id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.977 Rolnummer: A. 161824/XIV-22332 Zaak: Arrest 153977 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.977 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.977 van 19 januari 2006 in de zaak A. 161.824/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN DER WEEËN, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 13 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 11 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 22 april 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN DER WEEËN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.332-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: SCHENDING VAN HET RECHT VAN VERDEDIGING DOOR EEN GEBREK, ONDUIDELIJKHEID EN DUBBELZINNIGHEID IN DE MOTIVE- RING VAN DE BESLISSING Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelij- ke motivering van bestuurshandelingen. Doordat de Vaste Beroepscommissie louter stelde dat de bewijsvoering nopens de vrees voor vervolging in het land van herkomst niet afdoende is Terwijl de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 97 van de Grondwet en in de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, een uitdrukkelijke en vooral afdoende motivering van een dergelijke beslissing vereisen. Verzoeker wordt ten kwade geduid pas in zijn verzoekschrift in het kader van het dringend beroep melding te hebben gemaakt van zijn activiteiten tegen het Iraanse regime. Hierdoor zou zijn geloofwaardigheid in gedrang zijn gekomen. Feit is dat de activiteiten van verzoeker het hem inderdaad onmogelijk hebben gemaakt om terug te keren naar Iran. Immers, precies door deze activiteiten heeft hij zich kenbaar gemaakt als een persoon die het Iraans regime openlijk in vraag stelt. Verzoeker deed zeker niet mee aan de protestacties teneinde voor zichzelf een verblijfsvergunning te creëren. De Vaste Beroepscommissie stelt ten onrechte dat verzoeker geen uitvoerig en coherent relaas heeft gebracht omtrent de redenen van zijn vrees tot vervolging. Nochtans werd in het kader van het interview voor het Commissariaat-generaal en de Vaste Beroeps- commissie de problematiek afdoende uit de doeken gedaan. Bovendien werden tal van stukken voorgebracht die de stelling van verzoeker kracht bijzetten. De Vaste Beroepscommissie stelt louter -doch volstrekt ten onrechte- dat de bewijsvoering niet "afdoende" is. De beslissing werd dan ook niet op afdoende wijze gemotiveerd. Het middel is gegrond.”; 1.1.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, in tegenstelling tot hetgeen in het verzoekschrift wordt gesteld, in de bestreden beslissing omstandig is uiteengezet waarom verzoekers aanvraag tot erkenning als vluchteling wordt geweigerd; dat duidelijk wordt aangegeven waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat de bewijsvoering van verzoeker niet voldoet; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door verzoeker naar voren gebrachte verklaringen en elementen de aangevoerde vervolgingen in de zin van het Vluchtelingenver- XIV-22.332-2/5 drag aantonen; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel en derde middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 33 VAN DE CONVENTIE VAN GENÈVE MET BETREKKING TOT DE STATUS VAN VLUCHTELING VAN 8 JULI 1951 Doordat de bestreden beslissing verzoeker verplicht naar Iran terug te keren. Terwij1 artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 (goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953) de verdrag- sluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, van zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging. Zodat de Vaste beroepscommissie in eik geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoeker bij een terugkeer naar Iran. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. De vaste Beroepscommissie stelt: 'Overwegende dat de verklaringen van de appellant geen voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, waarschijnlijk en oprecht zijn; ... Dat met betrekking tot asielaanvragen gegrond op activiteiten in het gastland (réfugié sur place) de bewijslast in beginsel rust op de appellant, maar het onderzoek van de feiten een gemeenschappelijke taak is van appellant en beslissende instantie; ... Dat indien appellant niet vervolgd werd in zijn land van herkomst het aangehaalde zelf geschapen risico op zich geen bewijs is van een gegronde vrees voor vervolging, dat de beslissende instantie met een grotere dan normale strengheid de geloofwaardigheid van de aanvraag zal beoordelen; dat de appellant een uitvoerig en coherent relaas moet brengen van de redenen waarom hij vervolging vreest, onder meer met betrekking tot zijn achtergrond, persoonlijkheid en andere persoonlijke elementen; ... Dat