id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.036 Rolnummer: A. 141172/VII-34712 Zaak: Arrest 154036 - - 23/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:36 Fiche Arrest nr 154.036 van 23 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.036 van 23 januari 2006 in de zaak A. 141.172/VII-34.712 In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat M. KIWAKANA, kantoor houdende te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 138A tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 11 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven op 11 juli 2003; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 november 2005; VII-34.712-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat M. KIWAKANA, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 4 november 2002 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 3 december 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 4 juli 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten, te behoren tot de Haussa-stam en afkomstig te zijn uit de wijk A. D. in de stad Sokoto (Sokoto state). U bent moslim en gehuwd met A. I.. U studeerde één jaar aan een Koranschool. Daarna ging u uw vader helpen als handelaar op de markt en u verkocht er juwelen, horloges en parfums. U beweerde dat uw problemen begonnen zijn op het moment dat u een relatie aan ging met uw buurmeisje, Adama Issoufou, en zij zwanger werd. U wou met haar trouwen maar haar vader verzette zich daartegen waarop Adama wegvluchtte. Uw vader deelde u mee dat ook uw leven in gevaar was en u besloot te vluchten naar uw vriend Garba op 6 oktober
- Op 8 oktober 2002 kwam de politie samen met de religieuze garde u opzoeken bij uw thuis. Toen de politie en de religieuze garde de dag erna opnieuw naar uw huis kwamen vertelde uw broer u dat u Sokoto moest verlaten. Vervolgens bent u met de wagen naar uw oom in Lagos gereden. Aangezien uw oom ook een voorstander was van de sharia kon u hier niet blijven en besloot u de nacht door te brengen in een kerk. De priester van de kerk had medelijden met u en bracht u in contact met een blanke man. Deze laatste bracht u aan boord van een boot die u naar België bracht. Op 4 november 2002 kwam u aan in België. Dezelfde dag nog wendde u zich tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties en startte er uw asielprocedure. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw bewering voor het Commissariaat-generaal (hierna CGVS, verhoorverslagen dd. 9 januari 2003 en dd. 14 mei 2003) als zou u geboren en getogen zijn in de stad Sokoto (Sokoto state) (CGVS p.1, dd. 9 januari 2003). Zo bleek dat u tijdens uw onderhoud in dringend beroep geen enkele naam van de belangrijkste straten in Sokoto kon opnoemen (CGVS p. 13, dd. 9 januari 2003). Zelfs de naam van de grote weg die van uw eigen wijk naar het slachthuis loopt, was u onbekend voor het VII-34.712-2/7 Commissariaat-generaal (CGVS p. 13, dd. 9 januari 2003). De volgende straten bleken u volledig onbekend te zijn: Gusau road, Bypass road, Ilela road, Unity road, Ahmadu Bello way, Sultan Abubakar road en Aliu Joue road (CGVS pp. 5 en 8, dd. 14 mei 2003). Daarnaast kende u tijdens uw verhoor op het Commissariaat-generaal geen enkele van de u gevraagde dorpen in de buurt van Sokoto (CGVS p. 14 en p. 4, dd. 9 januari 2003). Op de vraag van de interviewer van het Commissariaat-generaal om dorpen op te noemen in de buurt van Sokoto gaf u weliswaar een negental namen, maar zeven van deze plaatsen liggen niet in de onmiddellijke omgeving van Sokoto (CGVS p. 14, dd. 9 januari 2003 en bijlage bij het verhoorverslag, zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Toen u daarentegen gevraagd werd of u de plaatsen Shuni, Kware, Kalarael, Asara en Dange kende, bleef u het antwoord schuldig (CGVS p.14, dd. 9 januari 2003), terwijl deze plaatsen in de onmiddellijke omgeving van Sokoto gelokaliseerd zijn (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Gelet op uw beroepsactiviteiten, namelijk handelaar op de markt, kan er redelijkerwijze worden verondersteld dat u met heel wat verschillende mensen van de regio rond Sokoto in contact komt en dan ook enige correcte toelichting kan verschaffen omtrent deze regio. Verder wist u slechts drie van de 23 ‘local government areas’ in Sokoto state meerbepaald Shagari, Kabi (wellicht Kebbe) en Illela. De overige plaatsen die u aanhaalde behoorden niet tot Sokoto state (CGVS p. 16, dd. 9 januari 2003 en bijlage bij het verhoorverslag, zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Evenmin