← België

Arrest 154161 - - 26/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.161 Rolnummer: A. 153644/XII-4218 Zaak: Arrest 154161 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-09 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-30 08:47 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 154.161 van 26 januari 2006 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.161 van 26 januari 2006 in de zaak A. 153.644/XII-4218. In zake : Eric PEELMAN, die woonplaats kiest bij VSOA - Groep Onderwijs, met zetel te Brussel, Poincarélaan 72-74 tegen : de HOGESCHOOL GENT, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric Peelman op 12 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “dat de afdeling administratie van de Raad van State aan de Hogeschool Gent een dwangsom zou opleggen van 12.500 EUR per dag vertraging in de uitvoering van het [arrest van de Raad van State, nr. 55.044, van 6 september 1995,] te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de notificatie van het krachtens de huidige vordering uit te spreken arrest”; Gelet op het arrest nr. 139.166 van 13 januari 2005 waarbij de debatten worden heropend en aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld; Gelet op het arrest nr. 115/2005 van 30 juni 2005 van het Arbitragehof; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. Brewaeys; XII-4218-1/6 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten 1. Bij arrest nr. 55.044 van 6 september 1995, inzake Eric Peelman tegen de Vlaamse Gemeenschap en de Autonome Raad voor het Gemeenschaps- onderwijs, vernietigt de Raad van State : “1) de beslissing van 10 december 1987 van de Minister van Onderwijs houdende tijdelijke aanstelling van Adelin VAN DE KERKHOVE in de betrekking nr. 19 van halftijds werkleider chemie aan de Industriële Hogeschool van het Rijk-B.M.E. te Gent; 2) de beslissing van 29 september 1989 van de voorzitter van de centrale raad van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs houdende benoeming met ingang van 1 februari 1989 van bovengenoemd persoon in het ambt van voltijds werkleider chemie aan bovengenoemde school, in zoverre die benoeming de benoeming van verzoeker in bovengenoemde halftijdse betrekking in de weg staat; 3) de in beide voornoemde beslissingen geïmpliceerde weigering verzoeker met ingang van 1 oktober 1987 vast te benoemen in bovengenoemde halftijdse betrekking”. 2. Bij niet aangetekend verzonden schrijven van 18 maart 2004 schrijft het VSOA, dat stelt te handelen met een mandaat van verzoeker, de verwerende partij aan teneinde “het arrest uit te voeren binnen de termijn zoals vastgesteld in artikel 36 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State”. 3. Bij brief van 6 april 2004 deelt de raadsman van verwerende partij het VSOA onder meer het volgende mee : “Uw vraag komt erop neer dat U anno 2004 -onder dreiging van het opstarten van de dwangsomprocedure nota bene- de tenuitvoerlegging vordert van een arrest van de Raad van State van zowaar het jaar 1995, dat betrekking heeft op de annulatie van een beslissing die getroffen werd door de ARGO, daterend van 1989. XII-4218-2/6 U zal begrijpen dat een dergelijke verzoek vooreerst niet alleen om procedurele redenen onontvankelijk is, doch dat dit bovendien ook inhoudelijk allerminst correct voorkomt temeer nu ook blijkt dat uw lid zelf betreffende deze zelfde materie een burgerlijk geding zou hebben aangespannen, daterend reeds van het jaar 1997”; 4. Bij vonnis van 11 juni 2004, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, werd de vordering van verzoeker -het burgerlijk geding waarover sprake in de hierboven geciteerde brief- tegen het Gemeenschaps-onderwijs onontvankelijk verklaard. De vordering tegen de Vlaamse Gemeenschap werd wegens verjaring afgewezen. 5. In een niet aangetekend schrijven van 29 april 2004 stelt het VSOA “dat een vordering ex artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in die omstandigheden onafwendbaar (b)lijkt”. De ontvankelijkheid 6. Overwegende dat de vordering volgens de nota van verwerende partij te laat is; dat wordt toegelicht dat het arrest waarvan de uitvoering wordt gevraagd reeds negen jaar oud is, dat het verzoek tot het opleggen van een dwangsom binnen een redelijke termijn moest worden ingediend, dat verzoeker, in de plaats van de uitvoering te vragen, eerst twee jaar inactief is gebleven om dan te kiezen voor een burgerlijke procedure, waarin bovendien de verwerende partij niet eens werd betrokken; 7. Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting reageert dat het niet opgaat hem inactiviteit te verwijten waar het bestuur zelf jarenlang inactief is gebleven, wijl het nochtans wist dat, en hoe, het arrest moest worden uitgevoerd; dat verzoeker vraagt desnoods een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof over de schending door artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met het artikel 160 ervan, doordat “de wetgever - in tegenstelling tot annulatieberoepen - heeft nagelaten de beginselen inzake toepasselijke termijnen te bepalen m.b.t. de verjaring van de dwangsomvordering vast te stellen en verzoeker aldus verstoken blijft van een regeling waarvan de beginselen zijn vastgesteld door een democratisch verkozen vergadering”; XII-4218-3/6 