id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.152 Rolnummer: A. 71722/XII-1979 Zaak: Arrest 154152 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:39 Fiche Arrest nr 154.152 van 26 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.152 van 26 januari 2006 in de zaak A. 71.722/XII-
- In zake : Fien ROELANDT, wonende te Alsemberg, Steenweg naar Halle 358 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fien Roelandt, vertegenwoordigd door haar ouders P. Roelandt en B. Mussche maar thans meerderjarig, op 22 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 september 1966 van de lokale raad 104, om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen; Gelet op het arrest nr. 65.343 van 19 maart 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 11 mei 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-1979-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoekster en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Tijdens het schooljaar 1995-1996 volgt verzoekster de lessen van het tweede leerjaar van de eerste graad moderne wetenschappen in de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs te Ukkel. 1.
- Op 25 juni 1996 beslist de klassenraad verzoekster het oriënteringsattest B te verlenen, met clausulering voor de onderwijsvormen ASO, TSO en KSO. 1.
- De ouders van verzoekster brengen de beroepsprocedure op gang die geregeld is in de artikelen 64 en volgende van het toenmalige besluit van 13 maart 1991 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna ook: organisatiebesluit). XII-1979-2/11 1.
- Op 30 augustus 1996 beslist de klassenraad “dat de beslissing van juni gehandhaafd blijft”. Diezelfde dag tekenen de ouders beroep aan bij de beroepscommissie, die op 16 september 1996 adviseert om de klassenraad niet opnieuw te laten samenkomen. 1.
- De procedure loopt uit op de bestreden beslissing, de beslissing van 19 september 1996 van de lokale raad, dat de klassenraad niet opnieuw moet samenkomen; De gegrondheid van het beroep 2.
- Overwegende dat als eerste annulatiemiddel verzoekster aanvoert : “Schending van artikel 36, § 1, 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs en van de vrijheid van onderwijs, zoals voorzien door artikel 24, § 1 van de grondwet, artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het E.V.R.M. en artikel 28.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen op 20 november 1989”; dat zij die schending hierin ziet dat door verzoekster de toegang te ontzeggen tot het algemeen secundair onderwijs (ASO), het technisch secundair onderwijs (TSO) en het kunst secundair onderwijs (KSO) de aangevochten beslissing haar verdere studiekeuze meer beperkt “dan duidelijk nodig is”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord wijst op de discretionaire bevoegdheid van het bestuur; dat zij verzoekster verwijt slechts in enkele vage termen te stellen dat de clausulering te ruim is opgevat maar enig argument daarvoor niet te leveren; dat zij herinnert aan de 17 onvoldoendes op rapporten, zes op examens “waarvan heel wat zware onvoldoendes” en aan het feit dat verzoekster reeds het jaar had overgezeten; dat met dit alles rekening houdend het volgens haar “geenszins onredelijk geweest [ware] haar een C-attest toe te kennen” en dat “de klassenraad ervoor [heeft] geopteerd - niet om haar mogelijkheden te beknotten- maar integendeel om ze te verruimen door haar een B-attest toe te kennen”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord argumenteert dat zij nooit in een technische richting heeft gezeten zodat verwerende partij niet zonder meer kan stellen dat TSO te hoog gegrepen zou zijn, dat XII-1979-3/11 verwerende partij als enige criterium met de gelijklopende leerplannen in de tweede graad ASO-TSO-KSO rekening heeft gehouden, dat zelfs zo bekeken “didactiek, pedagogie en leermethode” van ASO en TSO compleet verschillend zijn zodat een uitspraak doen over verzoeksters kunnen voorbarig is; dat zij die redenering nog ondersteunt met enkele cijfers uit haar eindrapport en “die resultaten die naar het einde van het schooljaar omhoog zijn gegaan”; 2.
