← België

Arrest 154189 - - 26/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.189 Rolnummer: A. 77745/VII-16501 Zaak: Arrest 154189 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 08:40 Fiche Arrest nr 154.189 van 26 januari 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.189 van 26 januari 2006 in de zaak A. 77.745/VII-16.501. In zake : de n.v. STIJLMEUBELEN Jan PEETERS, die woonplaats kiest bij Advocaat P.-H. VAN BELLINGHEN, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 29 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. STIJLMEUBELEN Jan PEETERS op 5 maart 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 december 1997 waarbij haar beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen van 15 juli 1997 houdende gedeeltelijke weigering van de vergunning voor het veranderen van haar inrichting voor houtbewerking te Mechelen, Landbouwstraat 180, ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 21 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2005; VII-16.501-1/18 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Bestuurssecretaris S. TAVERNIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een inrichting voor houtbewer- king, inzonderheid voor de exploitatie van stijlmeubelen. 1.2. Op 16 mei 1997 dient zij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van haar inrichting, met precisering dat het een uitbreiding met een aantal rubrieken betreft. 1.3. In het kader van het openbaar onderzoek worden 53 schriftelijke bezwaren ingediend. 1.4. Op 15 juli 1997 wordt de vergunning gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen. De vergunning wordt geweigerd voor volgende onderdelen : - het gebruik van de spuitcabine met een vermogen van 8,5 kW; - de opslag van 300 kg schadelijke stoffen en 850 liter (zeer) licht ontvlambare vloeistoffen in de oude vrachtruimte van een wagen (lokaal H op het uitvoe- ringsplan); - het verbranden van onbehandeld houtafval in 4 verbrandingsinstallaties met een totaal calorisch vermogen van 318.000 kcal/uur of een nominale verbrandingsca- paciteit van ongeveer 76 kg/uur. VII-16.501-2/18 1.5. Met een aangetekend schrijven van 2 september 1987 stelt de verzoekende partij beroep in tegen dit besluit. Zij geeft ook te kennen dat zij wil worden gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie. Wat betreft de opslag van gevaarlijke stoffen doet de verzoekende partij onder meer gelden dat er geen hinderafweging werd uitgevoerd en dat zij in haar milieuvergunningsaanvraag duidelijk te kennen gaf dat de stoffen zouden worden opgeslagen in een inkuiping. De overheid had de inkuipingsverplichting als voorwaarde kunnen opleggen. Aangaande de verfspuitcabine wijst de verzoekende partij er onder meer op dat zij een watergordijn installeerde, dat zij pas vanaf 1 januari 1999 verplicht is om een schoorsteen te installeren die een meter hoger is dan de omringende gebouwen en dat te gemakkelijk wordt aangenomen dat de klachten inzake geurhinder gegrond zijn. Wat betreft de verbrandingsinrichtingen tenslotte betoogt de verzoekende partij dat het niet gaat om inrichtingen voor de verwerking (verbran- ding) van afval. De houtresten zijn bijstromen die de exploitant gebruikt in zijn eigen productieproces voor de opwekking van warmte voor de gebouwen. Er is dus geen sprake van een "zich ontdoen" van het afval. Zij stipt ook aan dat het ontwerpbesluit Vlarea onbehandeld houtafval onder bepaalde voorwaarden kwalificeert als een secundaire grondstof. De verzoekende partij wijst er ook op dat zij in de nabije toekomst haar oudste verbrandingsinstallatie met een capaciteit van 78.000 kcal/u of een thermisch vermogen van 90,7 kW buiten dienst zal stellen. In de plaats van deze installatie zal de bestaande verwarmingsinstallatie nr. 4 geplaatst worden met een capaciteit van 30.000 kcal/u of een thermisch vermogen van 34,3 kW. Deze laatste installatie is te groot voor het kleine atelier waar ze staat opgesteld. In dit atelier komt in de plaats van de installatie nr. 4 een gewone kachel met een maximaal vermogen van 15.000 kcal/u ofwel een thermisch vermogen van 19 kW. 1.6. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht en wordt de verzoekende partij gehoord. 1.7. Op 18 december 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep van de verzoekende partij wordt ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd : VII-16.501-3/18 "(...) Overwegende dat het beroepschrift betrekking heeft op het volgende : Opslag van gevaarlijke stoffen Het college van burgemeester en schepenen weigert de vergunning voor de opslag van 300 kg schadelijke stoffen en 850 liter (zeer) licht ontvlambare vloeistoffen. Als enige motivering voor de vergunningsweigering wordt aangestipt dat de opslag van gevaarlijke stoffen onveilig gebeurt, daar er geen degelijke inkuiping zou aanwezig zijn. Nochtans dient in het kader van een milieuvergunningsprocedure een duidelijke hinder- en belangenafweging te gebeuren door de administratieve overheid. Nochtans had de exploitant in zijn milieuvergunningsaanvraag (bijlage 29) duidelijk te kennen gegeven dat de aangevraagde gevaarlijke stoffen zullen opgeslagen worden volgens de wettelijke voorschriften in een inkuiping. Wanneer de vergunningverlenende overheid van