moet worden gevraagd, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen echter heeft nagelaten een dergelijk advies in te winnen opdat de feitenvinding op een correcte en zorgvuldige wijze kon verlopen, doch daarentegen de feiten heeft geminimaliseerd en niet in de juiste context heeft geplaatst; 1.1.
  4. Overwegende dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar enkel als aanbeveling dient; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts verplicht is mee te delen waarom door haar geen deskundige wordt aangesteld indien één van de partijen haar hierom heeft verzocht; dat verzoekster aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet om de aanstelling van een deskundige vroeg, maar zich in verband met haar medische toestand beperkte tot het voorleggen van een geneeskundig getuigschrift; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert, door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wel degelijk rekening wordt gehouden met het door haar neergelegde medisch getuigschrift; dat, waar wordt aangegeven dat “dit getuigschrift uitsluitend is gebaseerd op de verklaringen van appellante en de conclusies die de geneesheer hieruit meent te kunnen afleiden”, genoegzaam wordt bewezen waarom “een dergelijk getuigschrift geen doorslagge- vende bewijswaarde heeft” en “het gebrek aan geloofwaardigheid van het relaas van appellante niet herstelt”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen XIV-20.466-2/4 onzorgvuldigheid kan worden verweten; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet en van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoekster aanvoert dat, ten eerste, een bijzondere methode diende te worden toegepast omwille van haar medische toestand en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet antwoordt op het feit dat haar medische situatie juist de ernst van haar asielaanvraag aantoont, en dat, ten tweede, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet ingaat op het essentiële element van haar vlucht, te weten de band tussen haar eigen vervolging en de vervolging van haar broer, die als vluchteling werd erkend, dat zij weliswaar niet op dezelfde wijze geëngageerd was als haar broer en derhalve niet alle gevraagde informatie aan de Commissie kan geven, doch door het opnemen van bepaalde van zijn taken op haar beurt bedreigd en vervolgd werd door zijn belagers; 1.2.
  6. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat, wat het tweede onderdeel betreft, verzoekster eraan voorbijgaat dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat zij geen verband tussen de door haar broer ondergane vervolging en haar eigen beweerde vervolging aannemelijk maakt omdat haar verklaringen niet geloofwaardig zijn; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststellingen dat verzoekster “haar rol ter zitting beperkter voorstelt dan voorheen het geval was”, dat haar verklaringen ter zitting omtrent de situatie in “Hacienda La Miel” strijdig zijn met haar vroegere verklaringen, dat zij niet op de hoogte is van de basisproblemen van de boereng- emeenschap van “La Miel”, dat zij geen bewijzen voorlegt van haar activiteiten voor “Hacienda La Miel”, dat “haar broer naar aanleiding van zijn aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling appellante niet vermeld heeft als een persoon die “sociale” activiteiten had, terwijl hij hun zus S wel vermeld heeft in dit verband” en evenmin vermeldde dat verzoekster zijn taak overnam, dat zij niet aannemelijk maakt dat zij zonder enige landbouw- of organisatorische ervaring toezicht op boeren kon uitoefenen, dat haar verklaringen omtrent haar vervolgers niet eensluidend zijn, en dat haar vrees zich beperkt tot vage vermeldingen door derden en dreigtelefoons, doch dat zij nooit persoonlijk gemerkt heeft dat ze werd vervolgd of gezocht door de DAS; dat de bestreden beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat het tweede middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-20.466-3/4 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.466-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.