rekening moet gehouden worden met het feit dat de activiteiten na de vlucht niet noodzakelijk zullen leiden tot een reëel risico van vervolging in het land van herkomst ofwel omdat de overheden in het land van herkomst er niet van op de hoogte zijn ofwel omdat het opportunistische karakter van deze activiteiten voor eenieder duidelijk is met inbegrip van de nationale overheden van de betrokkene; Met betrekking tot bedreiging van het leven en de vrijheid bij een eventuele terugkeer kan worden verwezen naar het bovenstaande. Verzoeker heeft naar aanleiding van zijn deelname aan verschillende protestacties uitdrukkelijk standpunt tegen het Iraanse regime ingenomen. Aangezien het Iraanse regime contactpersonen heeft over de hele wereld, ook in België, moet het in kennis zijn gekomen van de activiteiten die verzoeker heeft ondernomen. Uit het stukkenbundel neergelegd bij het Commissariaat Generaal blijkt overigens dat er verschillende Belgische kranten en tijdschriften zijn die foto's hebben verspreid waarop verzoeker zeer goed herkenbaar is. De Vaste Beroepscommissie in haar beslissing stelt zelf dat er afdoende bewijsmateriaal voorligt met betrekking tot de activiteiten van verzoeker in België en dat de beslissende instantie zelf voldoende informatie moet trachten in te winnen over de toestand in het land van herkomst. De Vaste Beroepscommissie stelt, zeer ten onrechte, dat het feit dat verzoeker niet werd vervolgd in zijn land van herkomst en dat het door hemzelf "geschapen risico" geen bewijs is voor gegronde vrees voor vervolging. De Vaste Beroepscommissie beaamt enerzijds dat protestacties zoals deze die werden gevoerd door verzoeker onder de XIV-22.332-3/5 aandacht gekomen van de Iraanse overheid doch dat er niet wordt bewezen dat precies verzoeker gegronde vrees dient te hebben voor vervolging. Nochtans blijkt uit de stukken (foto's en krantenartikels) dat verzoeker duidelijk herkenbaar is en dat er aldus een reëel risico bestaat tot vervolging in het land van herkomst. Het is duidelijk dat er geen afdoende onderzoek plaatsvond naar het risico op vervolging van verzoeker in de zin van het Verdrag van Genève. De Vaste Beroeps- commissie is nochtans verplicht dit zelf nader te onderzoeken. Uit de beslissing blijkt dat er zelfs geen poging werd ondernomen. Het feit dat verzoeker opkwam voor zichzelf en zijn volk wordt hem ten kwade geduid en wordt aanzien als kwade trouw. Echter, de asielaanvraag is niet louter gesteund op de handelingen van verzoeker die werden gesteld "buiten het land van herkomst". Deze handelingen kaderen precies in het protest dat verzoeker voerde omwille van de onmenselijke behandelingen die hij had ondergaan in zijn land van herkomst. Verzoeker verwees (ondermeer) uitvoerig naar de algemene mensenrechtensituatie in Iran en toonde aan dat het zeer aannemelijkheid is dat er een gegronde vrees is voor vervolging omwille van zijn activiteiten in België. De vrees voor een terugkeer is derhalve gerechtvaardigd, zodat verzoeker zich terecht vluchteling verklaarde en het bevel tot terugkeer ten onrechte werd genomen. Minstens kon het gevoerde onderzoek niet tot de genomen beslissing leiden. Het middel is derhalve gegrond. DERDE MIDDEL: Schending van art. 3 van het Europees Verdrag ter vrijwaring van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Doordat artikel 3 van voormeld verdrag de verdragsluitende staten verbiedt personen te onderwerpen aan een onmenselijke en/of vernederende behandeling. De schending van artikel 2 door een staat kan niet alleen voortvloeien uit de recht- streekse actie van deze staat, die zelf de vernederende of onmenselijke behandeling zou opleggen, maar eveneens uit het feit dat een staat zijn medewerking verleent op de een of andere manier aan een uitzetting naar een land waar een schending van artikel 3 dreigt. Zie in die zin EHRM, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, 7.7.1989, serie A, nr. 161 Terwijl de bestreden beslissing verzoeker verplicht naar Iran terug te keren. Zodat verzoeker op basis van deze beslissing zal worden onderworpen aan behandeling- en die ingaan tegen de rechten van de mens.”; 1.2.
- Overwegende dat de schending van het non-refoulementbeginsel, omschreven in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, niet dienstig kan aangevoerd worden tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaat- regel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat hetzelfde geldt wat betreft de aangevoerde schending van artikel 3 van het E.V.R.M..; dat het tweede en derde middel niet ontvankelijk zijn
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-22.332-4/5 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.332-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.