oordeel was dat de opslag van gevaarlijke stoffen mogelijk was mits de installatie van een inkuiping, zoals we a contrario uit de consideransen van het besluit kunnen afleiden, had de vergunningverlenende overheid deze inkuipverplichting als voorwaarde moeten opleggen en niet de vergunning weigeren. M.b.t. de aangevraagde opslag van gevaarlijke stoffen wensen wij overigens te signaleren dat het een zeer beperkte hoeveelheid betreft, nl. 850 l licht ontvlambare vloeistoffen en 300 kg schadelijke stoffen. Verfspuitcabine Er werd reeds lange tijd een watergordijn geïnstalleerd zodat hierdoor uitvoering werd gegeven aan de bindende vergunningsvoorwaarde van de exploitatievergunning van 13 oktober 1983. Door de implementatie van het watergordijn beantwoordt de firma Peeters tevens aan de sectorale voorwaarde van artikel 5.4.3.4. § 1 van Vlarem II. De sectorale bepalingen stellen dat de afgezogen dampen in de open lucht moeten geloosd worden langs een schoorsteen met een zodanige hoogte dat de omgeving niet gehinderd wordt en die tenminste 1 meter hoger is dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- of andere gebouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, gelegen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. De NV Stijlmeubelen J. Peeters wenst er evenwel op te wijzen dat de installatie van deze schoorsteen slechts wettelijk verplicht gesteld wordt van 1 januari 1999, dat het een constructie-eis voor een bestaande inrichting betreft. De NV Stijlmeubelen J. Peeters engageert zich formeel om deze schoorsteen tegen 1 januari 1999 te plaatsen, teneinde alle klachten wegens geurhinder -al dan niet terecht- de kop in te drukken en deze problematiek op te lossen. Verbrandingsinrichtingen De kwalificatie onder rubriek 2.3.1.a.1. is fout om de volgende redenen : Artikel 2,1e van het gewijzigde afvalstoffendecreet definieert een afvalstof als elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. In casu is sprake van het ontstaan in het bedrijf zelf van een aantal bijstromen van stoffen die het bedrijf als zodanig niet wenst te produceren, maar die inherent zijn aan de door het bedrijf aangewende techniek voor de productie van de te produceren goederen. Ten aanzien van deze bijstromen wordt in de memorie van toelichting bij het afvalstoffendecreet letterlijk gesteld : VII-16.501-4/18 bijproducten afvalstoffen aangezien hij er zich van zal ontdoen of er zich van zal willen ontdoen'. De door de firma Peeters voortgebrachte houtresten zijn bijstromen die de exploitant in zijn eigen productieproces gebruikt voor de opwekking van warmte teneinde zijn eigen gebouwen te verwarmen. Bij besluit van 1 september 1994 verleende de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen de toelating aan de firma Bussche om een houtverbrandingsinstallatie met een thermisch vermogen van 600 kW voor de verbranding van maximaal 100 ton houtresten per jaar. De firma Bussche is eveneens een houtverwerkend bedrijf dat uitsluitend haar eigen houtresten aanwendt om warmte- en energie op te wekken. Terzake argumenteert de overheid dat het om onbehandeld hout gaat dat geen afvalstof is en derhalve verbrand mag worden en dat derhalve rubriek 43 (stookinstallaties) van toepassing is i.p.v. rubriek 2 (afvalverwerking). Het ontwerpbesluit Vlarea kwalificeert onbehandeld houtafval en houtafval vergelijkbaar met onbehandeld houtafval als een secundaire grondstof, wanneer dit gebruikt wordt als brandstof in een met hout of steenkool gestookte verbrandingsinrichting mits voldaan is aan de milieuvoorwaarden die voor deze hout -respectievelijk steenkoolverbrandingsinrichting- door Titel II van het Vlarem zijn vastgesteld. Teneinde evenwel aan de polemiek vooraf te gaan heeft de firma Peeters beslist om volgende herstructureringen door te voeren. In de nabije toekomst zal de firma Peeters haar oudste verbrandingsinstallatie (33 in de milieuvergun- ningsaanvraag) met een capaciteit van 78.000 kcal/u of een thermisch vermogen van 90,7 kW buiten dienst stellen. In de plaats van deze installatie zal de bestaande verwarmingsinstallatie nr. 4 (cfr. milieuvergunningsaanvraag) geplaatst worden met een capaciteit van 30.000 kcal/u of een thermisch vermogen van 34,3 kW. Deze reorganisatie heeft als gevolg dat in de nieuwe situatie de verbrandings- installaties noch onder de rubriek 2.3.4., noch onder de rubriek 43.1. van (...) Vlarem I zullen ressorteren en bijgevolg niet langer als een hinderlijke inrichting te beschouwen zijn; Gelet op het gunstig advies dd. 10 oktober 1997 (kenmerk AMV/A/VLA2/1359) van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) van de Administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer; op volgende elementen uit dit advies : gunstig voor 9 maanden op proef voor de rubrieken 2.3.4.a.1., 17.3.3.1., 17.3.4.2. en 4.3.b.l.; 1. Ligging & historiek van de inrichting De NV Peeters is gespecialiseerd in het fabriceren van stijlmeubelen. De inrichting is reeds decennia lang op hogergenoemde locatie gevestigd. Eind jaren tachtig werd het achtergedeelte van de inrichting (o.a. de spuitcabine) door brand verwoest. Er wordt nu een regularisatieaanvraag ingediend voor een aantal inrichtingen, die reeds gerealiseerd werden. Vroeger waren er klachten m.b.t. het bedrijf over geluids- en geurhinder. Deze werden ondertussen opgelost door het voldoen aan opgelegde bijzondere voorwaarden, gesteld bij besluit dd. 13.10.1983. In de jaren negentig werd aan de achterzijde van de fabriek een verkaveling residenti- ele woningbouw gerealiseerd; de tuinen van sommige woningen komen tot vlak tegen de inrichting. Het (

