id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.046 Rolnummer: A. 166443/IX-5079 Zaak: Arrest 154046 - - 23/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:36 Fiche Arrest nr 154.046 van 23 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.046 van 23 januari 2006 in de zaak A. 166.443/IX-
- In zake : Ludwig VAN DER VEKEN, wonende te AALST, Hof Leeuwergem 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, die woonplaats kiest bij advocaten M. UYTTENDAELE en A. FEYT, kantoor houdende te BRUSSEL, Bronstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ludwig VAN DER VEKEN op 28 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 waarbij Catharina GEER- NAERT wordt bevorderd tot secretaris-generaal van het Ministerie van Landsverde- diging; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 december 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 16 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-5079-1/6 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die persoonlijk verschijnt, en van advocaat J. SAUTOIS die, loco advocaten M. UYTTENDAELE en A. FEYT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 3 november 2004 verschijnt een oproep tot de kandidaten voor de betrekking van secretaris-generaal bij het Ministerie van Landsverdediging. Voor deze betrekking kunnen onder meer kandideren de ambtenaren die een graad van rang 16 of 15 bekleden en die ten minste één jaar graadanciënniteit hebben. Verzoeker en Catharina Geernaert dienen hun kandidatuur in. Verzoeker is directeur-generaal bij het Ministerie van Landsverdediging, Catharina Geernaert is directeur-generaal van de dienst voor Overheidsopdrachten en Subsidies (DOS) bij de FOD Ambtenarenzaken en sinds 14 juli 1999 gedetacheerd op het kabinet van de minister van Landsverdediging waar zij de functies van adjunct- kabinetschef en kabinetschef bekleedde en sinds 2003 de functie van kabinets- directeur. 1.
- Het benoemingsdossier wordt op 20 juli 2005 voorgelegd aan de Ministerraad. In de nota aan de Ministerraad wordt de keuze voor Catharina Geernaert als volgt verantwoord : “De redenen die deze keus hebben gerechtvaardigd, zijn de volgende : enerzijds heeft de kandidate haar kandidatuur opgesteld door op uitvoerige wijze te doen uitkomen waarom zij met het profiel van de functie meent overeen te stemmen, wat al wijst op grote motivatie harerzijds; anderzijds getuigt haar veelzijdige ervaring in de openbare functie in ruime zin, waarbij zij zeer verscheiden ambten heeft uitgeoefend, van een groot aanpassingsvermogen en een zeer grote beschikbaarheid; vervolgens geeft zij eveneens blijk van een perfecte kennis van de organisatie en de werking van Defensie daar zij binnen Landsverdediging directiefuncties heeft uitgeoefend en momenteel nog altijd uitoefent; daar zij tenslotte voorts beschikt over een vrij uitgebreide professionele ervaring, is de weerhouden kandidate derhalve beter in staat om het bevoegdheidsdomein van de secretaris-generaal op zich te nemen zoals dit in de bekendmaking van vacature wordt omschreven.” IX-5079-2/6 De Ministerraad keurt op die datum het benoemingsvoorstel goed. 1.
- Bij koninklijk besluit van 10 augustus 2005 wordt Catharina Geernaert benoemd tot secretaris-generaal van het Ministerie van Landsverdediging. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 augustus 2005, tweede uitgave. Tevens wordt het besluit per aangetekende brief van 1 september 2005 betekend aan verzoeker.
