id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.973 Rolnummer: A. 155145/XIV-20492 Zaak: Arrest 153973 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.973 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.973 van 19 januari 2006 in de zaak A. 155.145/XIV-20.
- In zake : XXX, wonende te 2650 EDEGEM, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 13 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.492-1/3 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), verzoeker aanvoert dat er, wat het motief omtrent zijn broers betreft, naar alle waarschijnlijkheid een spraakprobleem is geweest en het de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen toch niet kan ontgaan zijn dat hij een duidelijk en hoorbaar spraakgebrek heeft en de tolk hem dan ook verkeerd verstaan heeft, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen twijfelt aan de ingeroepen vervolging omdat hij Hindoe is, terwijl hij nooit heeft beweerd zelf gele kledij te hebben moeten dragen, doch enkel heeft gezegd dat deze regels opgelegd werden door de Taliban en deze informatie gaf als bewijs van de vervolging van de Hindoes, dat de namen opgesomd in de bestreden beslissing (ondermeer Bin Laden) niet het antwoord zijn op de vraag wie de bekende Talibanleiders waren, doch wie de bekende figuren in Kabul waren tijdens het Talibanregime; 1.2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; 1.2.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- zijn kennis van de eigenlijke situatie in Afghanistan quasi onbestaande is en uit zijn verklaringen blijkt dat hij Kaboel onder de Mudjaheddin en de Taliban niet heeft beleefd zodat zijn relaas ongeloofwaardig is en zijn verklaringen leugenachtig zijn; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat het door hem geschetste leven van de Hindoe-bevolkingsgroep in Afghanistan geheel vreemd is aan de realiteit en dat hij eenvoudige zaken niet kent; dat ook zonder de motieven, ontleend aan de niet-eenduidige verklaringen van verzoeker in verband met zijn broers en aan het noemen van Bin Laden als een leider in Kaboel, de bestreden beslissing genoegzaam met redenen is omkleed, inzonderheid door de verwijzingen naar verzoekers verklaringen die diametraal staan tegenover de mensenrechtenrapporten waaruit blijkt dat onder de Taliban de orde terugkeerde, wat een einde maakte aan de plunderingen waarvan de Hindoes onder de Mudjaheddin veelvuldig het slachtoffer waren en dat de meeste tempels reeds verwoest waren onder de Mudjaheddin en naar de foutieve verklaring- en van verzoeker dat er onder de Taliban een Afghaanse televisieomroep bestond; dat deze XIV-20.492-2/3 niet betwiste motieven ruimschoots volstaan om de bestreden beslissing te schragen. De ondeugdelijkheid van de in het middel bekritiseerde beweegredenen op zich dan ook niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat voor zover de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen wijst op de manifest ongegronde verklaringen omtrent de verplichte klederdracht van de Hindoe-bevolking onder de Taliban, dit is om de bewering van verzoeker dat de Hindi onder de Taliban vervolgd werden te weerleggen; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.492-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.973 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.