8. Overwegende, wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van de rechtshandeling gevolgd moet worden door een nieuwe overheidshandeling en wanneer de overheid ter zake in gebreke blijft, dat dan overeenkomstig artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken, aan de Raad van State kan vragen om de betrokken overheid een dwangsom op te leggen; dat geen voorschrift bepaalt binnen welke termijn die vordering tot het opleggen van een dwangsom uiterlijk moet worden ingesteld; dat daaruit evenwel niet volgt dat die vordering zonder enige beperking in de tijd kan worden aangespannen; Overwegende dat in administratiefrechtelijke aangelegenheden ook van de burger een minimum aan zorgvuldigheid en redelijkheid mag worden verwacht; dat wie, bijgevolg, welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid gedurende een overdreven lange termijn nalaat het recht uit te oefenen om een dwangsom te vragen, zichzelf in een situatie plaatst waarin hij zich, vanwege zijn eigen feitelijke gedragingen, van de uitoefening van dat recht vervallen ziet; 9. Overwegende dat te dezen verzoeker met zijn vordering beoogt de rechtsplicht te doen uitvoeren om hem met ingang van 1 oktober 1987 vast te benoemen in de halftijdse betrekking van werkleider chemie aan de Industriële Hogeschool van het Rijk-B.M.E. te Gent; dat hij die rechtsplicht leest in het arrest van de Raad van State nr. 55.044; dat dit arrest 6 september 1995 is gedagtekend; dat noch uit het verzoekschrift, noch uit de stukken die verzoeker voorbrengt kan worden opgemaakt dat betrokkene de beweerde rechtsplicht op enig moment vóór maart 2004 onder de aandacht van het bestuur heeft gebracht, laat staan nog op de uitvoering ervan heeft aangedrongen; dat hij, integendeel, blijkbaar alleen in het verkrijgen van een schadevergoeding geïnteresseerd was, waarvoor hij op 18 september 1997 bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een vordering instelde tegen het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Gemeenschap; Overwegende dat verzoekers vertegenwoordiger in de sub 2 vermelde brief van 18 maart 2004 dan ook geheel terecht kon schrijven: “Wellicht tot uw verwondering vraag ik [...] uw aandacht voor het arrest nr. 55.044, door de Raad van State uitgesproken op 6 september 1995”; dat evenwel verder in de brief geen enkele poging wordt ondernomen om zelfs maar enigszins aan die verwondering tegemoet te komen; dat verzoeker het ook nadien niet nodig heeft gevonden tenminste een begin van uitleg of verklaring te geven voor zijn jarenlange passiviteit; XII-4218-4/6 dat de Raad van State aldus niet in de gelegenheid is om de eventuele redenen hiervoor bij de beoordeling van de zaak te betrekken; Overwegende dat alzo moet worden vastgesteld dat verzoeker zijn vordering pas heeft ingediend na het verstrijken van een termijn die, mede gelet op de afwezigheid van enige verantwoording, alle redelijkheidsperken te buiten gaat en dat hij een houding heeft aangenomen die met de uitoefening van het vorderingsrecht ex artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State objectief onverenigbaar is; dat er in beginsel reden is de besproken exceptie van niet- ontvankelijkheid bij te vallen; 10. Overwegende dat verzoeker, aangezien hij dreigt een verval- termijn tegengeworpen te krijgen waarover niet is beslist door een beraadslagende vergadering die democratisch is verkozen, vraagt ter zake de in het dictum overgeschreven prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; dat op het verzoek wordt ingegaan, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Worden de in de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet neergelegde beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie en het wettigheidsbeginsel inzake de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Raad van State, neergelegd in artikel 160 van diezelfde grondwet geschonden door artikel 36, § 1, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State gelezen in samenhang met artikel 14 en artikel 30, § 1, van diezelfde wetten : A. in de mate dat :
  2. a)in artikel 30, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt vermeld dat de Koning onder meer de termijnen van verjaring voor de indiening van de beroepen in artikel 14 bepaalt en dat deze termijnen ten minste 60 dagen moeten bedragen;
  3. b)in artikel 36 van de gecoördineerde wetten weliswaar wordt aangegeven dat een verzoek tot het opleggen van een dwangsom slechts ontvankelijk is XII-4218-5/6 wanneer de verzoeker de overheid bij een ter post aangetekende brief tot het nemen van een nieuwe beslissing heeft aangemaand en ten minste drie maanden zijn verlopen vanaf de kennisgeving van het vernietigingsarrest; B. Zodat de wetgever -in tegenstelling tot annulatieberoepen- heeft nagelaten de beginselen inzake toepasselijk termijnen te bepalen m.b.t. de verjaring van de dwangsomvordering vast te stellen en verzoeker aldus verstoken blijft van een regeling waarvan de beginselen zijn vastgesteld door een democratisch verkozen vergadering?”. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-4218-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.161 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.139.166 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.473 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.