← België

Arrest 154001 - - 20/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.001 Rolnummer: A. 155805/X-12059 Zaak: Arrest 154001 - - 20/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:34 Fiche Arrest nr 154.001 van 20 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.001 van 20 januari 2006 in de zaak A. 155.805/X-12.

  1. In zake : Emma JANSSIS, die woonplaats kiest bij Advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, de Henninstraat 67-69 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Emma JANSSIS op 21 september 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 23 juli 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan de gemeente Heers voor het uitvoeren van erosiebestrijdingswerken op percelen gelegen te Mechelen- Bovelingen, kadastraal bekend Sectie A1; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; X-12.059-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. JACOBS die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat K. HULPIAU die loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij mede-eigenaar is van twee aaneengesloten percelen, gelegen aan de Gelindenstraat te Heers, kadastraal bekend elfde afdeling, Sectie A, nrs. 380e en 382a; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers op 14 januari2004 aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor "uitvoeren van erosiebestrijdingswerken"; dat deze aanvraag volgens de bijgevoegde plannen onder meer voorziet in de uitvoering van werken aan de westelijke en zuidelijke grens van de percelen van de verzoekende partij, waarbij meer bepaald worden voorzien een gracht met een lengte van ongeveer 84 meter, een "inspectieput R7 (inloopconstructie)" met een breedte van ongeveer één meter en een diepte van ongeveer 2 meter en aaneengesloten buizen met een diameter van 40 centimeter en een totale lengte van ongeveer 40 meter op een diepte van ongeveer 1,5 meter; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar met het bestreden besluit de gevraagde vergunning geeft; 2.
  4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij wat de tweede voorwaarde betreft het volgende aanvoert : "De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing strekt verzoekende partij tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. X-12.059-2/6 Verzoekende partij is eigenaar van de percelen waarop een deel van de vergunde werken zullen plaatsvinden. Ten gevolge van de uitvoering van de bestreden beslissing zullen een aantal bouwwerken worden uitgevoerd op het perceel van verzoekende partij. Deze werken zullen tot gevolg hebben dat de bestemming woonuitbreidingsgebied die de percelen thans kenmerken niet meer zal gerealiseerd kunnen worden, minstens ernstig zal worden gehypothekeerd. Verzoekende partij wijst concreet onder meer op het feit (dat) door de aanleg van de aanvoergracht de toegang van het perceel tot de Gelindenstraat onmogelijk wordt gemaakt, zodat het woonuitbreidingsgebied ingesloten wordt. Meer, het perceel van verzoekende partij is voor de eerste 50 meter gelegen in woongebied, zodat ten gevolge van de uitvoering van de bestreden beslissing ook het gedeelte van het perceel gelegen in woongebied niet langer bebouwbaar zal zijn, want niet langer gelegen (en bereikbaar) via een voldoende uitgeruste weg. De begunstigde van de bestreden beslissing, de gemeente Heers, beschikt weliswaar nog niet over de vereiste (eigendoms-)titel om de vergunde werken op het perceel van verzoekende partij uit te voeren, doch niets sluit uit dat zij beroep zou doen op de spoedprocedure van onteigening tot openbaar nut om de vereiste eigendomsrechten te verkrijgen op het onroerend goed van verzoekende partij. Dat de gemeente Heers van plan is over te gaan tot onteigening blijkt trouwens uit de toelichting bij de erosiebestrijdingswerken: 'Ondanks de aanwending van alle mogelijkheden en voorstellen tijdens de onderhandelingen met 2 eigenaars, door zowel het ontwerpbureau als de gemeente, weigerden deze hun akkoord om op hun terrein maatregelen te laten uitvoeren. Niettemin is de uitvoering van het project nodig en is de gemeente genoodzaakt om over te gaan tot onteigeningen van openbaar nut en bij hoogdringendheid.' (...) De gemeente Heers zal dus niet nalaten om zeer spoedig over te gaan tot het opstarten van een procedure tot onteigening van openbaar nut bij hoogdringendheid, om vervolgens zo snel mogelijk de werken aan te vatten. Daarbij dient gewezen te worden op het feit dat huidige procedure en een eventuele onteigeningsprocedure die bij hoogdringendheid bij de vrederechter zou worden ingeleid twee totaal verschillende procedures betreffen met betrekking tot twee verschillende beslissingen. Het feit dat de thans bestreden beslissing vatbaar is voor wettigheidskritiek hoeft daarvoor nog niet in te houden dat een eventuele machtigingsbeslissing om over te gaan tot onteigening bij wijze van hoogdringendheid ook vatbaar zou zijn voor wettigheidskritiek. Derhalve