id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.002 Rolnummer: A. 157300/X-12113 Zaak: Arrest 154002 - - 20/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 08:34 Fiche Arrest nr 154.002 van 20 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.002 van 20 januari 2006 in de zaak A. 157.300/X-12.
- In zake :
- Geert DEJONGHE,
- Veerle BRUNFAUT, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Geert DEJONGHE en Veerle BRUNAUT op 8 november 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 2 september 2004 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hun beroep ingesteld tegen de beslissing van 10 november 2003 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare, houdende weigering van de vergunning tot het verbouwen van een schuur tot inrichting voor het organiseren van familiale, recreatieve, sociale, politieke en culturele aangelegenheden met uitzondering van dansfuiven, gelegen Daglandstraat 21 te Roeselare, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 februari 2005; X-12.113-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van de eerste verzoekende partij, van Advocaat B. VAN DORPE die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct-adviseur A. VAN RIE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen op 1 augustus 2003 aan het College van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare een stedenbouwkundige vergunning vragen voor het verbouwen van een schuur tot inrichting voor het organiseren van familiale, recreatieve, sociale, politieke en culturele aangelegenheden met uitzondering van dansfuiven, gelegen te Roeselare, Daglandstraat 21; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare met een besluit van 10 november 2003 de gevraagde vergunning weigert; dat de verzoekende partijen beroep aantekenen bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie dat beroep met de bestreden beslissing ongegrond verklaart; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen wat de tweede voorwaarde betreft het volgende aanvoeren : "De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit veroorzaakt voor de verzoekers een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doordat zij niet kunnen overgaan tot het verbouwen van de schuur tot een inrichting voor het organiseren van familiale, recreatieve, sociale, politieke en culturele aangelegenheden met uitzondering van dansfuiven, waardoor de tweede verzoekster in de onmogelijkheid is haar levensdroorn te realiseren in combinatie met haar huishoudelijke en opvoedkundige taken als moeder van hun twee kinderen Jonas DEJONGHE, geboren op 7 februari 2000 en Margo X-12.113-2/5 DEJONGHE geboren op 17 april 2002; dat zij na haar 6/ jaar secundair onderwijs (diploma 30 juni 1991), het eerste jaar hotelmanagement 1991-1992 heeft gevolgd in het H.T.I., vervolgens te Roeselare een cursus bedrijfsbeheer heeft gevolgd in 1993-1994, evenals een cursus van bereider van verkoopbare gerechten in het vormingsinstituut KMO 1993-1994; dat zij geslaagd is in de twee eerste jaren HITEK Distributie-Marketing 1996-1999 en een niet- afgewerkte studie naar de haalbaarheid van de eigen zaak ten Wellegrije heeft aangevat; dat zij tenslotte op 24 februari 1997 het getuigschrift ondernemersopleiding Vormingsinstituut KMO leper 'TraiteurBanketaannemer' - opleiding 2 jaar - heeft behaald met 256 lesuren; dat, nu zij in het belang van het gezin en van de twee kleine kinderen, uiteindelijk haar lang voorbereide droom zou kunnen realiseren, door het huishoudelijk werk en de opvoedkundige taken te combineren met de leiding en het beheer van de socio-culturele inrichting in de naastgelegen in te richten schuur en door een einde te stellen aan haar buitenhuis activiteit als halftijds bediende bij de N.V. CARESTEL MOTORWAY SERVICES, thans N.V. ROC, dit wordt belet door de bestreden akte; Ook de eerste verzoeker, als vader en echtgenoot, in het belang van het gezin en de opvoeding van de kinderen, deelt in de lang verbeide droom van zijn echtgenote en zal de gevolgen moet ondergaan van de bestreden beslissing. Het nadeel is voor de beide verzoekers ernstig en onmogelijk te herstellen, omdat de bestreden akte voor gevolg heeft dat de werksituatie van de tweede verzoekster en haar huishoudelijke en opvoedkundige planning niet kan gerealiseerd en verbeterd worden, in het belang van haarzelf, haar echtgenote en de kinderen. De schorsing is nuttig voor de verzoekers omdat, indien het eerste onderdeel van het eerste middel ernstig wordt bevonden, de bestemmingswijziging zonder vergunning kan doorgevoerd worden zonder gevaar voor een stakingsbevel omdat een bevel tot staking van de bestemmingswijziging enkel kan steunen op het weigeringsbesluit. In elk geval is een schorsing van de bestreden akte nuttig voor de verzoekers omdat het schorsingsarrest er de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen toe zal aanzetten de zaak opnieuw te onderzoeken in het licht van het schorsingsarrest en haar geschorst besluit in te trekken en de gevraagde vergunning af te leveren. In toepassing van artikel 15bis van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, zal de overheid na schorsing van de bestreden akte, gehouden zijn te beslissen of zij een verzoekschrift tot voortzetting van de procedure zal indienen, welke beslissing in principe een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsarrest veronderstelt. Gezien