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat Catharina Geernaert ervaring zal opdoen in de functie van secretaris-generaal en dat het niet denkbeeldig is dat de overheid na een vernietigingsarrest opnieuw dezelfde kandidate zal kiezen precies omwille van die ervaring; dat hij hierbij uiteenzet dat, enerzijds, de ervaring van secretaris-generaal zeer specifiek is en, anderzijds, er blijkbaar niet zwaar werd getild aan de ervaring die hijzelf in zijn huidige functie kan opdoen aangezien deze wordt bestempeld als “niet uitzonderlijk” want “voornamelijk van juridische aard”; dat de overheid zich bij een nieuwe beslissing zal steunen op de door Catharina Geernaert intussen verworven ervaring als secretaris-generaal des te reëler is doordat zij momenteel werd benoemd zonder ook maar “één draagkrachtig of geldig motief”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het vaste rechtspraak is dat de overheid geen rekening mag houden met de ervaring opgedaan ingevolge een benoeming die nadien wordt vernietigd; dat evenwel de Raad van State in bepaalde gevallen heeft beslist dat het opdoen van specifieke ervaring het risico op een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel met zich kan mee- brengen; dat het dan wel aan de verzoekende partij is om te bewijzen dat die ervaring specifiek is en dat het risico dat ermee rekening zou worden gehouden reëel is; dat, IX-5079-3/6 steeds volgens de verwerende partij, uit wat over verzoekers capaciteiten wordt gezegd blijkt dat hem uitstekende kwaliteiten worden toegekend op het vlak van management, motivatie en organisatie, grote beschikbaarheid en aanpassings- vermogen en grote kennis en inzicht in de werking van het Ministerie van Lands- verdediging; dat de aanstelling van Catharina Geernaert, die aanzienlijk ouder is dan verzoeker, de mogelijkheid dat verzoeker later in het beoogde ambt wordt benoemd niet in het gedrang brengt; dat verzoekers kwaliteiten opnieuw in aanmerking zullen komen hetzij na gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing, hetzij na verloop van jaren, zonder dat de ervaring die mevrouw Geernaert intussen heeft opgedaan “een kans heeft om in aanmerking genomen te worden op een manier die met de beginselen die uit de rechtspraak van de Raad van State blijken tegenstrijdig zou zijn”; dat verzoeker intussen de mogelijkheid heeft om de minieme achterstand in te halen die hij bij de vergelijking van de titels en verdiensten blijkt te hebben door een grotere veelzijdigheid te verwerven en “een meer afwisselend profiel voor te stellen”; dat de verwerende partij zich ook de vraag stelt of het nadeel wel persoonlijk is aangezien uit het dossier blijkt dat volgens sommigen de bestreden betrekking diende toe te komen aan een welbepaalde politieke strekking en dat het die strekking is die verzoeker tot de huidige procedure zou hebben aangezet en er hem zelfs financiële steun voor zou hebben aangeboden; dat verzoeker overigens nog over andere voor hem aantrekkelijke beroepsperspectieven blijkt te beschikken zodat zulks bevestigt dat de bestreden benoeming hem geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel toebrengt; 2.
- Overwegende dat de ervaring die een benoemde opdoet tussen het tijdstip waarop hij of zij in een betrekking wordt aangesteld en het tijdstip waarop deze aanstelling door de Raad van State wordt vernietigd, door de benoemende overheid niet in aanmerking mag worden genomen wanneer zij tot een vergelijking van de titels en verdiensten overgaat om de aldus openstaande betrekking opnieuw te begeven; dat er niet van uitgegaan mag worden dat in dezen de benoemende overheid dat toch zou doen en dat, indien zij het doet, op grond daarvan de vernieti- ging kan worden gevorderd van de nieuwe benoeming; dat voorts alle individuele bestuurshandelingen, ook benoemingen en aanstellingen, formeel gemotiveerd moeten worden krachtens de formele motiveringswet van 29 juli 1991; dat ofwel het ingevolge een eventuele vernietiging te nemen nieuw aanstellingsbesluit zelf zal dienen te vermelden waarom de keuze is gevallen op, per hypothese, de thans benoemde, ofwel dat aanstellingsbesluit zal dienen te verwijzen naar adviezen of voordrachten waarin die keuze wordt verantwoord en die aan de belanghebbenden bekend moeten zijn; dat uit die formele motivering dan eventueel ook zal moeten IX-5079-4/6 kunnen blijken welke titels en verdiensten van de benoemde, andere dan de ervaring die zij inmiddels heeft opgedaan of de wijze waarop zij de betrekking heeft waargenomen, de doorslag geven; dat indien men van oordeel is dat ervaring opgedaan ten gevolge van een, bij hypothese, onwettige benoeming nadien niet in aanmerking kan worden genomen, juist omdat ze op onregelmatige wijze is verworven, het van geen belang is of die ervaring nu al dan niet specifiek is; dat verzoeker in zijn verzoekschrift aanvoert dat de ervaring verbonden aan de functie van secretaris-generaal zeer specifiek is doch hierbij geen nadere toelichting verstrekt; dat overigens uit de vergelijking van de functieomschrijving van de secretaris-generaal, zoals die blijkt uit de oproep tot de kandidaten en het bestreden besluit, met de taakomschrijving van de onderstafchefs en de directeurs-generaal van het algemeen commando zoals opgesomd in artikel 12 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vastlegging van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten, blijkt dat de bevoegdheden van deze laatsten in identiek dezelfde bewoordingen worden omschreven, terwijl in voornoemd koninklijk besluit geen sprake is van een secretaris-generaal; dat ook uit artikel 8, § 3, van hetzelfde besluit blijkt dat de secretaris-generaal niet de hoogste ambtenaar van het departement is aangezien in artikel 8, § 1, de “chef defensie” als de hoogste autoriteit die onder de minister ressorteert, wordt aangewezen en dat die “chef defensie” luidens artikel 8, § 3, derde lid, verantwoordelijk is voor het beheer en de administratie van het departement; dat verzoeker derhalve ook bezwaarlijk het ontberen van specifieke ervaring kan inroepen, zodat de bestreden beslissing hem geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5079-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig januari 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5079-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.046 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.