id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.143 Rolnummer: A. 162417/X-12302 Zaak: Arrest 154143 - - 25/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-07 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:38 Fiche Arrest nr 154.143 van 25 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.143 van 25 januari 2006 in de zaak A. 162.417/X-12.302. In zake : Lode VEREECKE, die woonplaats kiest bij Advocaat I. LIETAER, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Rooseveltplein 1 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Carlos DEPOORTERE, die woonplaats kiest bij Advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te 8420 DE HAAN, Mezenlaan 9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lode VEREECKE op 5 mei 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 10 maart 2005 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende intrekking van het besluit van de bestendige deputatie van 12 februari 2004 en waarbij aan Carlos DEPOORTERE de vergunning wordt verleend tot wijziging van de verkavelingsvergunning op een perceel gelegen aan de Fazantenstraat 13 te Harelbeke, kadastraal bekend 3de Afdeling, Sectie D, nr. 1433 a2; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2005; X-12.302-1/16 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LIETAER die verschijnt voor verzoeker, van Adjunct-adviseur S. VANPARYS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. BOUVE die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; 1. Overwegende dat de heer Carlos DEPOORTERE met een verzoekschrift van 31 mei 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 2. Overwegende dat de tussenkomende partij op 28 februari 2003 een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verkavelingsvergunning van 3 december 1980, met betrekking tot een perceel gelegen te Harelbeke, Fazantenstraat 13, kadastraal bekend onder de 3de Afdeling, Sectie D, nr. 1433 a2; dat de aangevraagde wijziging betrekking heeft op de kroonlijsthoogte en de nokhoogte, de mogelijkheid van dakoversteken en van een plat dak, en de mogelijkheid tot het bouwen van een tuinhuis; Overwegende dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek een bezwaar is ingediend door de verzoeker; dat over de aanvraag een ongunstig advies is gegeven door de gemachtigde ambtenaar; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke op 3 september 2003 de gevraagde wijziging geweigerd heeft; dat de tussenkomende partij tegen deze beslissing beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie op 12 februari 2004 het beroep ontvankelijk en gegrond heeft verklaard, en de gevraagde wijziging heeft toegestaan; dat tegen dit besluit door de verzoeker een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring zijn X-12.302-2/16 ingesteld; dat het bedoelde besluit door de Raad van State bij arrest nr. 135.631 van 1 oktober 2004 is geschorst; Overwegende dat de bestendige deputatie op 10 maart 2005 het besluit van 12 februari 2004 heeft ingetrokken en, opnieuw uitspraak doende over het door de tussenkomende partij ingestelde beroep, dat beroep andermaal ontvankelijk en gegrond heeft verklaard, en de gevraagde wijziging heeft toegestaan; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering tot schorsing; Overwegende dat ter zitting is medegedeeld dat het college van burgemeester en schepenen op 30 juni 2005 aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning heeft afgegeven; dat deze vergunning het voorwerp vormt van een afzonderlijke vordering tot schorsing en een afzonderlijk beroep tot nietigverklaring; 3. Overwegende dat door de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering wordt opgeworpen, afgeleid uit het ontbreken van een actueel belang in hoofde van de verzoeker; Overwegende dat de verzoeker bewoner en eigenaar is van een woning die direct paalt aan het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft; dat hij om die reden alleen al doet blijken van het rechtens vereiste belang; dat voorts het bestreden besluit in hoofde van de verzoeker griefhoudend is, al was het maar omdat het de noodzakelijke en rechtstreekse rechtsgrond vormt voor de stedenbouwkundige vergunning voor bouwwerken die op grond van de voorschriften van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning niet vergunbaar zouden zijn; dat de exceptie derhalve niet kan worden aangenomen; 4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-12.302-3/16 5. Overwegende dat de verzoeker een eerste middel aanvoert, afgeleid uit de onregelmatigheid van de voor de bestendige deputatie gevolgde