heeft verzoekende partij er een belang bij de schorsing te vragen van de bestreden beslissing. Een gewone procedure houdende nietigverklaring zal in voorkomend geval te laat komen, omdat tegen dat Uw raad uitspraak zou gedaan hebben over het verzoekschrift tot nietigverklaring van de bestreden beslissing de gemeente Heers reeds over zou kunnen gegaan zijn tot onteigening en uitvoering der werken. Het is duidelijk dat eens de uitgevoerde werken zullen zijn uitgevoerd, het nadeel dat verzoekende partij zal ondergaan niet meer te herstellen valt. (...)"; 2.2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende antwoordt : X-12.059-3/6 "(...) - Verzoekende partij stelt in het verzoekschrift tot schorsing dat zij mede(-)eigenaar is van een aantal percelen gelegen aan de Gelindenstraat te Mechelen-Bovelingen, kadastraal bekend onder afdeling 11, sectie A, nr. 3 80/e en 382a. Deze percelen zouden in pacht gegeven zijn aan haar dochter Karin Renson. Verzoekster meent dat de vergunde werken tot gevolg zullen hebben dat de bestemming woonuitbreidingsgebied niet meer zal gerealiseerd kunnen worden, minstens ernstig zal gehypothekeerd worden. De toegang van het perceel tot de Gelindenstraat wordt onmogelijk gemaakt. - Vastgesteld moet worden dat de verzoekende partij geen concrete gegevens en bewijzen bijbrengt die de beweerde ernstige nadelen ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit aannemelijk maken. Zij beperkt zich tot een vage en algemene formulering van de door haar beweerde ernstige nadelen. Aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is derhalve niet voldaan, zodat de vordering tot schorsing dient verworpen te worden. - Volledigheidshalve merkt verwerende partij het volgende op. De percelen van verzoekende partij zijn onbebouwd en gelegen in een woonuitbreidingsgebied. Dit woonuitbreidingsgebied werd nog niet aangesneden. De betrokken percelen zijn blijkbaar in pacht gegeven aan de dochter van de verzoekende partij. Dat de toegang van het perceel onmogelijk wordt gemaakt door de vergunde werken, wordt manifest tegengesproken door het besluit dd. 23 .07.
  7. Een van de voorwaarden van het bestreden besluit dd. 23.07.2004 is immers dat de toegang tot het perceel 380e te allen tijde dient gegarandeerd te blijven. Bij eventuele aansnijding van het woonuitbreidingsgebied in de toekomst dient het gemeentebestuur maatregelen te nemen opdat de toegang tot de bouwpercelen mogelijk wordt. De percelen worden enkel belast met een erfdienstbaarheid. De bouwmogelijkheden komen niet in het gedrang. Bovendien volgt het vergunde tracé zoveel mogelijk de bestaande perceelsgrenzen. Uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat de gemeente Heers nog niet beschikt over de eigendomstitel om de vergunde werken op het perceel van verzoekende partij uit te voeren. De gemeente Heers zal volgens verzoekende partij overgaan tot de procedure tot onteigening. (...)"; 2.2.
  8. Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke X-12.059-4/6 tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift in concreto enkel aanvoert dat door de aanleg van de aanvoergracht de toegang van haar perceel tot de Gelindenstraat onmogelijk zou worden gemaakt, dat haar perceel voor de eerste 50 meter in een woongebied is gelegen en dat door de uitvoering van de bestreden beslissing het gedeelte van haar perceel in het woongebied niet langer bebouwbaar zou zijn omdat het niet meer via een voldoende uitgeruste weg bereikbaar zou zijn; dat uit de plannen bij de vergunningsaanvraag echter blijkt dat de kwestieuze aanvoergracht niet wordt voorzien op het gedeelte waar de percelen van de verzoekende partij op de Gelindestraat aansluiten; Overwegende dat de mogelijkheid van een door het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Heers op te starten onteigeningsprocedure niet wordt veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij in ieder geval haar verweer voor de onteigeningsrechter zal kunnen doen gelden en dat haar algemene bezwaren over het bestaan van twee afzonderlijke procedures op zichzelf niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen worden aanvaard; Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting nog aanvoert dat de aan te leggen weg voor de verkaveling van haar percelen het tracé van de thans vergunde gracht volgt; dat met dit element geen rekening kan worden gehouden omdat de verzoekende partij het niet in het verzoekschrift tot schorsing heeft aangevoerd en ook niet aannemelijk maakt dat zij het in dat verzoekschrift niet kon aanvoeren; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen; X-12.059-5/6 BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari 2006, door : de H. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. C. ADAMS. X-12.059-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.001 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.902 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.