id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.133 Rolnummer: A. 124406/XIV-10984 Zaak: Arrest 154133 - - 25/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 08:37 Fiche Arrest nr 154.133 van 25 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.133 van 25 januari 2006 in de zaak A. 124.406/XIV-10.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. DE GROOTE, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 december 1976 en van Nepalese nationaliteit, op 24 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 27 juni 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 2 december 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 december 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.984-1/10 Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 november 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat G. DE GROOTE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 14 februari 2002 en verklaart zich vluchteling op 15 februari
- 1.
- Op 25 februari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 juni 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Nepalese nationaliteit te hebben, geboren te zijn te Nowakot en daar ook te wonen. Sinds 02/05/2056 (18/08/1999) zou u actief Maobadi gesteund hebben. U zou culturele prog(r)amma’s bijgewoond hebben en propaganda gevoerd hebben voor de partij. Op 10/06/2057 (26/09/2000) zou u samen met Dawa, Thering en Mahesh Tamang naar Gyalthum gegaan zijn om propaganda te voeren voor de partij. U zou er door de politie gearresteerd zijn en naar het politiekantoor van Melanchi gebracht zijn. Vandaar zou u echter dezelfde dag nog overgebracht zijn naar het districtspolitiekantoor te Bidur, waar u 21 dagen zou vastgehouden zijn. U zou eveneens beschuldigd zijn van de maobadi-aanval op het Bhairab politiekantoor te Thakarpa die op 01/04/2057 (16/07/2000) zou plaatsgevonden hebben. Toen u overgebracht werd naar het districtspolitiekantoor zou uw oom gezien hebben dat u vastgehouden werd. Hij XIV-10.984-2/10 zou een advocaat voor u geregeld hebben. Met de hulp van uw advocaat en oom, die 28500 roepies zou betaald hebben, zou u op 01/07/2057 (17/10/2000) vrijgelaten zijn. Op 10/09/2057 (25/12/2000) zou u als zanger deelgenomen hebben aan een cultureel programma in Singhalam. U zou daar, samen met zes anderen, gearresteerd zijn en meegenomen zijn naar het districtspolitiekantoor te Bidur, waar u acht dagen zou vastgehouden zijn. Uw dossier zou naar het Chief District Office te Bidur (Nowakot) gestuurd zijn, waarna u veroordeeld zou zijn tot 10 maanden gevangenisstraf. U zou uw straf uitgezeten hebben in de districtsgevangenis van Nowakot te Bidur. Vervolgens zou u op 03/10/2058 (16/01/2002) deelgenomen hebben aan een fakkeltocht die georganiseerd werd door Maobadi. U zou die dag opnieuw door de politie gevat zijn, maar erin geslaagd zijn te ontsnappen door uw pols te draaien en u op die manier te onttrekken aan de greep van de politieman die u arresteerde. U zou daarop naar huis gegaan zijn en uw moeder zou u gezegd hebben naar uw oom in India te gaan. Via Goan Kharka, Trishuli en Munghin zou u naar Sunauli gegaan zijn. In Sunauli zou de politie u nog gecontroleerd hebben alvorens u Nepal verliet. Ze zouden u echter zonder problemen doorgelaten hebben. Van daaruit zou u naar Gorakhpur gegaan zijn en van daar naar Delhi, waar u op 14/02/2002 zou aangekomen zijn. Dezelfde dag nog zou u naar Brussel doorgereisd zijn. Op 15/02/2002 vroeg u asiel aan. Ter staving van uw asielrelaas legde u volgende documenten voor: uw identiteitskaart en certificaten van verschillende cursussen en trainingen (computer, toerisme, voetbal en karate). Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt waaruit blijkt dat er wat u betreft ernstige aanwijzingen zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Met betrekking tot uw verklaringen over uw politiek engagement kan gesteld worden dat uw politieke activiteiten in uw land van herkomst eerder beperkt zijn. U zou weliswaar deelgenomen hebben aan culturele programma’s van de partij en propaganda gevoerd hebben, maar uit uw verklaringen kan bezwaarlijk opgemaakt worden dat u een voorname functie binnen de partij had. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de problemen die u aanhaalt zich op lokaal vlak situeren en zich beperken tot problemen met lokale overheden. Bovendien is het bevreemdend dat u geen enkel document voorlegt die (dat) deze problemen kunnen (kan) staven. Zo blijkt immers uit uw verklaringen dat u zowel in het bezit was van een document in verband met de recht(s)zaak die tegen u zou gevoerd zijn (zie verhoorverslag CGVS p. 8) als van een krantenartikel waarin naar uw problemen zou verwezen worden (zie verhoorverslag CGVS p. 10). Voorts is het bevreemdend dat u, gezien u kon rekenen op de tussenkomst van een advocaat bij uw eerste detentie, geen beroep heeft gedaan op uw advocaat om de nodige documenten te bekomen. Gezien uw eerder beperkt politiek engagement en de aard van de door u aangevoerde problemen kan daarenboven, in het licht van informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt niet aangenomen worden dat u in de huidige Nepalese context zou gezocht worden op nationaal vlak (bron: Missierapport Nepal dd. maart 2002, p. 33, Missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van CEDOCA, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat- generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen; actualisatie Missierapport Nepal, nota CEDOCA, dd. 07/06/02). Bovendien maakt u zelf ook niet aannemelijk dat u niet elders in Nepal zou kunnen verblijven om op deze manier de door u voorgehouden problemen die zich op lokaal vlak situeren, te ontlopen. De reden die u daarvoor aanhaalt, met name het feit dat u helemaal nieuw zou zijn in een stad als Kathmandu is immers geen afdoende verklaring voor het feit dat u zich niet elders in Nepal zou kunnen vestigen. U verklaarde weliswaar dat u in heel Nepal gezocht wordt, maar u heeft daar geen enkel bewijs van, noch brengt u enig concreet element aan dat die bewering kan ondersteunen. Bovendien ondermijnt uw verklaring betreffende het feit dat u bij de grensovergang gecontroleerd werd door de Nepalese politie en deze u zonder problemen doorliet de door u aangehaalde vervolging door de Nepalese autoriteiten ernstig. Verder verklaarde u hierbij dat de Nepalese autoriteiten niet weten dat u maoïst bent (zie verhoorverslag CGVS p. 3). Deze verklaringen brengen uw bewering in verband met het feit dat u nationaal zou gezocht worden door de Nepalese overheid dan ook ernstig in het gedrang. Vermits uit uw verklaringen blijkt dat u herhaaldelijk gearresteerd werd, lijkt het in het licht van deze verklaring immers hoogst onwaarschijnlijk dat de Nepalese autoriteiten u zonder meer zouden doorlaten indien ze daadwerkelijk op nationaal vlak naar u op zoek zouden zijn. Voorts dient te worden opgemerkt dat een aantal tegenstrijdige verklaringen de geloofwaar- digheid van uw asielrelaas ondermijnen. Zo verklaarde u tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal (CGVS) dat u toen u op 10/06/2057 (26/09/2000) gearresteerd werd naar het politiekantoor van Melanchi gebracht werd en dat u dezelfde dag nog overgebracht werd naar het districtspolitiekantoor te Bidur. Deze overbrenging bracht u eerder tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) echter niet ter sprake. Het is nochtans die overplaatsing naar een ander politiekantoor die u - tijdens het verhoor op het CGVS - in verband brengt met uw oom; deze zou toen gemerkt hebben dat u vastgehouden werd. Uit uw verklaringen op het CGVS blijkt vervolgens dat uw oom een voorname bemiddelingsrol speelde bij uw vrijlating doordat hij een advocaat in(ge)schakelde. Tijdens uw verhoor op de DVZ bracht u echter noch de bemiddeling van uw oom, noch de tussenkomst van een advocaat ter XIV-10.984-3/10 sprake in het kader van uw vrijlating. U zei toen dat u werd vrijgelaten omdat ze geen bewijs gevonden hadden van uw medeplichtigheid aan de aanslag, noch van uw lidmaatschap van de Maobadi. Ook verklaarde u op de DVZ dat u samen met Mahesh Tamang in één cel opgesloten werd, terwijl de twee anderen in aparte cellen opgesloten werden (zie verhoorverslag DVZ p. 12). Tijdens uw verhoor in dringend beroep verklaarde u daarentegen dat de twee anderen ook samen in één cel opgesloten werden (zie verhoorverslag CGVS, p.7). Deze tegenstrijdige verklaringen en omissies betreffen de kern van uw asielrelaas daar zij betrekking hebben op uw beide arrestaties en detenties. Door deze tegenstrijdige verklaringen en omissies wordt de geloofwaardigheid van uw beweringen in verband met deze feiten enigszins aangetast. De documenten die u voorlegde zijn niet van die aard dat ze afbreuk doen aan bovenstaande vaststellingen daar zij enkel uw identiteit en gevolgde opleidingen staven maar op geen enkele manier uw voorgehouden problemen kunnen staven. (...).”.