  1. is)ook in deze nieuwe wijk dat de meeste klagers wonen. Het aantal omwonenden dat hinder van de inrichting kan ondervinden is echter veel lager dan het aantal bezwaarschriften laat vermoeden (type- brief-petitie). VII-16.501-5/18 2. Beroepsargumenten * De spuitcabine Deze is een bestaande inrichting, aldus exploitant; de schoorsteen zoals voorzien in art. 5.4.3. § l zal dus tegen 01.01.1999 gerealiseerd worden (cfr. vergunning 1983). De vergunningsvoorwaarden uit 1983 werden voor het overige gerealiseerd. Met betrekking tot dit argument zijn er 2 opmerkingen : - ofwel is de inrichting geen bestaande inrichting, en dient de schoorsteen (en alle overige voorwaarden) onmiddellijk gerealiseerd. Dit is de correcte zienswijze : immers, de spuitcabine werd in 1989 verwoest door brand; een nieuwe-performantere-inrichting werd geplaatst; hiervan werd nooit melding gemaakt; de vergunning voor de spuitcabine is vervallen. - ofwel is de inrichting wel een bestaande inrichting; ook in dat geval diende de schoorsteen reeds uitgevoerd; immers, de allereerste vergunning. ref. 42.278f2 dd. 17.02.1970 (weliswaar vervallen in 1979) vergunde een verfspuitinstallatie (nog steeds de huidige, aldus exploitant) met als bijzonde- re voorwaarde : Het spreekt voor zich dat, indien het steeds om dezelfde installatie gaat, deze voorwaarde reeds in 1970 diende gerealiseerd; een overgangstermijn kan dus in beide hypothesen niet worden toegestaan. Argument ongegrond. Dat het schepencollege de klachten over geurhinder * De opslag van gevaarlijke stoffen Ook hier zegt de exploitant dat hij zich kan en zal conformeren aan Vlarem II. Dit is onvoldoende. Een vergunning dient inderdaad een voorwaardenkader te scheppen, doch wel voor een beoogde toestand, die uit het dossier af te leiden valt. Dit is in casu niet het geval. De opslag gebeurt niet conform de afstandsre- gels (vlak op de perceelsgrens) en ook de inkuiping voldoet niet. Argument ongegrond. Dit item dient echter gerelativeerd aangezien het hier om zeer kleine opslaghoeveelheden gaat (alles tesamen amper 1000 liter !). * De houtkachels Exploitant argumenteert dat het hier niet om afval gaat, doch als een bijstroom die op nuttige wijze wordt aangewend en alsdusdanig niet als afvalstof kan beschouwd worden; ook volgens het (nakend?) Vlarea is dit geen afvalstof, m.i. een brandstof (en als dusdanig gerubriceerd sub 43). Exploitant ring van 1 van de 4, vervanging door een kleinere ...) zodat i.p.v. 318.000 kcal/u (ca. 370 kW thermisch vermogen) er slechts 255.000 kcal/u (ca. 295 kW thermisch vermogen) overblijft zodanig dat om deze installaties te voeden maximaal 50 kg/u onbehandeld stukhout noodzakelijk is, en er dus geen vergunningsplicht is. Hiervoor dient het volgende gesteld : de houtverbranding zou in het verleden de grootste bron van hinder zijn geweest, omzichtigheid is dus geboden. De definitie in Vlarem II van de gezamelijke capaciteit van de ovens waaruit de inrichting bestaat ...' Nochtans blijkt exploitant (cfr. aanvraag) er een andere visie op na te houden; het is onduidelijk of hij hier in zijn beroepschrift afstand van doet; in elk geval VII-16.501-6/18 is voor de voeding van de installaties (meest ruime berekeningswijze) 60 à 65 kg onbehandeld stukhout correcter dan 50 kg; de inrichting is dus wel ingedeeld (2e klasse), hoewel nog erg kleinschalig. In Vlarea is dit geval inderdaad niet meer te beschouwen als een afvalstof, doch misschien wel ressorterend onder rubriek 43; Vlarea toepassen is echter juridisch niet mogelijk. Argument ongegrond. * Huidige situatie T.o.v. de periode van aanvraag/beslissing is er in het bedrijf reeds het één en het ander veranderd. - de opslag van gevaarlijke stoffen wordt (
  2. is)verplaatst naar een betere locatie en wordt voorzien van een inkuiping. - de houtkachels worden herschikt/ontmanteld en de nodige bestellingen voor conformering aan Vlarem II worden geplaatst. - ook de schouw voor de spuitcabine zal eerstdaags worden opgetrokken tot de juiste hoogte. Exploitant is zich er wel bewust van dat de aanpassingen een uiterst dringend karakter hebben. Eerder dan de zaak te weigeren is AMV voorstander van een vergunning op proef voor een periode van 9 maand. Exploitant maakt zich sterk dat de conformering aan Vlarem II voor eind december van dit jaar zal voltooid zijn. Bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk. * Voorwaarden - Algemene en sectorale Vlarem II-voorwaarden : V0l, V02, V20, V27, V46, V47-48, V49 en V50. - Bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden : Binnen de 5 maand dient exploitant aan het schepencollege en de AMV de nodige documenten over te maken waaruit blijkt 1 - dat de opslag voor gevaarlijke stoffen voorzien is van een inkuiping zoals bepaald in art. 5.17.2.2.1. § 5.; de opslagplaats dient eveneens op min. 7,5 m van de perceelsgrens te staan 2 - dat de verbrandingsinstallatie nr. 33 in de aanvraag