id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.151 Rolnummer: A. 116898/XII-3678 Zaak: Arrest 154151 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:39 Fiche Arrest nr 154.151 van 26 januari 2006 - Beslissing : Vernietiging heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.151 van 26 januari 2006 in de zaak A. 116.898/XII-
- In zake : Gerlinda HAENEN, wonende te Borgloon, Vilsterbron 5 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 14, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- tussenkomende partijen :
- Marie-Thérèse HULS, die woonplaats kiest bij advocaat I. Budé, kantoor houdende te Maaseik, Siemkensheuvel 20,
- Nicole JENNEN, wonende te Genk, Wetzandstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerlinda Haenen op 15 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “l/ de beslissingen van 6 december 2001 en van 20 december 2001 van de Raad van Bestuur tot bekrachtiging van de score van 8/10 voor het criterium 2.
- (met name motivatie) die voorgesteld werd door de selectiecommissie m.b.t. de kandidate HULS en m.b.t. verzoekster; 2/ de beslissing van 20 december 2001 van de Raad van Bestuur tot vaststelling van verzoeksters score voor het criterium 1.
- (met name nascholing) en waarbij 1/10 toegekend werd; 3/ de beslissing van 21 december 2001 van de Raad van Bestuur waarbij de kandidaten als volgt gerangschikt worden :
- JENNEN met 37 p,
- HULS met 35 p,
- verzoekster met 34 p; 4/ de beslissing van 21 december 2001 van de Raad van Bestuur om terug te komen op de beslissing van 6 december 2001 waarbij verzoekster initieel batig gerangschikt werd en de weigering om verzoekster te benoemen, XII-3678-1/16 5/ de beslissingen van 21 december 2001 van de Raad van Bestuur tot benoeming van de kandidaten JENNEN en HULS in de betrekkingen 5008 en 5009”; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 13 en 15 mei 2002; Gelet op de beschikking van 10 juni 2002 die de tussenkomsten van Marie-Thérèse Huls en Nicole Jennen toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van der Gucht; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat D. Libotte, die loco advocaat I. Budé verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat E. Schellingen, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; XII-3678-2/16 De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Ingevolge een “oproep tot de kandidaten voor de personeels- bewegingen in wervingsambten” met betrekking tot de Scholengroep 14 van het Gemeenschapsonderwijs, dienen drie kandidaten, waaronder verzoekster, een kandidatuur in voor een vaste benoeming in de betrekkingen 5008 en 5009 van kinderverzorgster. 1.
- Na onderzoek van de dossiers en een interview met de kandidaten geeft de selectiecommissie aan de hand van een aantal selectiecriteria de kandidaten de volgende eindscore : Nicole Jennen : 41/65 Gerlinda Haenen : 40/65 Marie-Thérèse Huls : 35/
- 1.
- Op basis van die rangschikking stelt de directie voor respectievelijk Nicole Jennen en Gerlinda Haenen te benoemen in de betrekkingen 5008 en
- 1.
- Op 6 december 2001 beslist de raad van bestuur van de scholengroep voorlopig Nicole Jennen te benoemen in de betrekking nr. 5008 en Gerlinda Haenen in de betrekking nr. 5009 en om, afhankelijk van de eventuele bezwaarschriften, op 20 december 2001 een definitieve beslissing te nemen. 1.
- Bij schrijven van 14 december 2001 tekent Marie-Thérèse Huls bij de algemeen directeur van de scholengroep bezwaar aan tegen het weerhouden van haar kandidatuur. 1.