slaagde u erin om ook maar één bekend hotel op te noemen in Sokoto (CGVS p. 4, dd. 14 mei 2003). De volgende hotels kon u dan ook niet situeren tijdens het verhoor in dringend beroep: Sokoto hotel, Giginya hotel, Kano Guest Inn en Sukura hotel (CGVS pp. 4 en 5, dd. 14 mei 2003). Daarnaast slaagde u er voor het Commissariaat-generaal niet in om te verklaren in welke drie verschillende staten Sokoto sinds 1991werd onderverdeeld (CGVS p. 3, dd. 14 mei 2003 en bijgevoegde informatie in administratief dossier). U bleek ook nog nooit gehoord te hebben van het ‘Eid-Filtr’ festival (CGVS p. 4, dd. 14 mei 2003 en bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Voorts is het merkwaardig dat u er niet in slaagde de gouverneur van Sokoto state te herkennen op foto, terwijl u beweerde dat u hem reeds op televisie gezien had (CGVS pp. 4 en 6, dd. 14 mei 2003 en informatie in administratief dossier). Verder slaagde u er niet in om de nummerplaten van de auto's te beschrijven in Sokoto state (CGVS p. 3, dd. 14 mei 2003). U bleek ook de volgende bekende plaatsen in Sokoto niet te kennen: de ‘Race Course’, de Bello Moskee en de ‘Central Prison’ (CGVS p. 4 en 8, dd. 14 mei 2003 en kaartje in administratief dossier). Voorts slaagde u er voor het Commissariaat-generaal niet in om ook maar één restaurant in Sokoto op te noemen en bleek u de Rima-rivier niet te kennen (CGVS p. 4, dd. 14 mei 2003 en bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Op de vraag van het Commissariaat-generaal naar de naburige deelstaten van Sokoto state, kan u slechts Kebbi state verstrekken en beweert u in strijd met de werkelijkheid dat Kano state en Kaduna state naburige deelstaten van Sokoto state zouden zijn (CGVS p. 7, dd. 14 mei 2003 en bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Tenslotte beweerde u geen enkele krant te kennen in Sokoto en bleek u nog nooit gehoord te hebben van de lokale krant ‘The Path’ (CGVS p. 6, dd. 14 mei 2003 en informatie in administratief dossier). Uit bovenstaande vaststellingen blijkt duidelijk dat u uw permanent verblijf in de stad Sokoto (Sokoto state) vanaf uw geboorte tot oktober 2002 in het geheel niet kan aannemelijk maken. Bijgevolg kan er in het geheel geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen voor de diverse Belgische asielinstanties en komt (de motieven voor) uw asielaanvraag volkomen op de helling te staan. In het algemeen kan nog worden opgemerkt dat de door uw raadsman, Meester Koen Van Zandweghe, ingeroepen ongeschooldheid (CGVS p. 18, dd. 9 januari 2003) geen afdoende verklaring is om uw gebrek aan elementaire kennis over uw regio en stad van herkomst te verantwoorden. Er mag redelijkerwijze van u worden verwacht dat u enige toelichting kan geven bij een aantal basisgegevens over de verblijfplaats waar u beweert heel uw leven te hebben verbleven (CGVS p. 1, dd. 9 januari 2003). Daarenboven zijn uw verklaringen tijdens het verhoor in dringend beroep omtrent uw reisweg volkomen onaannemelijk. U beweerde dat u in Lagos op een boot stapte waar u ongeveer een maand op verbleef (CGVS p.12, dd. 9 januari 2003). U kon van deze boot slechts een vage omschrijving geven en u wist niet wat de vlag van het schip was (CGVS p. 12, dd. 9 januari 2003). Ook omtrent de blanke heer die u aan boord van VII-34.712-3/7 het schip zou hebben geholpen, kan u geen details (naam, nationaliteit) verstrekken tijdens het verhoor in dringend beroep (CGVS p. 11, dd. 9 januari 2003) Hoe dan ook kunnen, bij gebrek aan geldige documenten terzake, uw ware afkomst, nationaliteit en reisweg niet worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19//05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Moyen unique est pris de la violation notamment de l’article 52,§2,2/de la loi du 15 décembre 1980, de l’article 1er, A
