← België

Arrest 154039 - - 23/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.039 Rolnummer: A. 145786/VII-34717 Zaak: Arrest 154039 - - 23/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:36 Fiche Arrest nr 154.039 van 23 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.039 van 23 januari 2006 in de zaak A. 145.786/VII-34.717 In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat S. HOOYBERGHS, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, Kasteelstraat 6 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 24 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 november 2003; Gelet op de beschikking van 13 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 november 2005; VII-34.717-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. RIMEZ, die, loco Advocaat S. HOOYBERGHS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  2. De verzoekende partij diende op 30 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. 1.
  3. Op 12 juli 2001 verwierp de Minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag tot regularisatie. De verzoekende partij diende hiertegen een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze zaak is bekend onder het nummer A. 109.669/E-
  4. Het beroep is nog hangende. 1.
  5. Op 25 september 2001 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. 1.
  6. Op 29 maart 2002 diende de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  7. Op 18 september 2002 verklaarde de Minister van Binnenlandse Zaken de voormelde aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk. Deze beslissing werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 4 oktober
  8. 1.
  9. Op 28 oktober 2002 diende de verzoekende partij andermaal een aanvraag om machtiging tot verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. VII-34.717-2/8 1.
  10. Op 16 januari 2003 verklaarde de Minister van Binnenlandse Zaken de voormelde aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk. Deze beslissing werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 november
  11. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt als volgt: “Artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk verbiedt betrokkene om, na de indiening van een aanvraag op basis van hogergenoemde wet nog een aanvraag in te dienen op grond van art. 9, § 3 van de wet van 15/12/80.”. 1.
  12. Op 12 juli 2003 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. De verzoekende partij diende hiertegen een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Deze zaak is bekend onder het nummer A. 139.521/XIV-16.
  13. Het beroep is nog hangende; 2.
  14. Overwegende dat ambtshalve dient te worden onderzocht of de verzoekende partij belang heeft bij het beroep tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk wordt verklaard; dat uit de door de verzoekende partij voorgebrachte stukken immers blijkt dat zij op 30 januari 2000 een regularisatieaanvraag heeft ingediend op basis van de Regularisatiewet, en dat deze aanvraag op 12 juli 2001 door de Minister van Binnenlandse Zaken werd verworpen; dat artikel 16 van de Regularisatiewet dienaangaande bepaalt dat: “De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.”; dat dit onderzoek samenhangt met de bespreking van het eerste middel; 2.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk & Schending van artikelen 10 & 11 van de grondwet,
  16. De bestreden beslissing beroept zich op artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk teneinde de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren. VII-34.717-3/8 Dit artikel bepaalt: ‘De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.’
  17. In casu heeft verzoeker op 30 januari 2000 een aanvraag tot regularisatie van zijn verblijf ingediend in toepassing van artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (onmogelijke terugkeer). (stuk 23-24) De aanvraag was niet gebaseerd op medische redenen die toen (nog) niet aanwezig waren. De aanvraag werd geweigerd bij beslissing d.d. 12 juli 2001 van de Minister van Binnenlandse Zaken. (stuk 23) Zoals blijkt uit de medische verslagen is het pas na deze weigeringsbeslissing dat de medische toestand van verzoeker dermate is verergerd zodat het hem onmogelijk werd om een aanvraag op basis van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in te dienen op de Belgische diplomatieke post in het land van herkomst. Deze medische toestand vormde een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet.