- Op een ongekende datum brengt een blijkbaar daartoe aangestelde werkgroep in verband met het bezwaar van Marie-Thérèse Huls het volgende advies uit : “Betreft : bezwaar van Huls Marie Thérèse Geformuleerde klacht : toekenning punten i.v.m. de criteria 1.4 en 2.4 Verslag werkgroep : Uit het onderzoek van de dossiers en de toetsingsfiches blijkt voor de criteria 1.4 en 2.4 XII-3678-3/16 1.4 nascholing in functie van het beoogde ambt Jennen : toegekende score : 10/
- In het dossier worden 9 nascholingen, min of meer in verband met het ambt, aangehaald. Van 6 ervan zijn attesten of bewijsstukken. Advies toegekende punten : 9/10.(min 1) Haenen toegekende score : 7/
- In het dossier worden 6 nascholingen aangehaald. Literatuurstudie en studie door ervaring kunnen niet aanvaard worden. 2 nascholingen, evenwel zonder attesten, kunnen aanvaard worden, 1 nascholing met attest. Vermelding deelname pedagogische studiedag scholengroep kan niet meegerekend worden. Advies toegekende punten : 3/10.(min 4) Huls : score 0/10 In het dossier geeft zij toe dat zij wel bereid is nascholingen te volgen maar dat aanbod ontbreekt. Advies toegekende punten 0/10 2.4 Inzicht in technologische ontwikkelingen Jennen : toegekende score : 3/
- In het dossier worden 3 items behandeld : aerosol, sondage en computerkennis Advies toegekende punten : behouden Haenen toegekende score : 0/
- In het dossier staat enkel dat zij openstaat voor studie en volgen van cursussen in dit verband. Advies toegekende punten : behouden Huls : score 0/5 In het dossier staat enkel dat zij bereid is zich op dit vlak bij te scholen. Advies toegekende punten behouden Advies : Het bezwaar van mevr. Huls gaat over de criteria 1.4 en 2.4 . Indien de raad van bestuur het advies van de werkgroep volgt is de rangschikking als volgt :
- Jennen 40 p na hertelling
- Haenen 36 p na hertelling
- Huls 35 p. Aanvulling : Bij de voorbereiding van dit dossier, lezen we in het geformuleerde bezwaar ‘Mag ik u daarom verzoeken de dossiers en de toetsingsfiches van alle kandidaten kinderverzorger in het kader van de personeelsbewegingen van 1 januari 2002, in casu vaste benoemingen in wervingsambten 5008 en 5009, opnieuw te controleren met inzonderheid van de criteria 1.4 en 2.4 in functie van het beoogde ambt en de relevantie van de verplicht toe te voegen attesten en bewijzen.’ Op blz 1 van het in te dienen dossier staat : ‘De kandidaten vullen in het hierbij gevoegde dossier de gegevens in die in aanmerking komen voor de criteria 1.1, 1.2a, 1.2b, 1.3a, 1.3b, 1.4 en
- Deze bewijsstukken moeten geviseerd zijn, door een instellingshoofd’. Op blz 5 van het in te dienen dossier staat : Criterium
- 4 Nascholingen in functie van het beoogde ambt • erkende nascholingen met attest • andere nascholingen of studiedagen met bewijs. Indien de Raad van bestuur deze eis strikt navolgt wijzigt de voorgestelde puntentoekenning : voor criterium 1.4 Jennen 6p Haenen 1 p Huls 0p De eindrangschikking wordt dan : 1 Jennen 37 p 2 Huls 35p 3 Haenen 34 p XII-3678-4/16 Kunnen benoemd worden : Betrekking 5008 Jennen Betrekking 5009 Huls Vorig voorstel Betrekking 5008 Jennen Betrekking 5009 Haenen Besluit : Om eventueel beroep bij de Raad van State te vermijden ...”. 1.
- Op 20 december 2001 beslist de raad van bestuur, het bezwaar- schrift van M.-Th. Huls te “aanvaarden”, waardoor het voorstel tot vaste benoeming van verzoekster “vervalt” en eerste tussenkomende partij met ingang van 1 januari 2002 vast benoemd wordt in de betrekking nr. 5009 en tweede tussenkomende partij in de betrekking nr. 5008; De procedure
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord “de toepassing van artikel 94 van het procedurereglement” vraagt; dat haar verzoek de behandelende auditeur niet heeft kunnen overtuigen om een verslag in die zin op te stellen; dat thans over het beroep dan ook enkel nog uitspraak kan worden gedaan volgens de algemene procedureregels; Het voorwerp van het beroep 3.
