id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.983 Rolnummer: A. 161920/XIV-22358 Zaak: Arrest 153983 - - 19/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:33 Fiche Arrest nr 153.983 van 19 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.983 van 19 januari 2006 in de zaak A. 161.920/XIV-22.
- In zake :
- XXX 2.XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat E. VAN DE COTTE, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, op 21 april 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 14 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-22.358-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. VAN DE COTTE, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “Eerste middel: schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, m.n. het motiveringsbevel. Dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft nagelaten met alle door verzoekers aangebrachte essentiële elementen rekening te houden, waardoor de bestreden beslissing niet alleen onvoldoende gemotiveerd is, doch bovendien de zorgvuldigheidsverplichting wordt geschonden. Dat de bestreden beslissingen immers geen rekening houden met de uiteenzettingen en verklaringen van verzoekers gedaan op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen waarbij zij omstandig de moeilijkheden hebben beschreven welke zij in Tsjetsjenië gekend hebben. Dat hieruit blijkt dat verzoeker gezocht werd als zogenaamd helper van de rebellen en bij tweemaal werd gearresteerd, waarbij hij slechts vrijgelaten werd na betaling van een afkoopsom en de laatste maal na ondertekening van documenten waarmee hij er zich toe verbond als informant te werken voor de Russische diensten. Dat het dan ook geen betoog behoeft dat verzoeker het slachtoffer was van een persoongerichte vervolging door de Russische autoriteiten en hij om reden hiervan zijn vaderland heeft verlaten. Dat de Vaste Beroepscommissie evenwel -een rekening heeft gehouden met deze gegevens, doch enkel haar beslissing gebaseerd heeft op het feit dat verzoekers aanvankelijk niet hebben verklaard dat zij reeds politiek asiel in Polen hadden aangevraagd. Dat verzoekers vervolgens op de zitting van de Vaste Beroepscommissie toegegeven hebben dat zij eerder in Polen asiel hadden aangevraagd. Dat de volgehouden inspanningen van verzoekers om zich politiek vluchteling te laten verklaren juist wijzen op het feit dat zij ernstige problemen ondervonden hebben in hun land van herkomst en zij om reden hiervan dienden te vluchten. Dat verzoekers aanvankelijk verzwegen hebben reeds asiel in Polen aangevraagd te hebben nu hen dit was aangeraden door andere kandidaat-vluchtelingen, welke voorhielden dat verzoekers in België zelfs niet de mogelijkheid zouden krijgen de redenen voor hun vlucht uiteen te zetten indien zou blijken dat zij eerder in Polen verbleven. Dat verzoekers dan ook afgegaan zijn op deze raad en hun eerdere verblijf in Polen hebben verzwegen. Dat zij evenwel geenszins gelogen hebben betreffende hun problemen in Tsjetsjenië en zij enkel hun verblijf in Polen gemaskeerd hebben door te stellen dat verzoeker in Ingoesjië verbleef en verzoekster nog in Tsjetsjenië. Dat er in hun diverse verklaringen daarenboven geen tegenstrijdigheden te vinden zijn in de verklaringen van verzoekers, zodat ervan uit kan worden gegaan dat verzoekers XIV-22.358-2/5 hieromtrent de waarheid spreken en zij wel degelijk politiek vluchtelingen in de ware zin van het woord zijn. Dat de bestreden beslissingen voorts stellen dat uit de informatie verkregen vanuit Polen blijkt dat verzoekers zich hebben aangeboden met hun internationaal paspoorten en zij bij het verlaten van Polen medio juli 2003 deze opnieuw met zich meenamen, terwijl verzoekers ter zitting van de Vaste Beroepscommissie verklaarden enkel in het bezit te zijn van een fotokopie van de eerste pagina van liet binnenlands Russische paspoort van verzoeker en een fotokopie van een propiska. Dat de Commissie op basis hiervan oordeelt dat het achterhouden van deze paspoorten de mogelijkheid inhoudt dat verzoekers pogen een voorheen elders veilig verblijf verborgen te houden. Dat een dergelijke stelling louter gebaseerd is op een 'mogelijkheid' en dus giswerk inhoudt en geenszins een solide basis inhoudt om de asielaanvraag van verzoekers te verwerpen. Dat een dergelijke