procedure; dat in het middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52, § 3, tweede lid, 53, § 3, en 55, § 2, laatste lid (sic), van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en voor zoveel als nodig tevens van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de regels inzake de bevoegdheid van de stellers van het bestreden besluit, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel; dat wordt aangevoerd dat het bestreden besluit mede steunt op stukken die na het afsluiten van het openbaar onderzoek bij het dossier gevoegd werden, met name faxberichten van 12 en 20 mei 2003 van de ontwerper en een verduidelijkende stukkenbundel; dat daardoor de regels inzake het openbaar onderzoek zijn geschonden; dat in zoverre de bedoelde stukken pas in het stadium van de procedure in beroep bij het dossier zijn gevoegd, tevens afbreuk is gedaan aan de bevoegdheid van het College van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke om in eerste aanleg over de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning uitspraak te doen; Overwegende dat de verzoeker niet aanvoert dat het voorwerp zelf van de aanvraag is gewijzigd; Overwegende dat uit de door de partijen overgelegde dossiers blijkt dat faxberichten op 12 en 20 mei 2003 door de architect van de tussenkomende partij aan de stad Harelbeke zijn gezonden; dat het administratief dossier van de verweerster voorts een bundel met verduidelijkende stukken bevat, met "schaduwsimulaties, bijkomende motiveringen en argumentatie, uitgebreide fotoreportage en verduidelijkende plannen"; dat de stukken van die bundel in de loop van de procedure in beroep bij de bestendige deputatie zijn terechtgekomen; Overwegende dat geen van de in het middel aangehaalde bepalingen of beginselen de overheid, die in eerste aanleg of in beroep belast is met het onderzoek van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, verbiedt om acht te slaan op stukken die in de loop van de procedure door de aanvrager worden ingediend, tot staving van de aanvraag of ter weerlegging van de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn gemaakt; dat de betrokken overheid ook niet verplicht is om die stukken ter kennis te brengen van de personen die een bezwaar hebben ingediend; dat de procedure voor het college van burgemeester en schepenen en, in X-12.302-4/16 beroep, voor de bestendige deputatie, immers niet contradictoir verloopt ten opzichte van degenen die tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar hebben ingediend, ook al is de betrokken overheid verplicht om op de ingediende bezwaren te antwoorden; Overwegende dat het eerste middel niet gegrond lijkt; 6. Overwegende dat de verzoeker een tweede middel aanvoert, dat betrekking heeft op de bestemming die gegeven zal kunnen worden aan een gebouw waarvoor, ter uitvoering van de bestreden gewijzigde verkavelingsvoorschriften, een stedenbouwkundige vergunning zal worden aangevraagd; dat in het middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 53, § 3, eerste lid, en 55, § 2, laatste lid (sic), van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en voor zoveel als nodig tevens van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, de artikelen 1, g, 4., en 3 van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een dossier betreffende een verkavelingsaanvraag moet voldoen om als volledig te worden beschouwd, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, en "de bindende en verordenende kracht van de stedenbouwkundige voorschriften van de verkaveling van 3 december 1980, namelijk wat de bestemming betreft"; dat in een eerste onderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden besluit onduidelijk en dubbelzinnig is, wat betreft de bestemming die gegeven zal kunnen worden aan een gebouw waarvoor, ter uitvoering van de bestreden gewijzigde verkavelingsvoorschriften, een stedenbouwkundige vergunning zal worden aangevraagd, en dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen, enerzijds, de motieven van het bestreden besluit, waarin overwogen wordt dat de ramen beperkt zouden worden tot lichten, en dus geen zicht- of inkijkmogelijkheid zouden bieden, en waarin diverse overwegingen voorkomen in verband met de garage, de berging en het bureau, en anderzijds, het dispositief, waarin ter zake geen beperkingen of voorwaarden worden opgelegd; dat in een tweede onderdeel subsidiair wordt aangevoerd, in de veronderstelling dat de in de oorspronkelijke verkavelingsvergunning bepaalde bestemming tot eengezinswoning niet zou worden gewijzigd, dat het bestreden besluit er niet