← België

Arrest 153976 - - 19/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.976 Rolnummer: A. 154878/XIV-20432 Zaak: Arrest 153976 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.976 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.976 van 19 januari 2006 in de zaak A. 154.878/XIV-20.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. VERGUCHT, kantoor houdende te 1740 TERNAT, Nattestraat 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische en Montenegrijnse nationaliteit, op 12 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. DIERICKX die, loco Advocaat P. VERGUCHT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-20.432-1/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoekster aanvoert dat geen rekening werd gehouden met alle motieven, feiten en grieven uiteengezet in haar beroepschrift, noch werd geantwoord op alle grieven, dat duidelijk is dat de bestreden beslissing op verkeerde gronden en op onvoldoende wijze werd gemotiveerd, dat immers niet kan worden ontkend dat ondanks de genomen maatregelen, de toestand van de etnische Albanezen nog steeds zeer gespannen is, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten onrechte stelt dat zij onvoldoende in staat was om de precieze omstandig- heden van haar vlucht toe te lichten, terwijl zij op vrij gedetailleerde wijze haar reisweg beschreef, dat het feit dat zij geen schriftelijke bewijzen kon voorleggen niets afdoet aan de waarachtigheid van haar verklaringen, dat de gebrekkige motivering tevens blijkt uit het feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zonder haar te hebben gehoord en zonder kennis te hebben genomen van de ter zitting neergelegde pleitnota, reeds oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was, op grond waarvan de behandeling door een alleenrechtsprekend rechter werd bevolen; 1.1.
  4. Overwegende dat het geenszins volstaat op algemene wijze te beweren dat niet op de argumentatie van het beroepschrift is geantwoord; dat in het middel in concreto moet worden aangegeven welke argumentatie precies door de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen is genegeerd; dat, bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel niet in aanmerking kan worden genomen; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen, die een administratief rechtscollege is; dat blijkens de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekster wordt verworpen omdat -zoals omstandig in meerdere consideransen wordt toegelicht- zij de feiten die zij aanhaalt niet bewijst en er geen elementen of feiten voorhanden zijn die wijzen op een persoonlijke en gerichte vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, mede gelet op de sterk gewijzigde situatie in haar land van herkomst; dat de bestreden beslissing aldus afdoende is gemotiveerd; dat het uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om in laatste aanleg te oordelen over de mogelijkheid waarin de vreemdeling verkeert om stavingsstukken voor te brengen en of situatie van de etnische Albanezen in Servië-Montenegro dusdanig gewijzigd is dat ze thans wel een beroep kunnen doen op de bescherming van de autoriteiten aldaar; dat, als administratieve cassatierechter, de Raad van State zich immers niet in de plaats mag stellen van de feitenrechter wanneer deze zijn appreciatiebevoegdheid uitoefent; dat de eventuele ondeugdelijkheid van het motief, ontleend aan het ontbreken van een bewijs van XIV-20.432-2/5 de reisweg en de identiteit, op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing vermag te leiden, daar deze genoegzaam wordt geschraagd door de overige motieven; dat de beschikking van 27 mei 2004 tot behandeling door een alleenrechtsprekend lid een beslissing is alvorens recht te doen welke niet meer dan een voorlopige conclusie op zicht van het beroepschrift bevat; dat met de pleitnota de Voorzitter op dat ogenblik nog geen rekening kon houden, vermits deze pas ter zitting van 7 juli 2004 werd neergelegd; dat uit de bestreden beslissing evenwel duidelijk blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van de ter zitting neergelegde pleitnota kennis heeft genomen, daar zij in de bestreden beslissing op elk in voormelde pleitnota ontwikkeld argument ingaat; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en uit machtsafwending, verzoekster aanvoert dat de overheid bij het uitoefenen van haar weigeringsbevoegdheid zorgvuldig en redelijk moet tewerk gaan, dat de zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen, dat de nadelige gevolgen voor de belanghebbende niet onevenredig mogen zijn met de door het besluit te dienen doelen, hetgeen in casu wel het geval is, en dat geen rekening werd gehouden met haar gezondheids- toestand, waaromtrent nochtans twee medische attesten werden neergelegd; 1.2.
  6. Overwegende dat machtsafwending inhoudt dat een orgaan de bevoegdheid die werd verleend tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang gebruikt om een ander doel na te streven; dat verzoekster niet het minste element aanvoert waaruit blijkt dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegdheid te buiten zou gaan mocht zij, wegens het belang van de zaak voor hem, een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, toch als vluchteling erkennen omwille van zijn gezondheidstoestand; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster voorhoudt, uit de bestreden beslissing overigens genoegzaam blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met de voorgelegde medische attesten rekening heeft gehouden, doch dat zij heeft geoordeeld “dat uit dit getuigschrift niet af te leiden valt om welke redenen appellante een depressie heeft en of er enige aanwijzing is dat dit verband zou hebben met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève”; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.3.
  7. Overwegende dat in een derde middel, afgeleid uit de schending van artikel 1, (A), 2, van de Conventie van Genève, verzoekster aanvoert dat alle toepassings- voorwaarden zijn vervuld, dat zij bij een eventuele terugkeer naar haar land van herkomst een subjectieve vrees voor vervolging heeft, gezien haar persoonlijke vervolging door de ordediensten, dat indien het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wordt uitgevoerd, dit een zeer moeilijk tot zelfs onmogelijk te herstellen nadeel teweeg brengt, dat XIV-20.432-3/5 zij niet naar Servië kan terugkeren, gelet op haar problemen aldaar en omdat zij daardoor totaal ontheemd is, en dat er tot op de dag van vandaag nog steeds vele onlusten en onregelmatigheden zijn waarbij meer dan eens de etnische Albanezen het slachtoffer worden van agressie omwille van hun afkomst; 1.3.
  8. Overwegende dat het middel niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien het ertoe strekt aan te tonen dat verzoekster wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt en het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het derde middel niet ontvankelijk is;
  9. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-20.432-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.432-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.