  18. In zoverre artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk zou inhouden dat een eeuwigdurend verbod wordt opgelegd om een aanvraag in te dienen op basis van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet, zelfs bij buitengewone omstandigheden die optreden na de beslechting van de aanvraag op basis van de wet van 22 december 1999, schendt dit artikel 16 alleszins artikel 10 en 11 van de Grondwet. Immers, de buitengewone omstandigheden traden slechts op na de beslechting van de aanvraag op basis van de wet van 22 december
  19. Anderzijds verhinderen deze buitengewone omstandigheden, in casu de medische toestand van verzoeker, hem om een aanvraag in te dienen op basis van artikel 9, lid 1 en 2 van de Vreemdelingenwet. Dit komt erop neer dat verzoeker geen machtiging tot verblijf meer zou kunnen aanvragen, wat enerzijds een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel, anderzijds niet de inhoud is van artikel 16 van de wet van 22 december 1999 (en evenmin de bedoeling is geweest van de wetgever) (zie stuk 26) Conclusie is dat de bestreden beslissing, door de aanvraag van verzoeker onontvankelijk te verklaren, het verzoeker onmogelijk maakt een machtiging tot verblijf aan te vragen, wat een schending van het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, inhoudt, alsmede van artikel 16 van de wet van 22 december
  20. Ondergeschikt komt het gepast voor hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Het arrest van het Arbitragehof nr. 103/2003 van 22 juli 2003 heeft op deze vraag immers niet geantwoord. (zie stuk 25).”; 2.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van het art. 16 van de Regularisatiewet dd. 22.012.1999, alsook van de artt. 10 en 11 van de Grondwet. Ter ondersteuning van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat er in casu sprake zou zijn van ‘buitengewone omstandigheden’ die ‘optraden na de beslechting van de aanvraag op basis van de Wet van 22 december 1999'. VII-34.717-4/8 De verwerende partij laat gelden dat het Arbitragehof bij arrest dd. 22.07.2003 (nr. 103/2003) heeft geoordeeld dat ‘artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffiende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (schendt)’, in zoverre het de vreemdeling die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 verbiedt daarna een aanvraag in te dienen op grond van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
  22. Het Arbitragehof oordeelde dat de onmogelijkheid om na het indienen van een regularisatieaanvraag in het kader van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 een aanvraag in te dienen op grond van het art, 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 ‘het gevolg is van een keuze inzake de te volgen procedure die door de vreemdeling zelf werd gemaakt en waarvan de gevolgen door de wet waren bepaald’, alsook dat ‘de in artikel 16 besloten maatregel van die aard is dat hij een einde kan maken aan een voortdurende indiening van nieuwe verblijfsaanvragen op grond van artikel 9, derde lid’. Het aanvoeren dat er sprake zou zijn van ‘buitengewone omstandigheden’ die ‘optraden na de beslechting van de aanvraag op basis van de Wet van 22 december 1999’ doet aan het voorgaande geen afbreuk. Gelet op het bovenstaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel niet gegrond is.”; 2.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: “Verwerende partij beroept zich in haar memorie van antwoord uitsluitend op het arrest van het Arbitragehof nr. 103/2003 van 22 juli
  24. Nochtans kan dit arrest niet worden gebruikt om het eerste middel te beoordelen. Dit arrest overweegt onder punt B.5.4.: ‘Het probleem in verband met de evenredigheid rijst in het bijzonder doordat de wetgever het in het geding zijnde verbod om een beroep te doen op artikel 9, derde lid, niet in de tijd heeft beperkt. Die bepaling kan wat dat betreft evenmin als onevenredig worden beschouwd. Enerzijds, verhindert niets immers de vreemdeling om met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsaanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; anderzijds, indien de vreemdeling onwettig in België verblijft, wordt zijn toestand niet minder onwettig door het feit dat die toestand voortduurt.’ (eigen markering) Waar enerzijds verzoeker reeds zwaar ziek was bij de ontvangst van het bevel om het grondgebied te verlaten dat hem werd betekend na de negatieve beslissing omtrent zijn regularisatieaanvraag in toepassing van de wet van 22 december 1999, en anderzijds zijn verblijf op het grondgebied tot dan werd gedoogd in toepassing van artikel 14 van deze wet van 22 december 1999, kon verzoeker geen aanvraag indienen bij de Belgische diplomatieke post in zijn land van herkomst. De ernstige ziekte van verzoeker heeft zich voorgedaan tijdens het gedogen van zijn verblijf in het Rijk. Naderhand kon hij zich, wegens zijn ziekte, onmogelijk naar Pakistan begeven om aldaar een aanvraag in te dienen op basis van artikel 9, lid 2 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  25. De overweging van het Arbitragehof dat niets de vreemdeling verhindert om, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsaanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post, gaat in casu niet op. In de omstandigheden is er wel degelijk sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.”; 2.
