id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.099 Rolnummer: A. 169618/X-12663 Zaak: Arrest 154099 - - 24/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-31 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:37 Fiche Arrest nr 154.099 van 24 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.099 van 24 januari 2006 in de zaak A. 169.618/X-12.
- In zake : Michel DE MOOR, die woonplaats kiest bij Advocaat K. ROELANDT, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Peter RODRIGUES, Museumlaan 14, 9831 DEURLE. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Michel DE MOOR op 20 januari 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 8 december 2005 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Peter RODRIGUES voor het Museum DHONT-DHAENENS de vergunning wordt verleend tot het oprichten van een paviljoen (plaatsen kunstwerk) op een terrein gelegen te Sint-Martens-Latem, deelgemeente Deurle, Museumlaan 14, kadastraal bekend 2de afdeling, sectie A, nr. 161B; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 januari 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. ROELANDT die verschijnt voor verzoeker, van Bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST die verschijnt X-12.663-1/6 voor de verwerende partij, en van Advocaat P. PRAET die loco Advocaat Ch. POPPE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Peter RODRIGUES met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat, wat de juiste toedracht van het bestreden besluit betreft, op het eerste gezicht niet kan worden betwijfeld dat het voorwerp van het beroep het besluit betreft van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 december 2005 waarbij aan Peter RODRIGUES voor het Museum DHONT-DHAENENS de stedenbouwkundige vergunning voorwaardelijk wordt verleend tot het oprichten van een paviljoen (plaatsen kunstwerk) op een terrein gelegen te 9831 Sint-Martens-Latem, deelgemeente Deurle, Museumlaan 14, kadastraal bekend 2de afdeling Sectie A, nr. 161B, "mits het gebruik van het gebouw afgestemd wordt op de voorwaarden vermeld in het advies van de brandweer van Gent dd. 4 augustus 2004"; dat ook de verwerende partij dit in die zin lijkt te hebben begrepen; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid terzake van de verwerende partij niet wordt bijgetreden; Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwisten; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten X-12.663-2/6 beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoeker uiteenzet dat de bezoekers van het museum, wanneer de betreffende parking die plaats biedt aan ca 25 wagens volzet is, hun voertuigen parkeren voor de woning van verzoeker en in de voortuinen van de omwonenden, dat de plaatsing van het paviljoen een kwalitatieve vooruitgang van de museale functie beoogt en dus normaliter bijkomende toeschouwers zal lokken, dat zelfs met een beperkte toename van het aantal bezoekers, de aantasting van de woonkwaliteit van verzoeker zeer ernstig zal zijn, dat "De bestaande 'parking' (...) nu al volzet is, zodat bij een beperkte toename van voertuigen, de groene bermen van verzoekende partij noodgedwongen dienst zullen doen als parkeerplaats en zijn woning zal 'omsingeld' worden met 'wild' geparkeerde voertuigen (...). Dit gedurende elk weekend van de zomer! Een dergelijke hinder is dan ook geenszins nog 'sporadisch' te noemen en wordt uitermate ernstig. Niet enkel is het uitzicht op wild geparkeerde voertuigen in de voortuin uitermate onaangenaam, ook de slaande deuren, het manoeuvreren van de voertuigen zullen een constante drukte creëren en tevens zorgen voor ernstige lawaaihinder. De bestuurders moeten uitstappen het geen lawaaihinder van dichtslaande deuren, pratende mensen, radio's en claxons veroorzaakt. Het woonklimaat van verzoekende partij zal ontegensprekelijk op ernstige wijze worden aangetast."; dat hij voorts uiteenzet dat volgens het museum DHONDT-DHAENENS het paviljoen dient om het hoofdgebouw te 'ontlasten', dat het rechtstreekse gevolg van deze 'ontlasting' is dat de beschikbare ruimte in het hoofdgebouw wordt uitgebreid, dat het vermoeden zeer reëel is dat de ruimte die vrijkomt in het hoofdgebouw voor semi-commerciële activiteiten zal worden aangewend, met een stijgend aantal bezoekers tot gevolg; dat hij voorts uiteenzet dat in casu bij de beoordeling van het ernstig karakter van de verstoring van het woonklimaat van verzoeker niet kan worden voorbijgegaan aan de gewestplanbestemming, dat te dezen verzoeker woont in een woonparkgebied waar het niet meer dan normaal lijkt dat de tolerantiedrempel, wat betreft mobiliteits- en lawaaihinder, lager komt te liggen dan in gewoon woongebied, dat de aantasting van het woonklimaat ingevolge het "wild" parkeren in de voortuin van verzoeker, zeer ernstig is; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de