van kon uitgaan dat de op te richten gebouwen niet enkel gebruikt kunnen worden voor bewoning, maar ook kunnen X-12.302-5/16 dienen voor bedrijfsmatig gebruik, "zoals in casu voor stalling van camionettes, opslag van producten, materialen en ladders, en voor bureau"; Overwegende, wat de in het middel aangevoerde bepalingen betreft, dat de bepalingen van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning niet dienstig kunnen worden ingeroepen tegen een besluit dat beslist over een aanvraag tot wijziging van diezelfde vergunning; dat het middel in zoverre naar recht lijkt te falen; Overwegende, voor het overige, wat het eerste onderdeel betreft, in zoverre daarin een onduidelijkheid of een dubbelzinnigheid wordt aangevoerd, dat in de motieven van het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt overwogen "dat de verkavelingswijziging (...) geen bestemmingswijziging voorziet, zodat de bestemming wonen blijft; dat de vergunning aldus geen toelating geeft om een KMO uit te oefenen op die plaats; dat de bestemming eengezinswoning blijft gelden"; dat het bestreden besluit aldus duidelijk en ondubbelzinnig te kennen geeft dat er op het punt van de bestemming geen wijzigingen worden aangebracht in de oorspronkelijke verkavelingsvergunning; dat het onderdeel op dit punt feitelijke grondslag lijkt te missen; Overwegende, nog wat het eerste onderdeel betreft, in zoverre daarin een tegenstrijdigheid tussen de motieven en het dispositief wordt aangevoerd, dat het bestreden besluit, ter weerlegging van het tweede element van het bezwaarschrift van de verzoeker, onder meer verwijst naar de door de tussenkomende partij medegedeelde stukken in verband met de door haar ontworpen woning, om daaruit af te leiden dat geen inkijk vanuit de ramen mogelijk zal zijn, en dat deze ramen enkel bedoeld zijn om licht te trekken; dat die overweging zo moet worden begrepen dat de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning niet tot gevolg heeft dat een woning die beantwoordt aan de gewijzigde voorschriften noodzakelijk een inkijk op de aanpalende eigendommen biedt; dat die vaststelling kon volstaan om het bezwaar van de verzoeker te verwerpen; dat de bestendige deputatie, in het kader van de beoordeling van een aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning, geen uitspraak kon doen over het concrete ontwerp van bouwwerk van de tussenkomende partij; dat er dan ook geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de motieven, die vaststellen dat de gewijzigde voorschriften van de verkavelingsvergunning niet noodzakelijk leiden tot inkijkmogelijkheden, en het X-12.302-6/16 dispositief, waarin ter zake geen beperkingen of voorwaarden worden opgelegd; dat het onderdeel op dit punt niet lijkt te kunnen worden aangenomen; Overwegende voorts dat het bestreden besluit, ter weerlegging van het eerste element van het bezwaarschrift van de verzoeker, overweegt dat de bestemming van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning ongewijzigd blijft, en dat dus enkel een eengezinswoning opgetrokken zal kunnen worden; dat weliswaar vastgesteld wordt dat uit de nota van de architect van de tussenkomende partij blijkt dat in de ontworpen woning een bureau voorzien is, evenals een garage voor de voertuigen en een berging van het materiaal, en dat overwogen wordt dat een en ander niet strijdig is met de bestemming als eengezinswoning; dat die vaststellingen en die overweging ten overvloede gegeven zijn; dat ter gelegenheid van de beoordeling van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning nagegaan zal moeten worden in hoeverre een woning met bureau, garage en berging te verenigen is met de voorschriften van de verkavelingsvergunning; dat er dan ook geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de motieven, die overwegingen bevatten in verband met de genoemde kenmerken van de ontworpen woning, en het dispositief, waarin ter zake geen beperkingen of voorwaarden worden opgelegd; dat het onderdeel ook op dit punt niet lijkt te kunnen worden aangenomen; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat uit de bespreking van het eerste onderdeel blijkt dat de overwegingen in het bestreden besluit in verband met de mogelijkheid om, op grond van de bestemming van eengezinswoning, een woning met bureau, garage en berging op te trekken, ten overvloede gegeven zijn; dat het onderdeel, ook al was het gegrond, dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit lijkt te kunnen leiden; dat het onderdeel bij gebrek aan belang onontvankelijk lijkt te zijn; 7. Overwegende dat de verzoeker een