- Overwegende dat het door verzoekster aangevoerde artikel 36, § 1, 2/, van het organisatiebesluit luidt : “[Als oriënteringsattesten worden onderscheiden :] het oriënteringsattest B, waarop vermeld wordt dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onder- verdelingen. Het model van het oriënteringsattest B en de onderrichtingen voor het invullen ervan zijn opgenomen in bijlage 2”; dat, zoals ook in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld, het een raadsel is hoe deze bepaling te dezen geschonden is en verzoekster er ook geen uitsluitsel over geeft, noch in het inleidend verzoekschrift, noch in de memorie van wederantwoord; dat zij ook geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het na lezing van het auditoraatsverslag alsnog in een laatste memorie te verduidelijken, nu zij geen dergelijk stuk neerlegt; Overwegende voorts dat uit artikel 5, § 1, van het organisatie- besluit blijkt dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn; dat geen van de overige door verzoekster in het eerste middel ingeroepen grondwets- en verdragsbepalingen aan de delibererende klassenraad de discretionaire bevoegdheid ontzeggen ter zake van het toelaten van de leerlingen tot een ander schooljaar of studierichting; dat de delibererende klassenraad bij die beoordeling beschikt over een zeer ruime appreciatievrijheid, eigen aan zijn opdracht en werking; dat verzoekster die discretionaire bevoegdheid ook niet ontkent; dat zij wel de verwerende partij verwijt die discretionaire bevoegdheid niet naar behoren te hebben uitgeoefend door haar verdere studiekeuze méér te beperken dan duidelijk nodig is; dat, gesteld tegenover de door verwerende partij in herinnering gebrachte tekorten, die verzoekster niet in vraag stelt, zulk verwijt te vaag is; dat aan verzoekster overigens het volgen van de studie van haar keuze niet onmogelijk wordt gemaakt door de bestreden beslissing, XII-1979-4/11 zij het met de aan het oriënteringsattest verbonden restricties; dat het middel niet wordt aangenomen; 3.
- Overwegende dat verzoekster als tweede annulatiemiddel aanvoert : “Schending van de beginselen inzake behoorlijk bestuur (of beter : behoorlijk onderwijs) en van de artikelen 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 1991, evenals van artikel 3.3 van het Schoolreglement”; dat zij betoogt dat in strijd met de ingeroepen regels “Hoewel tijdens de loop van het schooljaar een aantal onvoldoende resultaten werden opgemerkt, [...] op de rapporten geen enkele opmerking [werd] vermeld, en geen enkele remediëring [werd] voorgesteld”; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat verzoekster verzuimt aan te geven waarin de schending zou liggen van de artikelen 4 en 5 van het organisatiebesluit, die de samenstelling en de bevoegdheid bepalen van respectievelijk de begeleidende en de delibererende klassenraad; dat zij voorts de aantijging tegenspreekt over het onvoldoende informeren en begeleiden van verzoekster en daartoe een overzicht geeft van de opmerkingen en aanbevelingen die op de rapporten, tijdens oudercontacten en in afzonderlijke brieven werden gemaakt; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord handhaaft dat verwerende partij “niet staande [kan] houden dat zij alles gedaan heeft om [haar] te begeleiden en remedies voor te schrijven voor haar tekortkomingen”; 3.