ontmanteld is en vervangen door nr. 4; dat nr. 4 vervangen is door een nieuwe kachel, max. 15.000 kcal/uur; dat de emissiepunten dienen aangepast zodat uit een bijgevoegde meting blijkt dat voldaan wordt aan art. 5.2.3.4.4. - 5.2.3.4.5. Vlarem II 3 - dat de spuitcabine over een voldoende hoge schoorsteen beschikt cfr. art. 5.4.3.4. Vlarem II, evenals over de constructievereiste van art. 5.4.3.2. Vlarem II; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de Cel Ruimtelijke Ordening van de Afdeling ROHM van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM); Gelet op het ongunstig advies dd. 6 oktober 1997 (kenmerk AS/WW/LT/970585) van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM); op volgende elementen uit dit advies: In het voorliggende beroepschrift van de exploitant wordt geargumenteerd dat het geproduceerde houtafval niet als afvalstof dient beschouwd te worden, enerzijds op basis van de memorie van toelichting bij het afvalstoffendecreet, anderzijds steunend op het ontwerpbesluit Vlarea. In de bedoelde memorie van toelichting is sprake van het nuttig inzetten van de voortgebrachte, maar niet gewenste, bijproducten in het eigen productiepro- ces (eventueel processen) van het bedrijf. Het productieproces bestaat hier echter uit het vervaardigen van meubelen, van het zagen van het ruw hout over schuren en monteren tot het afwerken van de geproduceerde meubels; hierbij komt houtafval vrij; dit afval wordt niet aangewend in het beschreven productieproces maar wordt verbrand; de houtresten moeten bijgevolg wel degelijk als afvalstoffen beschouwd worden. VII-16.501-7/18 De argumentatie van beroeper leidt bovendien tot de onhoudbare conclusie dat eigen bedrijfsafvalstoffen, ongeacht hun karakteristieken, geen afval meer zouden zijn wanneer ze verbrand worden ter verwarming van de eigen gebouwen. Het Vlarea maakt nog steeds het voorwerp uit van een ontwerpbesluit; dit reglement wordt pas van kracht wanneer het gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad; de argumentatie die erop gebaseerd is, moet derhalve als voorbarig en ontdaan van elke rechtsgrond beschouwd worden. De aangehaalde herstructurering bestaat uit het vervangen van de oudste verbrandingsinstallatie (78.000 kcal/
  3. u)door een kachel met een vermogen van 15.000 kcal/u; dit geeft een totaal (4 ovens) calorisch vermogen van 255.000 kcal/u of een nominale verbrandingscapaciteit van ca. 54 kg houtafval per uur; derhalve blijft rubriek 2.3.4.a.l. van toepassing. De ovens voor houtafval van de NV Stijlmeubelen Peeters worden manueel gestookt; de opstart van de 4 installaties veroorzaakt telkens gedurende ca. 10 minuten een zwarte rookpluim uit de schouwen. Volgens art. 5.2.3.4.3. van Vlarem II moet een voedingsinrichting aanwezig zijn die een regelmatige voeding waarborgt; dit is hier niet het geval. Volgens art. 5.2.3.4.5. van hetzelfde reglement dienen op initiatief en op kosten van de exploitant tenminste jaarlijks emissiemetingen verricht te worden (grijswaarde, totale stof en CO); in het aanvraagdossier is geen emissiemeetver- slag terug te vinden om een gefundeerd oordeel te vellen over de hinderlijke aspecten van de verbrandingsinstallaties t.o.v. de omgeving. Elke uitrusting voor het zuiveren van de rookgassen afkomstig van de ovens ontbreekt. De exploitatie van de verbrandingsinstallaties kan niet toegelaten worden zolang niet aan de Vlarem-voorwaarden voor het verbranden van houtafval wordt voldaan; Gelet op het ongunstig advies dd. 10 oktober 1997 (kenmerk FD/AKBDME/AZO

(11047)97/7l59) van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM); op volgende elementen uit dit advies : In het beroepschrift wordt gesteld dat de geweigerde vernisspuitcabine reeds is uitgerust met een watergordijn en dat in de toekomst de schoorsteen zal verhoogd worden om een betere verspreiding te verzekeren zodat na het verstrijken van de overgangstermijn de inrichting conform Vlarem zal werken. Gezien in eerste aanleg geen advies werd verstrekt zijn de beschikbare gegevens enkel deze vermeld in het beroepschrift. Zo is het niet geheel duidelijk of het hier om solventhoudende, solventarme of watergebaseerde vernis gaat en evenmin is iets bekend over het spuitprocédé. Dit onderscheid is elementair om na te gaan of de meest doeltreffende zuiveringsmaatregel werd geïnstalleerd. Gezien bij de oorspronkelijke vergunningsaanvraag klachten aangaande geurhinder werden ingediend, kan worden verondersteld dat met solventhoudende producten wordt gewerkt. Derhalve wordt voorgesteld het bedrijf aan te moedigen over te schakelen op solventarme of watergebaseerde producten; het gebruik van HVLP-spuitpistolen, dit zijn pistolen met een verhoogd aanbrengrendement, wordt eveneens aanbevolen; voorts dienen de spuitactiviteiten plaats te vinden in een volledig afgesloten ruimte. Uit de BBT-studies blijkt dat de installatie van een nageschakelde maatregel zoals een actief koolfilter voor dergelijke kleine inrichtingen economisch niet haalbaar en ook niet efficiënt kan worden uitgebaat. Beter is het -zoals hierboven wordt vermeld- aan de bron te saneren. Ongeacht de in het beroepschrift aangehaalde overgangstermijnen stelt Vlarem II in de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen, art. 4.1.2.
