← België

Arrest 154156 - - 26/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.156 Rolnummer: A. 143968/XII-3982 Zaak: Arrest 154156 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:39 Fiche Arrest nr 154.156 van 26 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.156 van 26 januari 2006 in de zaak A. 143.968/XII-

  1. In zake : Pom CATTOOR, wonende te Bellem, Stuivenberg 5 tegen : de SCHOLENGROEP PANTA REI, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pom Cattoor, vertegenwoordigd door haar vader R. Cattoor maar thans meerderjarig, op 17 november 2003 heeft ingediend waarin de nietigverklaring wordt gevorderd van de beslissing van 19 september 2003 van de delibererende klassenraad van 5LAWI6 van het koninklijk atheneum Voskenslaan, houdende toekenning van een oriënterings-attest C; Gelet op het arrest nr. 137.953 van 2 december 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 24 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2005; XII-3982-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  3. Overwegende dat verzoekster in het schooljaar 2002-2003 leerling is in 5LAWI6 aan het koninklijk atheneum Voskenslaan te Gent; dat de delibererende klassenraad, nadat verzoekster een uitgestelde proef fysica heeft afgelegd, op 29 augustus 2003 beslist om haar een C-attest uit te reiken; Overwegende dat de directeur, na bezwaar van verzoekster, met een 22 september 2003 gedateerd en aangetekend verzonden schrijven aan de ouders van verzoekster meedeelt dat de delibererende klassenraad “is samengekomen op vrijdag 19 september op advies van de beroepscommissie. De raad heeft op die vergadering beslist haar [lees: zijn] eerder genomen beslissing te bevestigen. Het C-attest toegekend aan uw dochter Pom wordt aldus gehandhaafd”;
  4. Overwegende dat verwerende partij op de openbare terechtzitting van 9 november 2004 opwerpt dat verzoekster, geboren op 20 januari 1986, de in voorliggend beroep ingediende memorie van wederantwoord niet heeft ondertekend, zodat dit stuk onontvankelijk is;
  5. Overwegende dat de 7 april 2004 gedateerde memorie van wederantwoord is opgesteld : “Voor: Mej Pom Cattoor Wonende te Stuivenberg, 5 9881 Bellem, Vertegenwoordigd door: Richard Cattoor, vader van Pom Cattoor Wonende te Stuivenberg, 5 9881 Bellem, verzoekende partij”; Overwegende dat de memorie van wederantwoord is ondertekend “Voor de verzoekende partij, Richard Cattoor, vader van Pom Cattoor”; XII-3982-2/5
  6. Overwegende dat niet verzoekster de memorie van wederantwoord blijkt te hebben ondertekend; dat de Raad van State in het arrest nr. 137.953 van 2 december 2004 overwoog dat het gebrek dat volgens de verwerende partij aldus kleeft aan deze proceshandeling ook gevolgen kan hebben voor de ontvankelijkheid van het annulatieberoep zelf; dat immers artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij wet van 25 mei 1999, het ontbreken van het vereiste belang koppelt aan het niet eerbiedigen door een verzoekende partij van de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord; dat, omdat dit probleem nog niet in de debatten was gebracht, aan partijen werd toegelaten om er, na aanvullend onderzoek, stelling over te nemen;
  7. Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie “enkele argumenten naar voor [wilt] brengen die [...] een uitzondering op [de] regel kunnen verantwoorden”; dat een eerste argument is gesteund op het feit dat het gezin van verzoekster zich financieel geen advocaat kon veroorloven en dat zij zich hebben beholpen met de op internet terug te vinden informatie over de Raad van State, niet in het minst de beschikbare arresten; dat zij voorts argumenteert overtuigd te zijn dat “de vertegenwoordiging door de vader wettelijk is en bleef zolang de rechtsgang duurt”, wat “niet zo een onlogische gedachte” is; dat zij opmerkt dat de briefwisseling van de griffie steevast gericht bleef “aan Pom Cattoor, vertegenwoordigd door haar vader, Richard Cattoor” en in het onderwerp van die brieven stond “in zake: Cattoor Pom, vert. door haar vader Cattoor Richard”;
  8. Overwegende dat artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt : “Wanneer de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memories niet eerbiedigt, doet de afdeling, de partijen gehoord, zonder verwijl uitspraak op advies van het voor de betreffende zaak aangestelde lid van het auditoraat, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld”;
  9. Overwegende dat de ouders van een minderjarige in geschillen over het onderwijs van hun minderjarige kinderen als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen kunnen optreden; dat uit het verzoekschrift en uit de aangehaalde bewoordingen van de memorie van wederantwoord blijkt dat het als vertegenwoordiger van Pom Cattoor is dat haar vader is opgetreden; dat, daargelaten nog de vraag of niet ook haar moeder in dat geval méé had moeten optreden, R. Cattoor die hoedanigheid hoe dan ook verloren heeft van het ogenblik af dat verzoekster meerderjarig werd; dat verzoekster van dat ogenblik af in eigen naam, XII-3982-3/5 zonder verdere vormvereisten overigens, het geding verder voert zonder dat haar vroegere wettelijke vertegenwoordigers nog voor haar kunnen optreden; Overwegende dat voorts de financiële situatie van een verzoekster en het ontbreken van bijstand door een advocaat voor zijn onwetendheid met de wettelijke regeling geen overmacht uitmaakt; dat overigens voor dergelijke situaties van overheidswege in juridische bijstand wordt voorzien; Overwegende dat verzoekster ten slotte vergeefs verwijst naar de briefwisseling uitgaande van de griffie; dat het voor de griffie praktisch niet mogelijk is eigener beweging op zoek te gaan naar mogelijke wijzigingen betreffende de partijen, zoals hun hoedanigheid, adres, of zelfs voortbestaan; dat zulke informatie aan de griffie in beginsel dan ook niet bekend is tenzij de partijen haar daarvan op de hoogte brengen; dat daarenboven de griffie, in rechte, niet mag ingrijpen in de rechtspleging en slechts die taken mag uitvoeren waarmee zij is belast door of krachtens de toepasselijke wetgeving; Overwegende dat wat voorafgaat doet besluiten dat de memorie van wederantwoord niet op rechtsgeldige wijze is ingediend; dat verzoekster niet binnen de termijn van zestig dagen een regelmatige memorie van wederantwoord heeft ingediend; dat dienvolgens, overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang ontbreekt om de gevorderde nietigverklaring te verkrijgen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-3982-4/5 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3982-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.156 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.558 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.953 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.