- Overwegende dat daargelaten de vraag of het middel in feite juist is -iets wat de verwerende partij aan de hand van concrete gegevens tegenspreekt- het klaarblijkelijk in rechte faalt; dat wat ter staving ervan wordt aangewend, mogelijk kan aantonen dat de verwerende partij mede aansprakelijk is voor verzoeksters minder gunstig resultaat, maar niet vermag aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd; dat, immers, één zaak is of een examinandus bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt; dat deze laatste diegene kan zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven; dat te dezen zulks betekent dat, indien verzoekster de verwerende partij terecht verwijt geen opmerkingen op de onvoldoende resultaten in de loop van het schooljaar te hebben gemaakt en geen XII-1979-5/11 remediëringen te hebben voorgesteld -iets wat zoals gezegd de verwerende partij ontkent- dat op zijn hoogst kan betekenen dat de verwerende partij schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van verzoekster, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt; dat het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat in een derde annulatiemiddel verzoekster de formele en de materiële motiveringsplicht geschonden noemt; dat wat verzoekster ter adstructie van het middel doet gelden, veeleer op de formele motiveringsplicht betrokken kan worden; dat zij immers betoogt dat de bestreden beslissing van 19 sep- tember 1996 “het niet nodig vond te antwoorden op de argumentatie van de ouders, en verwijst naar het advies van de beroepscommissie dat onbekend is”; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster geen belang heeft bij het inroepen van de formele motiveringsplicht omdat zij voldoende kennis heeft van de beweegredenen die de beroepscommissie tot haar advies en de lokale raad tot zijn beslissing heeft gebracht; dat zij met verwijzing naar overwegingen uit het arrest nr. 44.931, De Witte, van 16 november 1993 daar aan toevoegt dat “het enkele feit dat het advies van de genoemde commissie verzoekster of haar ouders onbekend is, dus geen onwettigheid uitmaakt”; dat zij daarenboven stelt : “De heer Patrick Roelandt, die lid is van de lokale raad en als dusdanig zeer nauw betrokken bij de werking van de school, verlaat tijdelijk de vergadering. Bij zijn terugkomst wordt hem het resultaat medegedeeld. De Heer Verheggen, directeur, informeert hem dat hij het gehele dossier m.b.t. zijn dochter, met inbegrip van het verslag van de beroepscommissie, kan inzien. Van deze mogelijkheid werd door de ouders geen gebruik gemaakt”; 4.
- Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft binnen het raam van het annulatiecontentieux, ten opzichte van degene ten aanzien van wie de beslissing genomen wordt, hem een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van haar motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster met schrijven van 30 augustus 1996 op de hoogte is gebracht van de motieven van de klassenraad om een B-attest uit te reiken met clausulering voor, onder meer, TSO (onder meer “dat de studies op technisch niveau voor [haar] te hoog gegrepen zijn en dat zij zich in zulk een afdeling niet zou kunnen manifesteren of handhaven”); dat verzoekster niet tegenspreekt inzage te hebben gekregen in het XII-1979-6/11 dossier waarop de klassenraad zich voor het nemen van zijn beslissing gebaseerd heeft; dat, wat dan de bestreden beslissing van het schoolbestuur betreft om de klassenraad niet meer samen te roepen, het advies van de beroepscommissie waarop wordt gesteund daarenboven niet onbestaande is; dat verzoekster in de memorie van wederantwoord bovendien niet tegenspreekt ter dege de beweegredenen te kennen; dat overigens evenmin ontkend wordt dat haar ouders geen gebruik hebben gemaakt van het aanbod om “het gehele dossier [...] met inbegrip van het verslag van de beroepscommissie” in te zien; dat dan ook de vraag rijst welk belang verzoekster heeft bij het doen gelden van een eventueel gebrek in de kennisgeving van de motieven; dat het advies van de beroepscommissie waarop de bestreden beslissing steunt daarenboven ondertussen ook werd neergelegd in de schorsingsprocedure; dat ook zo gezien des te meer betwijfeld moet worden welk belang verzoekster nog heeft bij een eventuele nietigverklaring, thans, om reden van de enkele schending van de formele-motiveringsplicht; dat verzoekster, verre van haar belang te concretiseren, in de memorie van wederantwoord de formele-motiveringsplicht zelfs niet meer te berde brengt en zich enkel nog toelegt, zoals hierna zal blijken, op de materiële motieven; dat zij geacht wordt het middelonderdeel niet meer te handhaven; 4.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord wel haar kritiek op de materiële motieven nader uitwerkt; dat zij de materiële motiveringsplicht dan geschonden acht in volgende zin : “Bij de uitsluiting van de verzoekster van de studievorm TSO heeft de verwerende partij gesteld : Deze motivering beantwoordt niet aan de vereisten dat de motivering deugdelijk, afdoend en gebaseerd moet zijn op concrete en correcte feitelijke gegevens. Ten eerste : de bestreden beslissing heeft niet aangetoond waarom TSO te hoog gegrepen zou zijn voor de verzoekster. Naast het feit dat deze motivering zuiver hypothetisch is gezien het feit dat de verzoekster nooit een technische richting gevolgd heeft, heeft de bestreden beslissing evenmin rekening gehouden met de verbeterde resultaten van verzoekster (zie eerste middel), vooral wat de leerstof betreft die belangrijk is voor een technische opleiding. Door in algemene bewoordingen te stellen dat TSO te hoog gegrepen zou zijn voor de verzoekster, zonder rekening te houden met het feit dat de verzoeker nooit een technische richting gevolgd heeft en zonder rekening te houden met de resultaten van de vakken die doorslaggevend zijn bij een technische studievorm en waarin de verzoekster behoorlijke resultaten gehaald heeft, soms boven het klasgemiddelde, schendt de verwerende partij de motiveringsplicht”; XII-1979-7/11 4.