  1. en art. 4.1.3.
  2. dat de exploitant -naast toepassen van BBT-alle nodige maatregelen dient te treffen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, ... VII-16.501-8/18 Op basis van hoger vermelde uiteenzetting adviseert de VMM -voor wat betreft de spuitcabine- ongunstig. Betreffende de houtafvalverbrandingsinstallaties meldt het bedrijf dat de in de vergunning vermelde installaties zijn vervangen door kleinere zodat het niet langer meer om inrichtingen gaat die moeten ingedeeld onder de rubriek 2.3.
  3. of
  4. In dit geval is een beroepschrift tegen de in de huidige vergunning opgenomen installaties weinig zinvol maar dient eerder een nieuwe aanvraag tot wijziging te worden aangevraagd; Gelet op het horen van de heer Peeters (exploitant) en de heer Gille (adviseur) door de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) dd. 2 december 1997, waarbij het volgende werd gesteld : Er werden door de exploitant reeds enkele maatregelen genomen die betrekking hebben op de weigeringsaspecten van het schepencollege. De exploitant licht deze kort toe : - De gevaarlijke stoffen worden in een inkuiping opgeslagen op 10 meter t.o.v. de perceelsgrenzen. De faktuur van de chemiekluis wordt in de zitting overhandigd. - OVAM stelt dat rubriek 2 van toepassing is op de verbrandingsinrichting gezien hierin houtafval verbrand wordt met een nominale verbrandingscapaciteit van meer dan 50 kg/uur. Hierop nam de aanvrager het initiatief een reorganisatie door te voeren en 1 stookinstallatie uit dienst te nemen. Hierdoor wordt het geïnstalleerde warmtevermogen lager dan 300 kW en is de inrichting niet meer ingedeeld. De verbrandingsinrichtingen betreffen enkel houtkachels en zijn dus niet voorzien van een voedingsinrichting, waardoor een regelmatige voeding gewaarborgd wordt; de inrichting wordt gevoed met stukhout. - De schouwen werden eveneens opgetrokken cfr. de bepalingen van Vlarem en de rookgasventilatoren werden geïnstalleerd. - De klachten betreffen vooral het visuele probleem : bij het opstarten van de houtkachels ontstaat er een zwarte rookpluim. Deze zwarte rookpluim verdwijnt ongeveer 20 minuten na het opstarten van de houtkachels. - Gezien de spuitcabine een bestaande inrichting is beschikt de exploitant over een overgangstermijn tot 1/1/1999 om de schouwhoogte aan te passen aan de bepalingen van artikel 5.4.3.
  5. §
  6. Hieromtrent merkt de AMV het volgende op : 1) Nadat de inrichting werd vernietigd door brand, met externe oorzaak, werd bij de heropbouw een nieuwe spuitcabine geplaatst. Dit blijkt uit de plannen. De plaatsing van deze nieuwe spuitcabine moest gemeld worden aan de bevoegde overheid. 2) In de vergunning dd. 17/02/1970 werd als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de schoorsteen ten minste 2 m boven het dak van de inrichting moest reiken; Gelet op het gunstig advies dd. 2 december 1997 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); op volgende elementen uit dit advies :
  7. * Rubriek 2.3.4.a.
  8. is van toepassing op de houtkachels, cfr. AMV en OVAM. Het door exploitant aangehaalde ontwerpbesluit Vlarea is nog niet in werking getreden.
  9. Gelet op de recent genomen maatregelen door de exploitant, volgt de PMVC het voorstel van de AMV om voor de door het schepencollege geweigerde rubrieken (2.4.3.a.1., 17.3.3.1., 17.3.4.
  10. en 4.3.b.1.) een proefvergunning te verlenen. De proefvergunning kan voor 1 jaar verleend worden.