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de brief van 24 november 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat er op 16 december 2002 een afvoering van ambtswege plaatsvond; dat dit tot bewijs van het tegendeel betekent, dat de verzoekende partij ofwel vertrokken is en het land heeft verlaten, ofwel verblijft op een onbekend adres; dat deze brief aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen; dat in casu de Advocaat van de verzoekende partij ter zitting een stuk neerlegt waarin het adres van de verzoekende partij wordt vermeld; dat de Advocaat bijgevolg de informatie heeft verstrekt waarom werd gevraagd; dat het toekomt aan de Advocaat van een verzoekende partij zijn mandaat ter terechtzitting te bewijzen met concrete, geactualiseerde en controleerbare gegevens, rekening houdend met de eigenheid van het Vreemdelingencontentieux en met de mobiliteit van de asielzoekers; dat in casu blijkt dat de verzoekende partij sedert 16 december 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft in het Rijk, zodat de Advocaat als medewerker van het gerecht moet aantonen dat zijn cliënt nog steeds in het Rijk verblijft; dat dit gegeven het voorwerp uitmaakt van een uitdrukkelijke vraagstelling, die gevoegd wordt bij het vaststellingsbericht en die werd beantwoord door de Advocaat van de verzoekende partij bij fax van 28 november 2005;
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van “de motiveringsplicht”; van “het beginsel van de fairplay en (...) van het zorgvuldigheids- beginsel”; van het artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van de artikelen 48, 49 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd; dat verzoeker stelt dat het feit dat hij geen belangrijke functie XIV-10.984-4/10 uitoefent binnen de partij, niet relevant is om te oordelen of er in zijn hoofde al dan niet sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker uiteenzet dat de Nepalese overheden hun jacht op de Maobadi uitvoeren op het hele Nepalese grondgebied, en dat hij het document dat bevestigt dat hij werd vrijgelaten uit de gevangenis, uit veiligheidsoverwegingen heeft weggegooid; dat verzoeker betoogt dat er wel degelijk een krantenartikel is verschenen waarin hij met naam en toenaam werd vernoemd; dat verzoeker aanvoert dat hij in heel Nepal wordt gezocht, en dat hij bijgevolg ook in Kathmandu niet veilig is; dat verzoeker stelt dat er bij de grensovergang geen identiteitscontrole werd uitgevoerd, doch enkel een routinecontrole van de bagage; dat verzoeker betoogt dat de Commissaris-generaal deze verklaring ten onrechte in verband brengt met andere verklaringen van verzoeker, en er foutieve gevolgen uit afleidt, die worden tegengesproken door informatie waarover verzoeker beschikt; dat verzoeker uiteenzet dat de bestreden beslissing slechts één bron aangeeft waaruit zou blijken dat verzoeker geen problemen heeft in Nepal, maar dat er geen voorbeelden worden gegeven van de andere “informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt”; dat verzoeker aanvoert dat de enige bron waarnaar het Commissariaat-generaal verwijst, zijnde een rapport van de missie naar Nepal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, met de nodige omzichtigheid moet worden bekeken, vermits het uitgaat van een politiek orgaan, zodat het niet is uitgesloten dat dit rapport is “gekleurd”; dat verzoeker stelt dat de zogenaamde tegenstrijdigheden waarnaar de bestreden beslissing verwijst, eigenlijk geen tegenstrijdigheden zijn; dat verzoeker uiteenzet dat hij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken niet in detail is ingegaan op de overbrenging van Melanchi naar Bidur, op het feit dat hij is vrijgelaten met de hulp van zijn oom en zijn Advocaat, noch op de betaling van 28.500 roepies door zijn oom, omdat hem dienaangaande geen gedetailleerde en diepgaande vragen werden gesteld; dat verzoeker aanvoert dat hij zich evenmin heeft tegengesproken wat betreft het verblijf van de anderen in aparte cellen; dat verzoeker tenslotte stelt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor het statuut van politieke vluchteling, vermits hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie, en van de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2)van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat dit onderdeel van het enig middel niet tot de nietigverkla- ring van de bestreden beslissing kan leiden; XIV-10.984-5/10 Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvank- elijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat: - de politieke activiteiten van verzoeker in zijn land van herkomst eerder