- Overwegende dat verwerende partij het voorwerp van de vordering “niet nauwkeurig omschreven” noemt en alleszins deels onontvankelijk, voor zover kennisgevingen worden aangewezen die niet voor vernietiging vatbaar zijn, of een beslissing van 6 december 2001 die laattijdig wordt aangevochten; dat insgelijks de eerste tussenkomende partij opwerpt dat de beslissingen vermeld onder 1/ tot 4/ zuiver voorbereidende handelingen vormen die niet voor vernietiging vatbaar zijn en het beroep tegen de beslissing van 6 december 2001 ratione temporis laattijdig is en zonder voorwerp omdat diezelfde beslissing naderhand impliciet is ingetrokken; dat ook de tweede tussenkomende partij de laattijdigheid opwerpt, wat het beroep tegen de beslissing van 6 december 2001 betreft, en de ontvankelijkheid betwist voor die handelingen die op zich geen rechtsgevolgen sorteren; XII-3678-5/16 3.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord repliceert, onder meer, dat zij “duidelijk [heeft] laten gelden dat er in casu sprake is van een complexe administratieve rechtshandeling”; dat zij bovendien “bijkomend de vernietiging [vraagt] van de beslissingen van een onbekende datum van de selectiecommissie en van de Raad van Bestuur waarbij deze de kandidatuur van Mevr Huls toch aanvaard hebben ondanks het feit dat deze kandidate geen afschrift van haar laatste beoordeling bij haar dossier had gevoegd”; 3.
- Overwegende dat het auditoraat in zijn verslag over de zaak de vele bestreden handelingen situeert als opeenvolgende onderdelen van een complexe rechtshandeling en concludeert dat het beroep van verzoekster begrepen dient te worden, wat de voor de Raad van State op ontvankelijke wijze aanvechtbare eindbeslissingen betreft, “als zijnde gericht tegen de benoeming van de kandidaten Jennen en [H]uls”, alsmede tegen de “impliciete weigering haar (verzoekster) in één van die betrekkingen vast te benoemen”, “waarbij verzoekster uiteraard middelen kan aanvoeren gericht tegen elke handeling die aan die eindbeslissing is voorafgegaan, met inbegrip uiteraard van de selectieprocedure en de beoordeling van de kandidaten, zoals die in en door de selectiecommissie voorafgaandelijk is geschied”; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie nog bedenkingen formuleert over de ontvankelijkheid en de gegrondheid, maar zich niet meer uitspreekt over het voorwerp van het beroep; dat zij daarenboven de laatste memorie besluit met de vraag om “de benoemingen van [de tussenkomende partijen] te vernietigen”; dat zij zich bijgevolg niet verzet tegen de omschrijving van het voorwerp van haar beroep door het auditoraat, die de Raad tot de zijne maakt; dat bijgevolg, zoals de partijen ter terechtzitting overigens erkennen, de excepties niet meer dienend zijn; De ontvankelijkheid van het beroep
- Overwegende dat de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij opwerpen in weerwil van artikel 2, § 1, 2/, van het procedurereglement nergens een dagtekening gevonden te hebben, dat enkel uit de stempel van de griffie van de Raad van State kan worden afgeleid dat het verzoekschrift is ingediend op 18 februari 2002 en dat het aldus onontvankelijk is; XII-3678-6/16 Overwegende dat de dagtekening van het verzoekschrift niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven; dat het beroep blijkens de datumstempel van de post op 15 februari 2002 aangetekend is verstuurd, wat er vaste datum aan verleent; dat de exceptie -waarvan de verwerende partij overigens ter terechtzitting afstand heeft gedaan- wordt verworpen; 5.
- Overwegende dat de tweede tussenkomende partij aan verzoekster het belang ontzegt om de vernietiging te vorderen van de tussengekomen beslissingen; dat zij daartoe refereert aan rechtspraak uit drie arresten van de Raad “dewelke naar analogie van toepassing is op onderhavig geschil”; dat in de bedoelde arresten eenmaal is beslist dat de verzoekende partij in die zaak geen belang had om de weigering tot benoeming aan te vechten wanneer het bestuur niet verplicht was om haar te benoemen, en tweemaal dat de kandidaat in die respectieve zaken zonder belang was indien hij zelf niet aan de voorwaarden voldoet om benoemd te worden tenzij de benoemde evenmin voldoet; 5.
- Overwegende dat dezelfde tussenkomende partij ook nog opwerpt dat zij zowel bij de eerste beslissing van 6 december 2001 als bij de tweede beslissing van 20 december 2001 als eerste en beste gerangschikt bleef en dat geen enkel middel betrekking heeft op de aan haar verleende benoeming, zodat er wat haar benoeming betreft blijkbaar geen betwisting bestaat; 5.
- Overwegende dat de precieze draagwijdte van het tweede onderdeel van de sub 5.
- bedoelde exceptie volkomen onduidelijk is, nu tussen- komende partij op generlei wijze toelicht waarom en hoe zij deze rechtspraak van toepassing acht in de voorliggende zaak en zij nalaat ook maar enigszins te concretiseren om welke reden verzoekster niet zou voldoen aan de benoemings- vereisten; dat dit onderdeel van de exceptie niet ontvankelijk is; Overwegende dat de sub 5.