bestreden vergunning de oprichting betreft van een paviljoen in de tuin van het museum Dhondt-Dhaenens aan de Museumlaan te Sint-Martens-Latem; dat dit X-12.663-3/6 paviljoen bestaat uit twee boven elkaar geplaatste volumes en staat opgesteld op palen op een niveau van 0,80 m boven het terrein; dat het doel van de vergunde constructie is een uitbreiding te zijn van de reeds gevestigde museumfunctie; dat voorts uit de gegevens van de zaak blijkt dat het museum enkel toegankelijk is via de Museumlaan; dat het museum niet beschikt over eigen parkeerplaatsen; dat het doodlopend gedeelte van de Museumlaan dat uitmondt op het bouwperceel thans wordt gebruikt als parking en plaats biedt aan ongeveer 25 personenwagens; dat vrijwel onmiddellijk aansluitend op deze parking verzoekers woning is gesitueerd; Overwegende dat verzoeker in essentie parkeeroverlast en vandaar aantasting van zijn woonklimaat aanvoert, gekoppeld aan de gewestplanbestemming "woonpark" en dus een lagere tolerantiedrempel; dat uit verzoekers betoog en uit de door hem bijgebrachte foto's blijkt dat het door hem ingeroepen nadeel van parkeeroverlast geen nieuw fenomeen is; dat evenwel kan worden aangenomen dat de omstandigheid dat een constructie wordt vergund in een omgeving waar reeds blijkbaar een tekort aan parkeerplaatsen bestaat, niet vermag in te houden dat verzoeker geen ernstig nadeel meer kan ondergaan ten gevolge van deze parkeerproblematiek, derwijze dat verzoeker zich aldus zou dienen neer te leggen bij om het even welke navolgende stedenbouwkundige vergunning; dat het evenwel bij een reeds bestaand nadeel aan verzoeker toekomt aan te tonen dat de oprichting van de bestreden constructie de reeds bestaande parkeeroverlast dermate verergert dat kan worden aangenomen dat deze hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te veroorzaken; dat wat het aannemelijk maken hiervan betreft, zo weliswaar van een verzoeker niet kan worden verwacht worden dat hij op gedetailleerde wijze de bestaande parkeeroverlast aantoont, niet kan worden aangenomen dat als verzoeker zelf de verergering van een bestaande hinder of nadeel zoals te dezen het "wild parkeren", ter sprake brengt, hij dit niet op concrete wijze zou moeten staven; dat hij inzonderheid duidelijkheid moet scheppen omtrent de bestaande toestand en de ernst van de thans bestaande overlast; dat anders de Raad het betoog niet op zijn merites kan toetsen; Overwegende dat verzoeker' s betoog inzake het nadeel betrokken op de parkeeroverlast, in essentie kan worden herleid tot twee punten; dat hij enerzijds aanvoert dat mag worden verwacht dat de geplande uitbreiding van het museum bijkomende toeschouwers zal lokken derwijze dat zelfs een beperkte toename van het aantal bezoekers zijn woonkwaliteit zal aantasten aangezien de bestaande parking nu al volzet is; dat hij anderzijds de vrees uit dat met het nieuwe X-12.663-4/6 paviljoen de beschikbare ruimte in het hoofdgebouw zal worden uitgebreid waarbij die zal kunnen worden aangewend voor semi-commerciële activiteiten met een stijgend aantal bezoekers tot gevolg; Overwegende dat wat het eerste aspect betreft, de verzoeker een aantal foto's overlegt waaruit de bestaande parkeeroverlast ingevolge het volzet zijn van de parking zou moeten blijken; dat enerzijds sommige van deze overgelegde foto's overduidelijk niet doen blijken dat de thans bestaande parking overvol of volzet is; dat anderzijds bepaalde bijgebrachte foto's weliswaar getuigen van parkeeroverlast, doch dat geen van deze foto’s geduid worden naar tijd noch naar welke activiteit of tentoonstellingsproject ook georganiseerd door het museum; dat de overgelegde stukken niet aannemelijk maken dat de bestaande parking thans al derwijze volzet is dat "een beperkte toename van voertuigen, de groene bermen van verzoekende partij noodgedwongen dienst zullen doen als parkeerplaats en zijn woning zal 'omsingeld' worden met 'wild' geparkeerde voertuigen (...) dit gedurende elk weekend van de zomer"; dat wat het tweede aspect stelt, de verzoeker daarenboven niet aannemelijk maakt dat - aangenomen dat het paviljoen het hoofdgebouw ontlast zodat de beschikbare ruimte in het hoofdgebouw wordt uitgebreid - een eventuele stijging van bezoekers door die verschuiving van functies binnen het hoofdgebouw kan worden aanzien als rechtstreeks voortvloeiend uit de thans bestreden beslissing; dat uit de uiteenzetting van de verzoeker niet kan worden afgeleid dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Peter RODRIGUES in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-12.663-5/6 Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig januari 2006, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.663-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.099 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.