  11. Voorwaarden AMV (+ de gevraagde documenten cfr. de bijzondere voorwaarden dienen ook aan het provinciebestuur bezorgd te worden); VII-16.501-9/18 Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Mechelen (Koninklijk Besluit dd. 5 augustus 1976), waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : woongebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de adviezen van de AMV en de PMVC niet gevolgd worden, gelet op het volgende : - de aanvraag dient beoordeeld te worden zoals ze oorspronkelijk werd ingediend; met een reorganisatie van de verbrandingsinrichtingen kan in het kader van de behandeling van het beroep geen rekening gehouden worden; op het ogenblik van het indienen van de aanvraag was er niet voldaan aan de vereiste Vlarem II-voorwaarden; - de conformering van de opslag van gevaarlijke stoffen en het gebruik en de spuitcabine aan de Vlarem II-voorwaarden blijkt nog niet volledig voltooid te zijn; Overwegende dat de adviezen van de OVAM en de VMM in aanmerking worden genomen; Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek 53 schriftelijke bezwaren werden ingediend met betrekking tot het volgende : - reuk- en rookhinder afkomstig van de spuitcabine en van het verbranden van houtafval - bodemverontreiniging - illegale lozingen achter de spuitcabine - bedrijf tracht zich via een regularisatie van de bestaande, gebrekkige en illegale toestand in regel te stellen met de wetgeving - uitstoot toxische producten van de spuitcabine - geluidshinder - verkeerde voorstelling van de feiten in de milieuvergunningsaanvraag - spuitcabine is niet conform met de richtlijnen - opslag van gevaarlijke en ontvlambare stoffen is onveilig - onduidelijkheden in de afvalverwerking; Overwegende dat de elementen aangebracht door de heer Peeters (exploitant) en de heer Gille (adviseur), gehoord door de PMVC, als volgt geëvalueerd worden : de aanvraag dient beoordeeld te worden zoals ze oorspronkelijk werd ingediend; bij het indienen van een nieuwe aanvraag zal moeten onderzocht worden of aan alle Vlarem II-voorwaarden is voldaan; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering zelfs mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; (...)";
  12. De gegrondheid van het beroep 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van "de formele motiveringsplicht"; dat zij, samengevat, doet gelden wat volgt : VII-16.501-10/18
  14. De Provinciale Milieuvergunningscommissie stelde voor een vergunning op proef te verlenen, en ook AMINAL en AROHM adviseerden gunstig. De verwerende partij steunde zich op de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren, doch het betrof vooral typebrieven en de klagers kwamen zich recent in de buurt van de verzoekende partij vestigen. De verwerende partij toont niet aan dat de hinder een abnormaal karakter vertoont en dat deze niet tot een aanvaardbaar niveau zou kunnen worden teruggebracht mits de voorgestelde aanpassingen en het opleggen van voorwaarden. De verwerende partij steunt zich uitsluitend op de adviezen van de OVAM en de VMM, zonder hiertoe de doorslaggevende redenen aan te duiden. Een verwijzing naar deze adviezen is onvoldoende. De laatste overweging in de aanhef van de bestreden beslissing, met name dat de hinder en de risico’s niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, is een stijlformule. 2 . De motivering is gebrekkig. Tijdens de hoorzitting lichtte de verzoekende partij toe dat de gevaarlijke stoffen ingekuipt en conform de voorschriften van Vlarem II zullen worden opgeslagen, dit op tien meter van de perceelsgrenzen. De ongunstige adviezen van de OVAM en de VMM zijn weinig pertinent. In tegenstelling tot wat de VMM suggereert vinden de verfspuitactiviteiten in een volledig afgesloten ruimte plaats. De OVAM gaat verkeerdelijk uit van de idee dat de houtresten in de productie van de verzoekende partij als afvalstoffen moeten worden aanzien. De onbehandelde houtresten zijn immers bijstromen die de verzoekende partij in haar eigen productieproces gebruikt als enige energiebron voor de verwarming van gebouwen, zodat de houtresten niet onder de definitie van afvalstof vallen.
  15. De firma BUSSCHE te Deurne kreeg de toelating voor een houtverbrandingsinstallatie met een thermisch vermogen van 600 kW voor de verbranding van maximaal 100 ton houtresten per jaar. Deze firma is ook een houtverwerkend bedrijf dat haar eigen houtresten aanwendt voor haar verwarmingsinstallatie. In dat geval werd het hout niet als een afvalstof aanzien. De argumentatie van de verzoekende partij terzake werd niet beantwoord; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt reageert : VII-16.501-11/18 "- Verweerster verwijst naar de tweede overweging op p. 10 van het bestreden besluit. Hierin wordt gesteld dat de gunstige adviezen van de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) niet worden gevolgd om volgende redenen : ‘- de aanvraag dient beoordeeld te worden zoals ze oorspronkelijk werd ingediend; met een reorganisatie van de verbrandingsinrichtingen kan in het kader van de behandeling van het beroep geen rekening gehouden worden; op het ogenblik van het indienen van de aanvraag was er niet voldaan aan de vereiste Vlarem II-voorwaarden; - de conformering van de opslag van gevaarlijke stoffen en het gebruik en de spuitcabine aan de Vlarem II-voorwaarden blijkt nog niet volledig voltooid te zijn'; In tegenstelling tot wat verzoekster beweert heeft verweerster dan ook wel degelijk haar beslissing gemotiveerd om af te wijken van de gunstige adviezen. - Ook op de elementen die exploitante heeft aangebracht tijdens het horen door de PMVC heeft verweerster geantwoord. In de tweede overweging op p. 11 van het bestreden besluit worden die elementen immers als volgt geëvalueerd : Aangezien verweerster in het bestreden besluit de motieven heeft aangegeven die aan de beslissing ten grondslag liggen, was zij niet verplicht om te antwoorden op de andere beroepsargumenten en elementen die verzoekster heeft aangebracht tijdens het horen door de PMVC. - De argumenten van verzoekster betreffende de resultaten van het openbaar onderzoek zijn niet relevant. Het is immers niet bepalend hoeveel bezwaren werden ingediend, maar wel of die al dan niet gegrond zijn. Wat dit laatste betreft, wijst verweerster erop dat zij zich in het bestreden besluit niet heeft uitgesproken over de gegrondheid van de ingediende bezwaren. Het eerste middel is niet gegrond"; 2.1.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord nog doet gelden dat op niet afdoend gemotiveerde wijze werd afgeweken van de gunstige adviezen van AMINAL en de OVAM, dat ook AMINAL immers uitging van de oorspronkelijke ingediende milieuvergunningsaanvraag en voorzag in het opleggen van een bijzondere voorwaarde, met name dat de exploitant stukken diende over te leggen waaruit blijkt dat voldaan is aan de Vlarem II- bepalingen, hetgeen ook gebeurde, dat het fout is een vergunning te weigeren omdat een exploitatie nog niet volledig in overeenstemming is met de Vlarem II-normen, dat het nooit op voorhand vaststaat of een inrichting zal voldoen aan deze normen, dat het advies van AMINAL zonder afdoende motivering onterecht terzijde werd geschoven, dat een vergunningsbesluit een antwoord dient te omvatten op de in beroep naar voor gebrachte argumenten, dat op de hoorzitting zij aantoonde dat kan beantwoord worden aan alle Vlarem II-voorwaarden, dat de verwerende partij daarop geen antwoord gaf, en dat de zinsnede dat de aanvraag dient beoordeeld te worden zoals ze oorspronkelijk werd ingediend in dit opzicht niet volstaat, dat de verwijzing naar de 53 ingediende bezwaren wordt gebruikt om het bestreden besluit VII-16.501-12/18 te motiveren of te ondersteunen, dat evenwel de verwerende partij tot taak had deze bezwaren op hun gegrondheid te toetsen, dat wanneer zij dat niet doet, zij niet tot de conclusie kan komen dat de risico's en de hinder verbonden aan de onderneming niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; 2.1.4.