- en 5.
- weergegeven excepties van de tweede tussenkomende partij voor het overige betrekking hebben, niet op de ontvankelijkheid van het beroep in zijn geheel maar in welbepaalde van zijn onderdelen, namelijk voor zover het gericht is tegen de benoeming van tweede tussenkomende partij of tegen de weigering om verzoekster te benoemen; dat die ontvankelijkheidsbezwaren hierna aan de orde komen; XII-3678-7/16 De benoeming van M.-T. Huls in de betrekking nr. 5009
- Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift vier middelen aanvoert; dat in het auditoraatsverslag onder verwijzing naar het artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter beoordeling van de benoeming van de eerste tussenkomende partij enkel het eerste middel wordt onderzocht; dat verzoekster zich in de laatste memorie akkoord verklaart met de bevindingen van het auditoraat over dit middel, maar vraagt om met betrekking tot die benoeming ook het derde en het vierde middel te onderzoeken; dat verzoekster bij schrijven van 2 november 2005 aan de Raad van State evenwel meedeelt niet langer aan te dringen op een dergelijk aanvullend onderzoek; 7.
- Overwegende dat verzoekster het eerste middel put uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht, de materiële motiveringsplicht en de redelijkheidsplicht, omdat de raad van bestuur de benoeming van de eerste tussenkomende partij steunt op een score 8/10 voor het criterium 2.2.; dat zij toelicht dat de toegekende score onmogelijk te begrijpen valt in het licht van de door de selectiecommissie daarbij gegeven motieven, in die motieven geen steun vindt en kennelijk onredelijk is, en zulks des te meer in vergelijking met het motief om aan tweede tussenkomende partij eveneens 8/10 toe te kennen; Overwegende dat de verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat elk van de drie kandidaten van de selectiecommissie voor het criterium 2.
- acht punten kreeg, dat de directeur op basis van het advies van de selectiecommissie een voorstel doet aan de raad van bestuur die het voorstel kan volgen of niet; dat de beslissing van de raad van bestuur volgens verwerende partij als dusdanig niet te beschouwen is als een loutere bekrachtiging van de score verstrekt door de selectiecommissie; dat zij in de laatste memorie hieraan toevoegt dat de evaluatie van de eerste tussenkomende partij haar oorsprong vindt in een jarenlang aanslepende problematiek met de gewezen directie, waarin de verklaring ligt voor de matige evaluatie, die toch geleid heeft tot een score van 8/10; Overwegende dat ook de eerste tussenkomende partij opmerkt dat de raad van bestuur over een vrije beoordelingsbevoegdheid beschikt en het voorstel van de directeur niet diende te volgen; dat zij voorts uiteenzet dat de bijgevoegde matig tot zwakke evaluatie van haarzelf evenals haar punten verklaard kunnen worden, dat de hogere instanties ervan op de hoogte zijn dat er een reeds jarenlang XII-3678-8/16 aanslepende problematiek van pesterijen bestaat vanwege de gewezen directie jegens haarzelf en dat de reden van de vrij matige evaluatie dan ook hierin kan worden teruggevonden zodat de score niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd; Overwegende dat de tweede tussenkomende partij repliceert dat enkel gesteld is dat het gaat om een onredelijke beslissing zonder dat daarbij melding wordt gemaakt van enige onwettigheid; 7.
- Overwegende dat het criterium 2.
- waaraan de selectiecommissie toetst, betrekking heeft op “motivatie van de kandidatuurstelling en bewijs leveren van geschiktheid voor de gevraagde betrekking. Kopie van laatste beoordeling/evaluatie toevoegen”; 7.2.
- Overwegende dat van het interview met de kandidaten geen geschreven neerslag ter beschikking is gesteld van de Raad van State; dat wel de aanvraagdossiers van de kandidaten en de beoordelingsfiches van de selectie- commissie zijn overgelegd; 7.2.
- Overwegende dat de eerste tussenkomende partij over dit criterium 2.