derde middel aanvoert, gericht tegen de vaststelling in de bestreden beslissing dat de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat in het middel de schending wordt ingeroepen van artikel 10 van de Grondwet, de artikelen 53, § 3, eerste lid, en 55, § 2, laatste lid (sic), van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en X-12.302-7/16 gewestplannen, het verbod op machtsoverschrijding, het algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk arresten van de Raad van State bekleed zijn met het gezag van het rechterlijk gewijsde, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat in een eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet in concreto en op controleerbare wijze aangeeft waarom de gevraagde wijzigingen van de verkavelingsvergunning in overeenstemming zouden zijn met de goede plaatselijke ordening; dat in een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de conclusie volgens welke de gevraagde wijzigingen in overeenstemming zijn met de goede plaatselijke ordening, kennelijk onredelijk is en in strijd is met het gelijkheids- en het continuïteitsbeginsel, en dat de conclusie volgens welke de vrees voor inkijk niet gegrond is, kennelijk onredelijk is; dat in een derde onderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden besluit het gezag van gewijsde van het arrest nr. 135.631 van de Raad van State van 1 oktober 2004 miskent, doordat het oordeelt dat er geen mogelijkheid van inkijk op de aanpalende eigendommen is en dat het ontwerp geen hinder zal veroorzaken voor de omliggende woningen, terwijl de Raad van State in het genoemde arrest heeft aangenomen dat het gebouw dat ingevolge de toegestane wijziging van de verkavelingsvergunning kan worden opgetrokken, aanleiding zou geven tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 7.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar op het punt van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening is gesteund op de volgende motieven : "BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING De ruimere omgeving straalt een bepaalde rust en harmonie uit, ten gevolge van het relatief homogeen karakter van de bebouwing opgetrokken binnen eenzelfde gabariet, bestaande uit woningen met één bouwlaag van maximaal 3 m afgewerkt met een hellend dak met een nokhoogte van maximaal 6 m, met de topgevel naar de straat gericht, soms naar de zijkavelgrenzen. Hoewel de beoogde nieuwbouw conform de voorgestelde gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften, binnen het gabariet valt dat is toegelaten in de verkavelingsvoorschriften, is de impact op de omgeving groter. Het ontworpen gebouw van het bijgevoegd schetsvoorstel behelst, door het spel van volumes, ontegensprekelijk een ruimtelijk 'lichter' uitgewerkt geheel dan een zwaar en compact volume, wat mogelijk is binnen de oorspronkelijke verkavelingsvoorschriften (op een bouwkader van 23 m x gemiddeld 25 m, bouwdiepte max. 20 m, met een kroonlijst van maximaal 3 m en een hellend dak waarvoor geen beperking van de nokhoogte is opgegeven). Binnen het voorgesteld concept zijn echter 3 of 4 woonlagen mogelijk, terwijl in de verkavelingsvergunning enkel eengezinswoningen met één bouwlaag met een hoogte van 3 m toegelaten zijn. Er is geen aanpassing van het voorzien aantal bouwlagen opgenomen in onderhavige aanvraag om wijziging van verkaveling. Mede gelet op het karakter van de woonomgeving kan het inrichten van 3 of 4 X-12.302-8/16 woonlagen binnen het mogelijks toegelaten profiel niet verantwoord worden, noch binnen de voorschriften van de bestaande verkaveling, noch binnen een wijziging van de verkavelingsvergunning. Het voorstel, waarbij de kroonlijst - zij het in het centrum van het gebouw, op 7,50 m tot 10 m van de voetweg en over een oppervlakte van 100 m² - drie maal hoger ligt dan wat voorgeschreven is in de oorspronkelijke verkaveling en voorkomt bij de woningen op de aanpalende verkavelingen en waarbij het hoogste punt van het dak op 12,20 m ligt, komt dominant over en verstoort het bestaand evenwicht in omgeving. De beoogde verkavelingswijziging doet afbreuk aan de fundamentele ordeningsopties van de vergunde verkaveling en houdt eigenlijk een schaalbreuk in tegenover de plaatselijke ordening. (...)"; Overwegende dat het bestreden besluit de gevraagde wijziging van de verkavelingsvergunning verleent op grond van de volgende motieven : "Overwegende dat het een aanvraag betreft tot wijziging verkavelingsvergunning, gelegen in de Fazantenstraat 13 te 8530 Harelbeke; dat het ontwerp (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.