mogelijkheid ook geen enkele motivering inhoudt om op basis hiervan de hoedanigheid van vluchteling aan verzoekers te weigeren. Dat de bestreden beslissingen dan ook onvoldoende gemotiveerd zijn. Dat de bestreden beslissingen tenslotte aanhalen dat verzoekers doorheen hun Belgische asielprocedure voortdurend bedrieglijke verklaringen hebben afgelegd en op basis van het algemeen rechtsbeginsel 'fraus omnia corrumpit' hun asielaanvragen dienen te worden verworpen. Dat verzoekers enkel met betrekking tot hun verblijf in Polen bedrieglijke verklaringen hebben afgelegd, doch aangaande de moeilijkheden welke zij in Tsjetsjenië gekend hebben en welke de basis vormen voor hun vlucht en hun asielaanvraag steeds eensluidende verklaringen hebben afgelegd. Dat de Vaste Beroepscommissie evenwel geen rekening houdt met deze moeilijkheden en geen enkele motivering desbetreffende geeft om deze af te wijzen. Dat de bestreden beslissingen dan ook onvoldoende gemotiveerd zijn.”; 1.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat in de bestreden beslissingen wordt uiteengezet waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat de verzoekende partijen trachten of hebben getracht de Belgische autoriteiten te misleiden, met name omdat een eerder verblijf in Polen, alwaar eveneens een asielaanvraag werd ingediend, werd verzwegen en omdat zij hun internationale paspoorten, die zij bij het verlaten van Polen hebben teruggekregen, hebben laten verdwijnen zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat de mogelijkheid bestaat dat een eerder veilig verblijf elders wordt verborgen gehouden; dat dit alles afdoende wordt toegelicht; dat, gelet op de vaststelling van het bedrieglijke karakter van de aanvragen om erkenning de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet meer diende na te gaan of de naar voren gebrachte feiten in de beweerde regio van afkomst beantwoorden aan de criteria om te worden erkend als vluchteling; dat, gelet op bovenstaande vaststellingen, dient besloten dat de schending van de motiveringsplicht niet wordt aangetoond; dat het eerste middel niet gegrond is; 1.2.
- Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “Tweede middel: schending van artikel 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; schending van het artikel 1, § A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 XIV-22.358-3/5 Dat artikel 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dd. 10 december 1948 (B.S., 31 maart 1949) bepaalt dat elk individu recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon; Dat ook artikel 2 van het Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij Wet van 13 mei 1955 (B.S., 19 augustus 1955) in een gelijkaardige bescherming voorziet; Dat door verzoekers het statuut van vluchteling te weigeren deze voorgaande bepalingen worden geschonden, evenals artikel 1, §A. a1.2 van het Verdrag van Genève. Dat de definitie van de Conventie van Genève als volgt luidt : “geldt als vluchteling : elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en die bescher- ming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen". Dat uit de door verzoekers meegedeelde materiële feiten duidelijk blijkt dat zij omwille van moeilijkheden voortvloeiende uit hun nationaliteit hun vaderland dienden te verlaten en zij ook niet naar hun land kunnen terugkeren zonder vrees in de zin van artikel 1, §A., al,2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951.”; 1.2.
- Overwegende dat, in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat de verzoekende partijen wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag beantwoorden, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de schending van artikel 2 van het E.V.R.M. niet dienstig kan aangevoerd worden tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanig- heid van vluchteling van betrokkene; dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens slechts de waarde van een beginselverklaring heeft die als zodanig geen rechtsgevol- gen doet ontstaan, zodat de schending ervan niet kan worden ingeroepen als annulatiegrond; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- XIV-22.358-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.358-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.983 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.