- bij haar aanvraag doet gelden : “Ik voel mij goed als kinderverzorgster in het buitengewoon onderwijs, en heb daarom ook steeds alle opdrachten aanvaard, waarvan de laatste jaren zonder onderbreking. Mijn grootste werkopdracht bestaat uit de verzorging van type II kinderen, maar ook de andere kinderen kunnen steeds op mij rekenen. Aangezien ik mijn taken steeds van harte uitvoer en er zich nu een vacature voordoet voor vaste benoeming, wil ik mij als tijdelijke kandidaat stellen voor deze functie die toch een grotere werkzekerheid biedt.”; dat zij een op 28 april 2000 toegekende en door haarzelf op 29 juni 2000 “akkoord” getekende beoordelingsfiche bijvoegt met als vermeldingen “dient te verbeteren”, driemaal “goed”, “is te wantrouwig t.o. directie” en “matig - dient meer initiatiefname te betuigen”; Overwegende dat de selectiecommissie een score toekent van 8/10 met als motivatie : “-moeilijke samenwerking met directie/team - bijgevoegd evaluatie = 2000: matig tot zwak - geen vertrouwen in directie”; XII-3678-9/16 7.2.
- Overwegende dat verzoekster bij haar aanvraag schrijft : “- verwaarlozing voorkomen en verhelpen - de ouders ondersteunen bij hun opvoedingstaak Dank zij een fijne werksfeer in teamverband kan ik optimaal functioneren wat ten goede komt aan de kinderen. *Bewijs van geschiktheid : - jaren ervaring hier en elders : - kleuteronderwijs - Ter Heide - M.P.I. De Richter - Zie beoordeling van de directie - Mij steeds heraanstellen voor nieuwe opdrachten - Zie bijlage : Dienstanciënniteit - Bijscholingen”; dat zij hierbij een 3 mei 2001 gedateerd beoordelingsverslag voegt met vijf vermeldingen “zeer goed” en één vermelding “goed”; Overwegende dat ook verzoekster een score krijgt van 8/10, zonder bijkomende motivatie van de selectiecommissie; 7.2.
- Overwegende dat de tweede tussenkomende partij schrijft : “* Bewijs geschiktheid : Fotokopie laatste beoordeling bijgevoegd. Uitslag ‘Zeer goed’. * Motivatie : Na 13 jaar hier gewerkt te hebben verloor ik in november 1995 mijn plaats. Na een herziening van de functieclassificatie door de toen nog bestaande A.R.G.O., werd er namelijk een opvoeder aangesteld i.p.v. een kinderverzorgster. Door een wisselwerking met een andere school in Kortessem kon ik toch daar aan de slag. Gelukkig mocht ik hier regelmatig vervangingen doen waardoor er een band is blijven bestaan. Vandaar dat ik me ook kandidaat gesteld heb. Werkzekerheid is natuurlijk belangrijk maar deze job geeft me vooral grote voldoening. Werken met kinderen, vooral de kinderen met een mentale achterstand en verwaarloosde kinderen, is zo boeiend. De integratie van het kind in de maatschappij bevorderen door het bijbrengen van sociale vaardigheden en aanleren van zelfredzaamheid en zelfstandigheid vind ik noodzakelijk. De waardering die ik hiervoor ontvang, zowel van de kinderen als van sommige ouders motiveert mij en geeft mij vertrouwen om verder te doen.”; dat zij hierbij een 27 april 2001 gedateerd beoordelingsverslag voegt met de vermeldingen goed, positief, correct, collegiaal, goed, werkt met grote inzet en in het belang van het algemeen, groot verantwoordelijkheidsbesef, “Een geapprecieerde collega die haar taken op een correcte manier aanpakt en afhandelt. Een fijne, enthousiaste ‘opvoedster’ voor de haar toegewezen leerlingen”; XII-3678-10/16 Overwegende dat de selectiecommissie weerom een score van 8/10 geeft, ditmaal met de motivatie : “- Zeer goede beoordeling - accentueert wisselwerking int[ern]/ext[ern]”; 7.
- Overwegende dat de behandeling van het bezwaarschrift van eerste tussenkomende partij aanleiding heeft gegeven tot een heroverweging van de punten die werden toegekend voor twee andere criteria; dat de eindbeslissing om daarna uiteindelijk de eerste tussenkomende partij te benoemen in de betrekking nr. 5009 evenwel voor de beoordeling van de kandidaten aan criterium 2.