beperkt zijn; uit verzoekers verklaringen kan bezwaarlijk worden opgemaakt dat hij een belangrijke functie bekleedde binnen de partij; - de problemen die verzoeker aanhaalt zich situeren op lokaal vlak en zich beperken tot problemen met lokale overheden; het is bovendien bevreemdend dat verzoeker geen enkel document voorlegt die deze problemen kunnen staven; uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij in het bezit was van een document in verband met de rechtszaak die tegen hem zou zijn gevoerd, alsook van een krantenartikel waarin naar zijn problemen zou worden verwezen; - gezien het beperkt politiek engagement van verzoeker en de aard van de door hem aangevoerde problemen, niet kan worden aangenomen dat hij wordt gezocht op nationaal vlak; - verzoeker het niet aannemelijk maakt dat hij niet elders in Nepal zou kunnen verblijven om aan zijn problemen op lokaal vlak te ontsnappen; de reden die verzoeker daarvoor aanhaalt, met name het feit dat hij helemaal nieuw zou zijn in een stad als Kathmandu, vormt geen afdoende verklaring; - verzoeker verklaart dat hij in heel Nepal wordt gezocht, maar geen enkel concreet element aanbrengt die deze bewering ondersteunt; Overwegende dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk XIV-10.984-6/10 karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoekers verklaring dat hij bij de grensovergang werd gecontroleerd door de Nepalese politie en dat deze hem zonder problemen doorliet, de door hem aangehaalde vervolging door de Nepalese autoriteiten ondermijnt; dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de Nepalese autoriteiten verzoeker zonder meer zouden doorlaten indien ze daadwerkelijk op nationaal vlak naar hem op zoek zouden zijn; - verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij, toen hij op 10 juni 2057 (26/09/2000) werd gearresteerd, naar het politiekantoor van Melanchi werd gebracht en dat hij nog dezelfde dag werd overgebracht naar het districtspolitiekantoor te Bidur; deze overbrenging bracht verzoeker tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken echter niet ter sprake, hoewel hij deze overplaatsing, tijdens het verhoor op het Commissariaat- generaal, in verband bracht met zijn oom, die, luidens verzoekers verklaringen op het Commissariaat-generaal, een voorname bemiddelingsrol speelde bij zijn vrijlating doordat hij een advocaat inschakelde; tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken bracht verzoeker echter noch de bemiddeling van zijn oom, noch de tussenkomst van een advocaat ter sprake in het kader van zijn vrijlating; verzoeker verklaarde toen dat hij werd vrijgelaten omdat men geen bewijs had gevonden van zijn medeplichtigheid aan de aanslag, noch van zijn lidmaatschap van de Maobadi; - verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij samen met Mahesh Tamang in één cel werd opgesloten, terwijl de twee anderen in aparte cellen werden opgesloten; tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal verklaarde hij daarentegen dat de twee anderen samen in één cel werden opgesloten; - deze tegenstrijdige verklaringen en omissies de kern betreffen van verzoekers asielrelaas; door deze tegenstrijdige verklaringen en omissies wordt de geloofwaardigheid van verzoekers beweringen aangetast; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift de feiten in zijn verschillende verklaringen tracht te nuanceren en een verklaring post factum geeft; dat dit evenwel geen afbreuk doet aan de vaststellingen in de bestreden beslissing; Overwegende dat verzoeker een rapport aanhaalt van Amnesty International van april 2002 over Nepal, een rapport van het “US Department of State”, van maart 2002, en een persbericht van Amnesty International van 7 mei 2002, om aan te tonen dat de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, met name het Missierap- port Nepal van CEDOCA van maart 2002, en een nota van CEDOCA van 7 juni 2002, niet zou volstaan; dat de rapporten waarnaar verzoeker verwijst, melding maken van een XIV-10.984-7/10 vervolging van leden van de Maobadi-partij; dat de Commissaris-generaal in zijn beslissing overweegt dat de politieke activiteiten van verzoeker eerder beperkt zijn en dat de problemen van verzoeker zich op lokaal vlak situeren, en dat daarnaast een aantal tegenstrijdige verklaringen de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ondermijnen; dat de verwijzing naar de rapporten geen afbreuk doet aan de individuele situatie van verzoeker die in de bestreden beslissing op gedetailleerde wijze