een door machtsoverschrijding aangetast onwettig bevonden overheidsbesluit in principe de quasi-delictuele aansprakelijkheid meebrengt van de overheid, mag worden verwacht dat zij met de nodige ernst de gevolgen van de verderzetting van de procedure onderzoekt op het vlak van de schade en de schadevergoeding. Alhoewel de overheid partij is in de procedures voor de Raad van State, dient zij bij de beoordeling omtrent verderzetting, intrekking of berusting, zich te gedragen als neutrale overheid die handelt in het algemeen belang"; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende antwoordt : "Opdat de verzoeker zou kunnen beroepen op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dient zij duidelijk en concreet aan te geven waarin precies het ernstig nadeel is gelegen en waarom zij moeilijk te herstellen zou zijn. Dit geldt des te meer aangezien het schorsingsverzoek is gericht tegen een X-12.113-3/5 weigeringsbeslissing. Dit betekent dan ook dat er strengere eisen dienen te worden gesteld aan de concreetheid en de precisie waarmee een verzoeker zijn nadeel poogt aan te tonen (...) Bovendien dient het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het gevolg te zijn van een handeling van een administratieve overheid en mag het niet aan de verzoeker zelf te wijten zijn. De verzoeker voert als nadeel aan dat een levensdroom (met name het gebruik van de schuur in combinatie met de opvoeding van de kinderen) niet zal kunnen worden verwezenlijkt doordat de werksituatie en de huishoudelijke en opvoedkundige taken ingevolge de weigeringsbeslissing niet zal worden gerealiseerd en verbeterd. Er wordt evenwel niet aangetoond dat het ingeroepen nadeel een verslechtering van de huidige situatie met zich meebrengt, noch dat de huidige situatie in het gedrang wordt gebracht. De verzoeker preciseert verder niet welk moeilijk te herstellen nadeel wordt ondergaan in geval van niet- uitvoering van het project waarvoor de vergunning wordt gevraagd. Op dit ogenblik oefent de verzoeker een betrekking uit als bediende in halftijds dienstverband. Voor vele jonge moeders is zo’n werksituatie een gedroomde combinatie met de opvoeding van de kinderen. Er kan dan ook niet worden ingezien hoe de bestreden beslissing, een ernstig nadeel met zich kan meebrengen. Bovendien heeft de verzoeker niet duidelijk en concreet aangetoond hoe het ingeroepen nadeel niet kan worden hersteld door een vernietigingsarrest. Verder mag niet uit het oog worden verloren dat het perceel in kwestie gelegen is temidden van een verkaveling 'Ten Wellegrije', bestaande uit 78 kavels, welke door het schepencollege op 25 maart 1999 aan Gerard BRUNFAUT, vader van tweede verzoekster, werd verleend. Hierdoor diende de verkaveling te worden betrokken bij de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat de verzoeker (zijnde de dochter en schoonzoon van de verkavelaar), die bovendien hun woonplaats hebben op de kwestieuze site medezegging hebben gehad bij de aanvraag en verwezenlijking van de verkaveling. Door het creëren van een residentiële verkaveling met als hoofdbestemming open woningbouw, heeft de verzoeker dan ook beperkingen aangebracht inzake de bestemmingsmogelijkheden van het voormalig landbouwbedrijf. In dat opzicht dient te worden gesteld dat het ingeroepen nadeel niet voortvloeit uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, doch ingevolge het eigen optreden van de verzoeker zelf. Is de levensdroom van de tweede verzoekster niet vervuld, dan kan op zijn minst worden gesteld dat een andere levensdroom, met name een grootschalige residentiële verkaveling, is gerealiseerd. Tenslotte rijst de vraag of de schorsing van een weigeringsbeslissing wel nuttig effect kan sorteren, gelet op het feit dat de Bestendige Deputatie de aanvraag heeft geweigerd na grondig onderzoek van de feitelijke gegevens. Uit dit alles dient te worden geconcludeerd dat er hoegenaamd geen sprake kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel hoogstens van een gemiste kans in hoofde van de verzoeker, welke echter volledig te wijten is aan de grootschalige residentiële verkaveling van de voormalige site door de familie van de verzoekende partij"; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een aantal stukken bijbrengen waaruit de horeca-opleiding van de tweede verzoekende partij blijkt en waaruit blijkt dat zij sedert november 1999 als bediende bij de N.V. CARESTEL MOTORWAY SERVICES is tewerkgesteld; dat zij daarmee niet aannemelijk maken dat het op korte termijn niet kunnen realiseren van de verbouwing van de kwestieuze X-12.113-4/5 schuur tot een inrichting voor het organiseren van familiale, recreatieve, sociale, politieke en culturele aangelegenheden met uitzondering van dansfuiven, te dezen voor één van hen een ernstig nadeel vormt; dat zij niet met concrete gegevens aangeven waarom de duur van de annulatieprocedure niet zou kunnen worden afgewacht, temeer daar uit de door hen neergelegde stukken blijkt dat de tweede verzoekende partij reeds jaren halftijds als bediende in de horecasector werkzaam is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen derhalve niet aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig januari 2006, door : de H. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. C. ADAMS. X-12.113-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.002 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.