← België

Arrest 154155 - - 26/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.155 Rolnummer: A. 140461/XII-3918 Zaak: Arrest 154155 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:39 Fiche Arrest nr 154.155 van 26 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.155 van 26 januari 2006 in de zaak A. 140.461/XII-

  1. In zake : Rudi VEREECKEN, wonende te Terhagen, Korte Nieuwstraat 3 tegen : ONZE-LIEVE-VROUWINSTITUUT BOOM. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudi Vereecken op 4 augustus 2003 heeft ingediend, nadat zijn dochter Inge Vereecken “op het einde van het schooljaar 2002-2003 [...] een B-attest [kreeg]”, omdat hij “deze beslissing [wil] aanvechten”; Gelet op de beschikking van 11 september 2003 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 18 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-3918-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. Van Geel, die loco Mr. J. Hendrickx verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Inge Vereecken is in het schooljaar 2002-2003 leerling van de derde graad, eerste leerjaar sociale en technische wetenschappen in het Onze-Lieve- Vrouwinstituut te Boom. De delibererende klassenraad levert haar een oriënterings- attest B af, met clausulering voor ASO en TSO. Na een onderhoud met de directeur, deelt deze schriftelijk aan de ouders van Inge Vereecken mee, geen redenen te zien die een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad rechtvaardigen. Met een 2 juli 2003 gedateerd en gemotiveerd schrijven vraagt haar vader, Rudi Vereecken, om “de zaak voor te leggen aan de Beroepscommissie”. Met een 7 juli 2003 gedateerd schrijven deelt de voorzitter van het schoolbestuur aan R. Vereecken mee : “De inrichtende macht heeft in een buitengewone vergadering van 5 juli 2003 om 11 u kennis genomen van het advies van de beroepscommissie betreffende de beslissing van de delibererende klassenraad over uw dochter Inge. De beroepscommissie is na grondig onderzoek van het dossier tot de vaststelling gekomen dat het dossier volledig en eenduidig is. Tevens vindt de beroepscommissie dat de beslissing genomen door de delibererende klassenraad van vrijdag 20/06 ll. gegrond is. De klassenraad oordeelde terecht dat Inge met 4 tekorten gespreid over 6 lesuren voldaan heeft aan het 5e jaar Sociale en technische wetenschappen maar dat een 6de jaar TSO niet binnen de mogelijkheden ligt. De beroepscommissie sluit zich aan bij het advies van de klassenraad om Inge een 6e jaar te laten starten in een BSO-richting (verzorging of organisatiehulp). Derhalve oordeelt de inrichtende macht dat de delibererende klassenraad niet opnieuw moet samenkomen”; XII-3918-2/4 Het voorwerp en de ontvankelijkheid van het beroep
  3. Overwegende dat verzoeker in de inleidende akte de Raad van State uitnodigt “mijn zaak [te] willen onderzoeken” en niet uitdrukkelijk de nietigverklaring vordert van enige beslissing; dat hij wel schrijft dat hij “deze beslissing [wil] aanvechten”; dat hij in de memorie van wederantwoord zelfs schrijft: “In mijn verzoekschrift heb ik nooit de nietigverklaring van de beslissing gevraagd, of ook nooit de schorsing”, en voorts: “Persoonlijk moet ik geen voordeel halen uit dergelijke procedure maar gaat het hier over de toekomst van mijn dochter welke door een dubieuze beslissing een vol jaar verliest”;
  4. Overwegende dat een rechtscollege zich moet houden aan de bevoegdheden zoals die hem door de grondwetgever of door de wetgever zijn toegekend; dat de nietigverklaring of de schorsing van een administratieve rechtshandeling nu eenmaal datgene is wat de Raad van State vermag te doen, en - zijn bevoegdheid om een dwangsom op te leggen of voorlopige maatregelen te bevelen terzijde gelaten- ook niet méér; dat meer bepaald de Raad van State niet bevoegd is om zich te stellen in de plaats van een delibererende klassenraad en over het al dan niet slagen van een leerling te beslissen; dat de Raad, met andere woorden, ingeval een verzoekende partij een onwettigheid aantoont, enkel door middel van het instrument van de nietigverklaring van de bestreden beslissing de klassenraad er toe kan brengen zich opnieuw over de leerling uit te spreken, waarbij die leerling dan wel de waarborg heeft dat de klassenraad, die rekening zal moeten houden met het tussengekomen vernietigingsarrest, de gebleken onwettigheid niet opnieuw zal mogen begaan;
  5. Overwegende dat de Raad van State evenwel ook vaststelt dat de inleidende akte door verzoeker getiteld is “verzoekschrift” en dat verzoeker er als “voorwerp” beschrijft: “betwisting van de beslissing van de klassenraad en van de Beroepscommissie”; dat aldus, en ook uit de verdere geschriften van verzoeker zonder twijfel blijkt dat hij de wettigheid wenst te betwisten van het aan zijn dochter uitgereikt oriënteringsattest; dat hij overigens ook wijst op het verlies van een schooljaar van zijn dochter; dat evenwel, zo bekeken, de Raad van State ambtshalve vaststelt dat Inge Vereecken, over wie de beslissing handelt, geboren blijkt te zijn op 24 augustus 1984 en bijgevolg ten tijde van die beslissing, en a fortiori ten tijde van het inleiden van voorliggend beroep, reeds meerderjarig was; XII-3918-3/4 Overwegende dat verzoeker zichzelf in het verzoekschrift aandient “in de hoedanigheid als vader van Vereecken Inge”; dat evenwel het annulatieberoep dat is gericht tegen een beslissing over het al dan niet slagen van een meerderjarige leerling, enkel door die leerling in eigen naam ingediend kan worden; dat verzoeker het proces niet in haar naam kan voeren; dat het beroep van verzoeker door de Raad niet ontvangen kan worden, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3918-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.155 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.