(2)de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 et de l’erreur de motivation, de la violation des articles 2 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, de la motivation absente, inexacte, insuffisante ou contradictoire et dès lors de l’absence de motifs légalement admissibles, de l'erreur manifeste d'appréciation, de la violation des principes de bonne administration et d’équitable procédure, du principe général selon lequel l’autorité administrative est tenue de statuer en prenant connaissance de tous les éléments de la cause, de la violation de l’article 1er, A, 2 de la Convention de Genève sur la reconnaissance du statut de réfugiés, de l’excès de pouvoir;. En ce que la décision attaquée conclut que la demande est frauduleuse et n’applique pas en faveur du requérant les critères prévus par l’article 1er par A, al 2 de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 pour l’octroi du statut de réfugié. Attendu que la partie adverse n’a pas pris en compte le niveau de culture extrêmement bas du requérant dans ses évaluations. Que son appréciation de la situation est in casu manifestement déraisonnable, le requérant n’ayant a aucun moment tenté de tromper sciemment les autorités belges. Que la décision attaquée ne remet pas en cause la réalité des faits vécus par le requérant mais conteste uniquement qu’il soit originaire de Sokoto. Que les éléments sur lesquels se basent cette supposition ne tiennent en aucune façon compte du fait que le requérant soit analphabète, issu d’un milieu extrêmement défavorisé et n’ayant jamais quitté la région auparavant. Que dans ces conditions l’interroger sur les hôtels et les journaux de la région n’est manifestement pas raisonnable et constitue un excès de pouvoir ainsi qu’une erreur manifeste d’appréciation. Que de même, vu son contexte personnel, on ne peut exiger de lui une connaissance approfondie de la géographie de la région. Qu’en agissant ainsi, la partie adverse a fait fi du principe élémentaire de bonne administration et du devoir de soin dont sont investies les autorités administratives. ‘Le devoir de soin impose à l’autorité de travailler soigneusement lorsqu’elle enquête à propos de faits et de veiller à ce que toutes les données utiles lui soient VII-34.712-4/7 fournies afin que sa décision puisse se former après une appréciation convenables de toutes les données utiles à la cause.’ (CE, n/ 58.328, 23 février 1996, Près X). Que la partie adverse n’a tenu compte que des éléments défavorables au requérant (arrêt 51146 du 16 janvier 1995) en dépit du fait qu’elle soit tenue de statuer en prenant en compte tous les éléments de la cause. Qu’indéniablement le faible niveau de culture du requérant est un élément important dont il ne pouvait être fait abstraction. Que par ailleurs, il convient de souligner que deux auditions ont été nécessaires pour déterminer si la demande du requérant pouvait être considérée ou non comme recevable; Que si l’on admet le principe de la phase de recevabilité, il faut interpréter strictement le contenu de cette notion. Que dans la phase de recevabilité, ‘... on exige simplement que l’intéressé fasse un exposé cohérent des faits. On n’a à réclamer aucune preuve testimoniale ni écrite’ (Ministre de le Justice, doc. par., Sénat, 1990/199 1, num 1076/2, p. 11). Que le premier exposé du requérant n’était de toute évidence à ce point incohérent qu’une décision négative ait pu être prise à l’issu de la première audition au CGRA; Qu’en convoquant le requérant pour une deuxième audition, la partie adverse a procédé à un examen au fond du dossier et a commis un excès de pouvoir. Qu’il ressort d’un examen correct du dossier qu’il n’y a en l’espèce aucune fraude ou intention frauduleuse; Que contrairement à la conclusion du C.G.R.A., il existe en ce qui concerne le requérant de sérieuses indications de crainte de persécution; Que dès lors les motifs qui l’ont conduit à quitter son pays d’origine sont bien des motifs visés à l’article 1er, A
(2)de la Convention de Genève relative au statut des réfugiés. Attendu qu’en l’espèce, la partie adverse n'a aucunement fait bénéficier le demandeur du bénéfice du doute et ce alors que la procédure n’en est qu’au stade de la recevabilité; que pourtant le Guide de procédure prévoit expressément ce bénéfice; que pour la facilité un extrait dudit Guide est reproduit ci-après: ‘2) Le bénéfice du doute 203.- Il est possible qu’après que le demandeur se sera sincèrement efforcé d’établir l’exactitude des faits qu’il rapporte, certaines de ses affirmations ne soient pas prouvées à l’évidence. Comme on l’a indiqué ci-dessus (paragraphe 196), un réfugié peut difficilement ‘prouver’ tous les éléments de son cas et, si c’était là une condition absolue, la plupart des réfugiés ne seraient pas reconnus comme tels. Il est donc souvent nécessaire de donner au demandeur le bénéfice du doute. 204.- Néanmoins, le bénéfice du doute ne doit être donné que lorsque tous les éléments de preuve disponibles ont été réunis et vérifiés et lorsque l’examinateur est convaincu de manière générale de la crédibilité du demandeur. Les déclarations du demandeur doivent être cohérentes et plausibles, et ne pas être en contradiction avec des faits notoires.’ Il ressort de tout ce qui précède que le Commissaire général n’a pas évalué à sa juste mesure les craintes dont le requérant a fait part dans le courant de sa procédure d’asile. Qu’on doit constater qu’il est difficile sur base d’auditions sommaires de restituer l’ensemble des éléments de la cause. Que:‘le devoir de soin impose à l’Autorité de travailler soigneusement lorsqu’elle enquête à propos de faits et de veiller à ce que toutes les données utiles lui soient fournies afin que sa décision puisse se former après une appréciation convenable de toutes les données utiles à la cause’ (CE n/ 58.328, 23.02.96); Et qu’une jurisprudence bien établie exige de tout acte administratif ‘qu’il repose sur des motifs exacts, pertinents et admissibles lesquels doivent s’ils ne sont pas exprimés formellement, résulter du dossier administratif établi au cours de l’élaboration de cet acte.’ La motivation formelle des actes administratifs - Loi du 29 juillet 1991, Actes de la journée d’étude du 8 mai 1992, Collectif, Faculté de Droit de Namur, 1992, P. 131). Qu’en outre, il y lieu de rappeler que la motivation doit être d’autant plus scrupuleuse lorsqu’elle aboutit à la conclusion que la demande est manifestement non fondée. (arrêt BAH CHERNO SADU, n/ 57.708 du 22 janvier 1996). Qu’en l’espèce la crainte du requérant est claire et précise. VII-34.712-5/7 Qu’il s’ensuit que la décision querellée n’est pas adéquatement motivée en ce qu’elle considère que la demande est frauduleuse.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie verwijst naar hetgeen is uiteengezet in het verzoekschrift; 2.
- Overwegende, vooreerst, dat de Commissaris-generaal ertoe gerechtigd is verzoeker aardrijkskundige en maatschappelijke vragen te stellen, teneinde de afkomst van verzoeker te controleren; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker op tal van zulke elementaire vragen het antwoord diende schuldig te blijven; dat de Commissaris- generaal bijgevolg in alle redelijkheid kon besluiten dat “er geen geloof kan worden gehecht aan (verzoekers) bewering (...) als zou (hij) geboren en getogen zijn in de stad Sokoto (Sokoto state)”; dat de door verzoeker ingeroepen lage scholingsgraad en geringe afkomst niet aanvaard kunnen worden als verklaring voor deze onwetendheid inzake basisgegevens, die de Commissaris-generaal na zorgvuldig onderzoek heeft vastgesteld; Overwegende, voorts, dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig toegelaten wordt tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de Minister van Binnenlandse zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat verzoeker er daarbij op dient te worden gewezen dat geen enkele wetsbepaling noch rechtsbeginsel de Commissaris-generaal verbiedt een kandidaat-vluchteling twee maal te onderwerpen aan een verhoor; dat zulks integendeel van een grote zorgvuldigheid vanwege de Commissaris-generaal getuigt, die elk asieldossier aan een minutieus individueel onderzoek onderwerpt; Overwegende, ten slotte, dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het mogelijk maakt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren wanneer deze bedrieglijk is; dat, zoals hierboven reeds is aangegeven, de Commissaris-generaal verzoekers asielaanvraag als bedrieglijk heeft beoordeeld, aangezien verzoeker zijn permanent verblijf in de stad Sokoto niet aannemelijk wist te maken, en hierdoor de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas in het geheel ernstig in het gedrang komt; dat verzoeker er in zijn middel niet in slaagt de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van dit oordeel van de Commissaris-generaal; dat, wat de toepassing van het voordeel van de twijfel betreft, dit voordeel kan worden toegestaan indien, na onderzoek van alle elementen, de overtuiging bestaat dat de afgelegde verklaringen geloofwaardig zijn; dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat net op dit punt de geloofwaardigheid door de beslissingnemende overheid niet wordt aangenomen; dat de proceduregids van de Verenigde VII-34.712-6/7 Naties overigens geen afdwingbare rechtsregels bevat, doch slechts een aanbeveling vormt, zodat verzoeker er niet op kan steunen om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten; dat het enige middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig januari tweeduizend en zes, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.712-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div