  26. Overwegende dat vooreerst dient te worden vastgesteld dat de bepaling van artikel 16 van de Regularisatiewet duidelijk is en niet toelaat dat er na het indienen van VII-34.717-5/8 een aanvraag op basis van de Regularisatiewet, nog een aanvraag op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet wordt ingediend; dat de tekst van artikel 16 van de Regularisatiewet duidelijk is en geen beperking in de tijd stelt met betrekking tot het verbod om een latere regularisatieaanvraag in te dienen; Overwegende dat de verzoekende partij er voorts ten onrechte van uit gaat dat het Arbitragehof zich in het arrest nr. 103/2003 van 22 juli 2003 over deze hypothese nog niet heeft uitgesproken; dat in voornoemd arrest het standpunt wordt weergegeven van M. Lopez en M. Castano Franco, verzoekers voor de Raad van State, zoals uiteengezet in hun memorie van antwoord (punt A.3.); dat daarin wordt verwezen naar de situatie van personen die “ernstig ziek (zijn), (...) (die) afkomstig (zijn) uit landen die in een crisissituatie verkeren die een terugkeer onmogelijk maakt (...) (en personen met) een onredelijk lange asielprocedure”; dat in het arrest als volgt wordt overwogen (punt B.2.): “De Raad van State vraagt het Hof of het in het geding zijnde artikel 16 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met artikel 191 ervan, in zoverre het een vreemdeling die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 niet toelaat achteraf nieuwe omstandigheden te doen gelden die de toekenning van een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9, derde lid, van de voormelde wet van 15 december 1980 verantwoorden, terwijl een vreemdeling die zich in dezelfde situatie bevindt maar die geen aanvraag heeft ingediend op grond van de voormelde wet van 22 december 1999, zulke elementen wel kan doen gelden”; Overwegende dat het Arbitragehof antwoordt dat “(h)et juist (is) dat de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 werd verworpen nadien evenmin vermag een nieuwe procedure in te leiden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, zelfs wanneer hij meent zich te kunnen beroepen op buitengewone omstandigheden die van die aard zijn dat zij kunnen verantwoorden dat hij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden niet heeft ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. Die onmogelijkheid is evenwel het gevolg van een keuze inzake de te volgen procedure die door de vreemdeling zelf werd gemaakt en waarvan de gevolgen door de wet waren bepaald” (punt B.5.3.) en dat “(d)ie bepaling (...) evenmin als onevenredig (kan) worden beschouwd. Enerzijds, verhindert niets immers de vreemdeling om, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsaanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; anderzijds, indien de vreemdeling onwettig in België verblijft, wordt zijn toestand niet minder onwettig door het feit dat die toestand voortduurt.” (punt B.5.4.); Overwegende dat uit het voormelde arrest blijkt dat voor de toepassing van artikel 16 van de Regularisatiewet het determinerend criterium is of de betrokkene al VII-34.717-6/8 dan niet een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de Regularisatiewet; dat, in bevestigend geval, dit betekent dat artikel 16 van de Regularisatiewet wordt toegepast en dit zonder onderscheid van de buitengewone omstandigheden die worden ingeroepen bij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat, gezien het Arbitragehof reeds een duidelijk antwoord heeft geformuleerd op het door de verzoekende partij aangehaalde probleem, de Raad van State overeenkomstig artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet meer verplicht is hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat bij een eventuele vernietiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 januari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk wordt verklaard, de verwerende partij niet anders vermag dan dezelfde beslissing te nemen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij geen nut kan opleveren; dat de verzoekende partij aldus geen belang heeft bij het beroep; dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is bij gebrek aan het rechtens vereiste belang, BESLUIT: Artikel
  27. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-34.717-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig januari tweeduizend en zes, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.717-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.