- Overwegende dat de ontwikkeling die verzoekster geeft aan dit middelonderdeel in het verlengde ligt van haar grieven, uiteengezet in het eerste middel; dat voor de beoordeling ervan dan ook op de eerste plaats verwezen wordt naar hetgeen bij de bespreking van het eerste middel reeds is overwogen omtrent de beoordelingsvrijheid van de delibererende klassenraad; dat daarbij voorts wordt bedacht dat de beoordeling dat studies TSO “te hoog gegrepen zijn” voor een welbepaalde leerling, voldoende grondslag biedt om die leerling een oriënteringsattest B te geven met clausulering voor die studierichting; dat de delibererende klassenraad te dezen tot die beoordeling is gekomen op grond van de niet bestreden resultaten van verzoekster; dat verzoekster ook niet betwist dat de klassenraad daarbij oog had voor álle resultaten doorheen het (bis-)jaar, waaronder “17 onvoldoendes op rapporten, 6 op examens, waarvan heel wat zware onvoldoendes”, nu zij met betrekking tot het eerste middel integendeel argumenteert dat er aldus te weinig met sommige van de eindexamens rekening werd gehouden; dat verzoekster het voor die vakken dan nog driemaal moet stellen met als punten 50% (wiskunde), 57% (economie) en 58% (Nederlands); dat uit het dossier ook blijkt, zoals verzoekster ook erkent te weten, dat de beslissing in concreto ook is gesteund op een vergelijking tussen de leerplannen van ASO en TSO in de tweede graad en op verklaringen van de verschillende vakleerkrachten dat verzoekster moeilijkheden vertoont bij verwerken, assimileren en toepassing van de nieuwe leerstof; dat, gesteld tegenover al die “concrete en correcte feitelijke gegevens”, verzoeksters algemeen betoog niet overtuigt om het vertrouwen in de veronderstelde deskundigheid van de delibererende klassenraad in zijn oordeelsvorming over haar capaciteiten om de studievorm TSO al dan niet aan te kunnen, te doen wankelen; dat ten slotte het betoog van verzoekster ter terechtzitting, dat zij naderhand, onder meer via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, haar beoogde studies heeft kunnen vervolmaken en thans gegradueerde in de verpleegkunde is met specialisatie intensieve verzorging, wel haar inzet en volharding toont, maar niet het bewijs levert dat de klassenraad aan de hand van de hem toen voorliggende elementen enige onwettigheid bij het nemen van de bestreden beslissing heeft begaan; 4.
- Overwegende dat al hetgeen voorafgaat er toe leidt, dat het middel ongegrond is; 5.