  18. Overwegende, wat de sub 1 weergegeven grief betreft, dat in de aanhef van de bestreden beslissing als volgt gemotiveerd wordt waarom de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL en de PMVC niet worden gevolgd : "- de aanvraag dient beoordeeld te worden zoals ze oorspronkelijk werd ingediend; met een reorganisatie van de verbrandingsinrichtingen kan in het kader van de behandeling van het beroep geen rekening gehouden worden; op het ogenblik van het indienen van de aanvraag was er niet voldaan aan de vereiste Vlarem II-voorwaarden; - de conformering van de opslag van gevaarlijke stoffen en het gebruik en de spuitcabine aan de Vlarem II-voorwaarden blijkt nog niet volledig voltooid te zijn. Overwegende dat de adviezen van de OVAM en de VMM in aanmerking genomen worden"; dat uit die laatste overweging blijkt dat de verwerende partij de inhoud van de adviezen van de OVAM en de VMM -die worden weergegeven in de aanhef van de bestreden beslissing- tot de hare maakt; dat de overheid gerechtigd is te verwijzen naar adviezen voor zover de inhoud van die adviezen bekend is aan de betrokkene; dat aldus wat in die adviezen staat dus ook aanzien dient te worden als een motivering van de bestreden beslissing; dat uit de eigen overwegingen van de verwerende partij, gecombineerd met de inhoud van de adviezen van de VMM en de OVAM blijkt waarom werd afgeweken van de adviezen van AMINAL en de PMVC; dat van het advies van AROHM niet werd afgeweken vermits deze instantie stelt dat er geen stedenbouwkundige onverenigbaarheid is, en de verwerende partij dezelfde mening is toegedaan; 2.1.4.
  19. Overwegende dat het gegeven dat in fine van de aanhef van de bestreden beslissing inderdaad een soort samenvattende overweging staat inzake de hinder en de risico's die als een stijlclausule kan worden bestempeld, niet wegneemt dat in de aanhef van de bestreden beslissing ook nog andere, deugdelijke overwegingen aan te treffen zijn, die de bestreden beslissing kunnen dragen; 2.1.4.
  20. Overwegende dat de omstandigheid dat de bezwaarindieners zich in de buurt kwamen vestigen van een reeds bestaande inrichting niet van doorslaggevend belang is; dat ook in zulk een situatie een hinderlijke inrichting immers niet tot onaanvaardbare hinder of risico's aanleiding mag geven; VII-16.501-13/18 2.1.4.