- geen eigen motieven bevat; dat moet worden aangenomen dat de raad van bestuur zich voor dit aspect van de vergelijking der kandidaten dan ook het zo-even aangehaalde, door de selectiecommissie oorspronkelijk gegeven advies heeft eigen gemaakt, zowel wat de toegekende scores als de er voor opgegeven beweegredenen betreft; Overwegende dat wanneer meerdere kandidaten in aanmerking komen om te worden benoemd, de motivering van de benoeming moet aantonen dat een vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de betrokken kandidaten heeft plaatsgevonden en ook de redenen dient aan te duiden waarom de benoemde kandidaat werd gekozen; dat die redenen duidelijk en feitelijk juist moeten zijn, pertinent en niet tegenstrijdig; Overwegende dat te dezen de selectiecommissie -in haar uit- geschreven, hiervoor geciteerde advies aan de raad van bestuur- van een scheef- gelopen situatie “vanwege de gewezen directie [...] opzichtens haarzelf”, de oorzaken en de omstandigheden daarvan, geen enkele melding maakt ter verklaring en ondersteuning van de aan eerste tussenkomende partij toegekende score; dat het advies enkel vanwege de eerste tussenkomende partij een “moeilijke samenwerking met directie” vaststelt -en overigens ook met het “team”; dat, veeleer dan een vermelding van pesterijen vanwege de gewezen directie, in het advies voorts over eerste tussenkomende partij zelf nog staat te lezen “geen vertrouwen in directie” en een verwijzing naar haar “matig tot zwak” genoemde evaluatie, die overigens door die tussenkomende partij voor akkoord is getekend; dat ook het door de verwerende partij aan de Raad van State voorgelegde administratief dossier geen spoor bevat van de naar beweerd “reeds jarenlang aanslepende problematiek” van pesterijen; dat niet is aangetoond dat dit gegeven door de selectiecommissie of door de raad van bestuur toentertijd in de beoordeling van de kandidaten is betrokken; dat de Raad van State XII-3678-11/16 geen rekening mag houden met motieven die achteraf worden gegeven en die niet blijken uit het dossier dat ter kennis wordt gebracht noch anderszins aan het beslissend orgaan zijn toe te schrijven; Overwegende dat de drie kandidaten elk een score 8/10 behaalden voor criterium 2.2.; dat dit voor verzoekster gebeurt zonder nadere motivering en voor tweede tussenkomende partij in lovende bewoordingen; dat dit laatste niet kan worden gesteld voor de eerste tussenkomende partij; dat het hiervoor aangehaalde motief buiten verband staat tot het gegeven cijfer en de toegekende score niet vermag te ondersteunen; dat het middel gegrond is; dat het, gelet op het geringe puntenverschil tussen verzoekster en eerste tussenkomende partij volstaat om de rangschikking van beide kandidaten en bijgevolg de aan eerste tussenkomende partij gegeven voorkeur aan het wankelen te brengen; dat zulks de nietigverklaring verantwoordt van de beslissing waarbij M.-T. Huls benoemd wordt in de betrekking nr. 5009; De benoeming van N. Jennen in de betrekking nr. 5008
- Overwegende dat de tweede tussenkomende partij als gezien sub 5.
- opwerpt dat geen van de aangevoerde middelen tegen haar benoeming of tegen de aan haar toegekende scores is gericht; Overwegende dat het auditoraatsverslag die vaststelling deelt, opmerkt dat verzoekster “haar grieven formeel enkel richt tegen de door M.-TH. Huls in de selectieprocedure behaalde scores (en haar eigen scores) en niet tegen de waardecijfers die Nicole Jennen heeft verkregen” en, er mede van uitgaande dat verzoekster maar belang heeft “bij desgevallend slechts één van beide benoemingen door de Raad van State vernietigd te zien”, concludeert dat verzoekster enkel belang heeft bij het bestrijden van de benoeming van de eerste tussenkomende partij; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie die zienswijze tegenspreekt; dat zij herinnert aan “het tweede middel waarbij verzoekster argumenteert dat zij meer punten diende te scoren voor het criterium 2.2 (motivatie)” en aan “het vierde middel waarbij zij argumenteert dat zij eveneens meer punten diende te scoren voor het criterium 1.4 (nascholing)” en stelt dat “niet uitgesloten [kan] worden dat zij meer punten had moeten bekomen dan kandidate Jennen”; dat zij besluit dat slechts tot de afwezigheid van een belang bij de vernietiging van de XII-3678-12/16 benoeming van N. Jennen kan worden besloten dan na onderzoek van het tweede en het vierde middel en dat het feit dat zij niet rechtstreeks grieven richt tegen de door N. Jennen behaalde scores aan die vaststelling geen afbreuk doet;