- Overwegende dat als vierde annulatiemiddel verzoekster de schending aanvoert van artikel 24, § 5, van de Grondwet doordat de Vlaamse regering “niet de bevoegdheid [had] om de aflevering van oriënteringsattesten, en de XII-1979-8/11 clausulering, bij besluit te regelen”, doordat het essentiële elementen van de inrichting van het onderwijs betreft en krachtens de ingeroepen grondwetsbepaling de inrichting van het onderwijs door het decreet wordt geregeld; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat met “inrichting” in de zin van de ingeroepen grondwetsbepaling wordt bedoeld de essentiële beschikkingen inzake onderwijs, die het kader vastleggen waarbinnen de instellingen die aanspraak willen maken op subsidiëring door de overheid dienen te functioneren en dat het afleveren van oriënteringsattesten en de clausulering hier niet toe horen daar dit typische beleidsregelen zijn, die bepalen onder welke modaliteiten leerlingen die al dan niet zekere tekorten behaalden de overgang naar een hoger leerjaar kunnen maken; dat zij verzoekster ook inconsequentie verwijt, door zich in twee middelen te beroepen op een schending van het organisatiebesluit dat zij bij huidig middel ongrondwettig acht; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord het middel niet meer ter sprake brengt; 5.
- Overwegende dat verzoekster rechtstreeks grondwettigheidskritiek uitoefent op een aspect van het organisatiebesluit, zonder daarbij in vraag te stellen of het besluit, wat dit aspect betreft, formeel inpasbaar zou zijn in de wettelijke bepalingen die in de aanhef als rechtsgrond zijn opgenomen en zonder die wets- bepalingen zelf aan enig onderzoek, laat staan kritiek te onderwerpen; Overwegende voorts dat in het auditoraatsverslag wordt vast- gesteld dat verzoekster weliswaar stelt dat de regeling in het organisatiebesluit van de “aflevering” van oriënteringsattesten met een gebeurlijke clausulering strijdt met het grondwettelijk legaliteitsbeginsel-het auditoraat vermoedt dan nog welwillend dat verzoekster wellicht niet zozeer de afgifte bedoelt van een B-attest, “dan wel het voorzien van deze ‘slaagmodaliteit’ of ‘slaagvariant’ in het organisatiebesluit”- maar dat verzoekster die rechtsopvatting niet expliciteert in het verzoekschrift én er in de memorie van wederantwoord zelfs niet meer op terug komt; dat de voor de instructie van de zaak aangewezen auditeur vervolgens op gemotiveerde wijze uiteenzet dat, voor wat het A- of C-attest betreft, afgezien van de formele benaming die men er aan geeft, dit niet anders is dan de juridische formalisering van een feitelijke bevoegdheid die inherent is aan wezen en doel zelf van elke schoolse opleiding, de bevoegdheid met name om op grond van een gegeven waardeoordeel over kennis en kunde van XII-1979-9/11 een betrokken leerling, te oordelen of hij al dan niet geslaagd kan worden verklaard en dit oordeel vervolgens met de afgifte van een getuigschrift of diploma te honoreren; dat nog steeds in het auditoraatsverslag wordt uiteengezet dat zulke bevoegdheid, die tot de essentie zelf van het onderwijs behoort, door elke onderwijs- verstrekker binnen zijn eigen bevoegdheidsterrein formeel uitgeoefend moet worden; dat ten slotte, nog steeds volgens de auditeur, het oriënteringsattest B, dat ervan doet blijken dat de leerling wel het betrokken leerjaar met vrucht heeft beëindigd en tot het volgende leerjaar toegelaten mag worden, maar met clausulering voor bepaalde onderwijsvormen of onderverdelingen ervan, evenzeer bestaanbaar is met de bevoegdheidsverdeling inzake onderwijs; Overwegende dat verzoekster na kennisname van dit verslag geen reden ziet om nog enig weerwerk te bieden, door zelfs maar te pogen in een laatste memorie haar middel te expliciteren, laat staan door de geschetste uitvoerig gemotiveerde stellingname van het auditoraat te weerleggen; dat de Raad van State, die reeds bij de bespreking van het eerste middel de ruime beoordelingsvrijheid van de delibererende klassenraad in herinnering heeft gebracht, er in die omstandigheden dan ook mee kan volstaan de conclusie van het auditoraatsverslag bij te vallen; dat het middel niet wordt aangenomen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XII-1979-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1979-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.152 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.65.343 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.