werd onderzocht; Overwegende dat verzoeker in verband met het CEDOCA-rapport passages aanhaalt waaruit zou blijken dat de Nepalese autoriteiten daadwerkelijk jacht maken op leden van de Maobadi-partij, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen gewone leden, belangrijke leden en sympathisanten, dat deze jacht zich uitstrekt over het ganse Nepalese grondgebied, dat sedert november 2002 de noodtoestand is afgekondigd en dat er een groot aantal uitzonderingswetten werden uitgevaardigd, waarbij aan de lokale politiehoofden uitgebreide arrestatiebevoegdheden werden toegekend, en, dat de Maobadi als terroristen worden aanzien, met alle gevolgen van dien; dat het evenwel niet volstaat te verwijzen naar fragmenten van algemene aard zonder deze te betrekken op zijn persoonlijke toestand; dat CEDOCA een onafhankelijke en officiële Belgische documentatie- en onderzoeksdienst is en dat de informatie die in het rapport en in de nota worden vermeld, afkomstig is van o.m. de Britse en de Duitse Ambassade, van “The National Human Rights Commission (NHRC)”, van het “Informal Sector Service Centre (INSEC)”, en van Amnesty International; dat al deze bronnen tot dezelfde conclusie komen, met name dat de vervolging van Maoïsten door de Nepalese overheid niet als systematisch kan worden beschouwd; dat de “low profile Moabadi”, met name de sympathisanten en de kleine leden die geen leidinggevende functie uitoefenen binnen de partij, geen risico lopen op vervolging op nationaal niveau, en dat zij gebruik kunnen maken van het interne vluchtalternatief teneinde de lokale politie te ontwijken; Overwegende dat, wat de tegenstrijdigheden betreft, de Commissaris- generaal in casu op goede gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaar- digheid van het asielrelaas van verzoeker ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die steun vinden in de door verzoeker afgelegde verklaringen in het administratief dossier, op omstandige wijze worden weergegeven in de bestreden beslissing; dat wordt vastgesteld dat verzoeker een gedeelte van de tegenstrijdigheden nuanceert of minimaliseert, maar dat hij ze niet weerlegt; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal een beslissing zou hebben genomen die steunt op onjuiste feiten of die onwettig is; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat dit onderdeel van het enig middel ongegrond is; XIV-10.984-8/10 Overwegende dat de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kunnen worden aangevoerd aangezien artikel 48 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling “die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden”, als vluchteling kan worden erkend; dat dit artikel niet toepasselijk is op verzoeker, en dat artikel 49 van dezelfde wet betrekking heeft op de reeds erkende vluchteling, wat in casu niet het geval is; Overwegende dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij de Commissaris-generaal een gebrek aan zorgvuldigheid en een schending van het fair play- beginsel ten grieve duidt; dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris-generaal de verplichting oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd gehoord op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om, ter gelegenheid van deze verhoren, alle inlichtingen te verschaffen die hij noodzakelijk achtte; dat verzoeker, door de ondertekening van de verhoorverslagen, te kennen gaf dat zij overeenstemmen met de gegevens die hij heeft verstrekt, en dat deze gegevens oprecht zijn; dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissing pas heeft genomen na kennis te hebben genomen van het asielrelaas van verzoeker en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat verzoeker daarenboven nalaat concreet aan te tonen welke elementen van zijn relaas niet met de vereiste zorgvuldigheid werden onderzocht; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden; dat, waar verzoeker een schending aanvoert van het fair play-beginsel, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van het beginsel dat hij geschonden acht, zonder aan te duiden op welke wijze dit beginsel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden; dat verzoeker nalaat dit beginsel concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aantoont dat de bestreden beslissing onwettig is; dat dit onderdeel van de middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-10.984-9/10 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.984-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div