- Overwegende dat verzoekster zich met het oog op een vaste benoeming als kinderverzorgster oorspronkelijk kandidaat heeft gesteld voor de beide betrekkingen; dat het voordeel dat verzoekster thans nastreeft met de huidige procedure er in bestaat een nieuwe kans te verwerven om als kinderverzorgster te worden benoemd; dat zij uiteraard slechts in één van de beide betrekkingen benoemd kan worden; dat evenwel de kans om een vaste benoeming te krijgen groter is naarmate er meer betrekkingen te begeven zijn en dus, wanneer de benoemings- procedure zowel voor de betrekking nr. 5008 als voor de betrekking nr. 5009 hernomen dient te worden; dat aan verzoekster dan ook niet zomaar het belang kan worden ontzegd om de beide benoemingen te bestrijden en ze uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen; Overwegende voorts, dat verzoekster niet betwist de cijfers die aan N. Jennen zijn gegeven niet aan te vechten; dat zij evenwel terecht opmerkt, zoals ook in het auditoraatsverslag is te lezen, dat zij grieven ontwikkelt tegen de eigen scores; dat de Raad verzoekster bijvalt in hetgeen zij in de laatste memorie doet gelden; dat de eventuele onregelmatigheid van de benoeming van een kandidaat immers kan blijken uit een onzorgvuldige beoordeling van de aanspraken en verdiensten zowel van de benoemde kandidaat als van de geweerde kandidaat; dat de exceptie van de tweede tussenkomende partij wordt verworpen; dat de Raad zich ten gronde evenwel nog niet over die grieven mag uitspreken, nu zij in het auditoraatsverslag niet aan een inhoudelijk onderzoek werden onderworpen; dat er bijgevolg reden is voor een aanvullend onderzoek van de zaak, wat de benoeming van N. Jennen betreft; dat de Raad vaststelt dat verzoekster zélf haar belang beperkt tot een “onderzoek van het tweede en het vierde middel” en dus, wat de benoeming in de betrekking nr. 5008 betreft, afstand doet van het eerste en het derde middel; De impliciete weigering om verzoekster te benoemen tot kinderverzorgster 10.
- Overwegende dat verzoekster naast de nietigverklaring van de benoeming van de tussenkomende partijen tot kinderverzorgster ook de nietigverklaring vraagt van de weigering om haarzelf de benoeming te geven; dat de tweede tussenkomende partij als gezien sub 5.
- in een exceptie de vordering tot XII-3678-13/16 nietigverklaring van de weigeringsbeslissing niet ontvankelijk noemt omdat de overheid te dezen niet verplicht is verzoekster te benoemen; 10.
- Overwegende dat de weigering om verzoekster tot kinder- verzorgster te benoemen blijkt uit de benoeming van de tussenkomende partijen, maar er niet mee samenvalt; dat het om verschillende beslissingen gaat, de eerstgenoemde impliciet, de laatstgenoemde expliciet; dat ook impliciete beslissingen voor nietigverklaring vatbaar zijn; Overwegende voorts dat het voor een verzoekende partij ook nut kan hebben om, met de vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partijen, tevens de nietigverklaring te vragen van de weigering haar te benoemen; dat inwilliging van die bijkomende vordering maatregelen van rechtsherstel vereist die specifiek op verzoeksters rechtssituatie betrekking hebben, hetgeen niet noodzakelijk het geval zou zijn indien alleen de nietigverklaring van de benoeming van de tussenkomende partijen werd gevraagd en uitgesproken; dat immers het bijkomend rechtsherstel dat de overheid na en naast een nietigverklaring eventueel verplicht is te verlenen normaal beperkt is tot hen wier rechtssituatie door de vernietigde beslissing gewijzigd werd of juist niét gewijzigd werd; Overwegende dat de tweede tussenkomende partij zich echter vergist wanneer zij meent dat een nietigverklaring van de impliciete weigering te benoemen voor de verwerende partij ipso facto de verplichting meebrengt de geweigerde te benoemen en dat een verzoekende partij dienvolgens enkel belang zou hebben bij de vernietiging van een impliciete weigering wanneer zij kan aantonen dat het bestuur verplicht is om haar te benoemen; Overwegende, zoals de Raad reeds heeft uiteengezet in onder meer zijn arresten nr. 113.808, Demeuter, van 17 december 2002, nr. 114.774, Deschepper, van 21 januari 2003 of nr. 114.914, Demuynck, van 23 januari 2003, dat de uitdrukkelijke nietigverklaring van de impliciete weigering een verzoekende partij te benoemen wel de overheid ertoe verplicht zich opnieuw over de aan die verzoekende partij geweigerde benoeming uit te spreken; dat wat de overheid die zich opnieuw uitspreekt, daarbij dan nog mag of moet doen, afhankelijk is van het motief dat tot de nietigverklaring van de afwijzende beslissing heeft geleid en dat doet kennen wélke rechtsplicht het bestuur bij het nemen van de beslissing heeft overtreden; XII-3678-14/16 Overwegende dat daar dan weer tegenover staat dat reeds de nietigverklaring van de uitdrukkelijke beslissing tot gevolg heeft dat ook de weigeringsbeslissing niet meer aan het bestuur kan worden toegerekend, aangezien het bestaan van de laatstgenoemde precies slechts kon worden afgeleid uit het bestaan van de eerste, ten gevolge van de nietigverklaring uit het rechtsverkeer verdwenen beslissing; dat het vernietigen van de begunstigende beslissing dan meestal ook volstaat om het belang van degene wiens aanvraag is geweigerd, te dienen; dat van een verzoekende partij dan ook verwacht mag worden dat zij aantoont dat de gevorderde nietigverklaring van de weigeringsbeslissing haar een verder reikende aanspraak op rechtsherstel zal verschaffen dan zij zou bezitten op grond van de nietigverklaring van het benoemingsbesluit alleen; Overwegende dat een verzoekende partij zulks ongetwijfeld doet wanneer zij tegen de impliciete weigeringsbeslissing als vernietigingsgrond aanvoert de overtreding van de rechtsplicht om haar te benoemen; dat echter de complementaire vordering tot vernietiging van de impliciete weigering te benoemen, voor de verzoekende partij ook zin kan hebben wanneer zij gesteund is op middelen waarin de schending van een ándere verplichting wordt aangevoerd die de benoemende overheid speciaal tegenover haar heeft; Overwegende dat aldus -zoals eveneens in het arrest nr. 20.599, Tibax, van 30 september 1980, onder III, B, 5.4., wordt aangenomen- de complementaire vordering bijvoorbeeld een eigen nut kan hebben wanneer zij wordt gestoeld op een dwaling in de motieven betreffende de verdiensten van -bepaaldelijk- de voorbijgegane verzoekende partij; dat zij dan namelijk de waarborg heeft, als de impliciete weigering op die grond vernietigd wordt, dat de waardering van haar verdiensten geen tweede maal foutief zal gebeuren; 10.
- Overwegende dat hetgeen sub 10.
- is overwogen leidt tot de vaststelling dat de vraag of de exceptie gegrond is getoetst moet worden aan de aard van elk van de aangevoerde vernietigingsgronden; dat de Raad zich thans enkel vermag uit te spreken over het ene middel dat ook in het auditoraatsverslag inhoudelijk is besproken; dat dit middel sub
- op de expliciete benoeming van de eerste tussenkomende partij betrokken is geworden en gegrond bevonden; dat het middel uitsluitend wettigheidsbezwaren formuleert over de waardering van de verdiensten van welbepaald eerste tussenkomende partij; dat het in het middel aangevoerde rechtmatigheidsbezwaar dienvolgens niet nuttig te betrekken valt op de beslissing om de tweede tussenkomende partij te benoemen -wat allicht de sub
- XII-3678-15/16 vastgestelde afstand van het middel door verzoekster ter zake verklaart- en al evenmin op de weigering om verzoekster te benoemen; dat het bijgevolg niet zinvol ter vernietiging van die beslissingen wordt aangevoerd; dat, wat betreft het eerste middel, de exceptie gegrond is; dat er in het licht van de aangevoerde exceptie reden is voor een aanvullend onderzoek naar de ontvankelijkheid en, in voorkomend geval, de gegrondheid van de middelen wat betreft de impliciete weigering om verzoekster tot kinderverzorgster te benoemen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 20 december 2001 van de raad van bestuur van de Scholengroep 14 van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij M.-T. Huls wordt benoemd tot kinderverzorgster in de betrekking nr.
- Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid wordt belast met een aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3678-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.151 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.