  21. Overwegende dat in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert de verwerende partij wel degelijk de vergunning vermocht te weigeren omdat de vergunningsaanvraag niet voldeed aan de Vlarem II-normen; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd in haar betoog dat als een aanvraag niet voldoet aan die normen de overheid ze toch moet inwilligen en de nodige voorwaarden moet opleggen opdat aan die normen zou worden voldaan; dat immers de voorwaarden die de overheid alsdan zou opleggen zouden neerkomen op de Vlarem II-normen, die al voorhanden zijn en die hoe dan ook bindend zijn; dat wanneer een aanvraag niet aan de normen voldoet het bestuur er niet zonder meer van uit mag gaan dat wel aan de normen zal kunnen voldaan worden; dat dit immers moet blijken uit de aanvraag zelf; dat de verzoekende partij in wezen betoogt dat de aanvraag moet ingewilligd worden omdat de exploitant zich toch moet houden aan de Vlarem II-normen; dat evenwel op die manier het vergunningensysteem zou veranderen in een soort meldingsplicht waarbij de overheid op de hoogte wordt gebracht van de exploitatie en de exploitant zich aan de Vlarem II-normen moet houden; 2.1.4.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede onderdeel betwist dat, zoals gesteld in het bestreden besluit, de vergunningsaanvraag niet volledig voldoet aan de Vlarem II-normen; dat met de verwerende partij kan worden gesteld dat de aanvraag moet worden beoordeeld zoals ze werd ingediend zonder rekening te houden met eventuele hangende de beroepsprocedure aangebrachte wijzigingen; dat het desbetreffend onderzoek tot volgend besluit noopt : - De aanvraag is geweigerd voor de opslag van 300 kg schadelijke stoffen en 850 liter (zeer) licht ontvlambare vloeistoffen in de oude vrachtruimte van een wagen (lokaal H op het uitvoeringsplan). In de aanhef van de bestreden beslissing wordt gesteld dat dit gebaseerd is op de overweging dat de conformering van de opslag van de gevaarlijke stoffen aan de Vlarem II-voorwaarden nog niet volledig voltooid blijkt te zijn. Het is evenwel niet duidelijk op welke Vlarem II- voorwaarden de verwerende partij precies doelt. Bovendien wordt er van uitgegaan dat nog niet voldaan is aan de Vlarem II-voorwaarden, terwijl, gelet op het feit dat vergunningen in principe voorafgaand aan de exploitatie worden verleend, de exploitant zich in principe slechts zal kunnen conformeren aan de Vlarem II-voorwaarden op het ogenblik dat hij exploiteert. Tijdens de loop van de vergunningsprocedure moet die conformering nog niet "voltooid" zijn. Wel moet blijken uit de aanvraag dat men aan de voorwaarden zal voldoen. In bijlage 29 van de milieuvergunningsaanvraag ("preventieve voorzieningen") stelt de aanvrager dat de "gevaarlijke produkten worden ingekuipt volgens de wettelijke voorschriften". In zijn beroepschrift gericht aan de bestendige VII-16.501-14/18 deputatie wijst hij nog eens op dat gegeven uit het aanvraagdossier. Tijdens het horen door de PMVC wijst de exploitant er nogmaals op dat de gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in een inkuiping op 10 meter ten overstaan van de perceelsgrenzen. De factuur van de chemiekluis wordt in de zitting overhandigd. Op welke gronden de verwerende partij tot de conclusie komt dat deze opslag niet zal voldoen aan de Vlarem II-voorwaarden en de vergunning voor de opslag van de gevaarlijke stoffen dan toch weigert blijkt niet afdoende uit de aanhef van de bestreden beslissing. Het middelonderdeel is gegrond. - De vergunning werd ook geweigerd voor het gebruik van een spuitcabine met een vermogen van 8,5 kW. Wat betreft de verfspuitcabine overweegt de bestreden beslissing dat de conformering van het gebruik van de verfspuitcabine aan de Vlarem II-voorwaarden nog niet volledig voltooid is. In het advies van de VMM, dat de verwerende partij bijtreedt, wordt gesteld dat het niet duidelijk is of de exploitant solventhoudende, solventarme of watergebaseerde vernis gebruikt, en dat er ook niets bekend is over het spuitprocédé. Gelet op de klachten wordt er verondersteld dat met solventhoudende producten wordt gewerkt. Er worden een aantal maatregelen voorgesteld en tevens wordt voorgesteld de spuitactiviteiten plaats te laten vinden in een volledig afgesloten ruimte. De VMM adviseert ongunstig voor de spuitcabine. In de bijlage 11 bij de milieuvergunningsaanvraag ("kenmerkende gegevens van de voorziene emissies, afvalstoffen en afvalwaters") wordt vermeld dat de spuitcabine is voorzien van een watergordijn dat intern het water volledig recycleert. Voorts leest men dat de uitstoot van VOC’s enige tijd geleden sterk werd beperkt door het gebruik van wateroplosbare vernissen (ECO-COLORS). In de bijlage 29 ("preventieve voorzieningen") leest men dat er gebruik gemaakt wordt van een gesloten circuit voor het watergordijn. Tevens wordt nogmaals vermeld dat onlangs overgeschakeld werd op wateroplosbare verven en vernissen. Aldus blijkt in het advies van de VMM en dienvolgens ook in het bestreden besluit er ten onrechte van uitgegaan dat de verzoekende partij nog gebruik maakt van solventhoudende producten Ook wordt gesteld dat de spuitactiviteiten plaats moeten vinden in een volledig afgesloten ruimte, maar uit niets blijkt dat dit in casu niet het geval zou zijn. Tenslotte wordt niet betwist dat de spuitinstallatie van de verzoekende partij is uitgerust met een watergordijn. Uit niets blijkt waarom alsdan in de gegeven omstandigheden de verfspuitcabine niet zou voldoen aan de Vlarem II-voorwaarden. In elk geval wordt nergens in het bestreden besluit verduidelijkt aan welke precieze voorwaarde van Vlarem II niet is voldaan. Dit klemt des te meer nu de aanvrager in zijn beroepschrift VII-16.501-15/18 had gesteld dat door de implementatie van het watergordijn zij "tevens aan de sectorale voorwaarde van artikel 5.4.3.4., § 1 van Vlarem II" beantwoordt. Het middelonderdeel is gegrond. - Wat betreft de weigering voor het verbranden van onbehandeld houtafval in vier verbrandingsovens met een totaal calorisch vermogen van 318.000 kcal/uur, stelt de verwerende partij terecht dat de aanvraag voor deze rubriek moet worden beoordeeld zoals ze oorspronkelijk werd ingediend en geen rekening mag worden gehouden met de in het beroepschrift van de vergunningsaanvrager voorgestelde wijziging, die volgens de verzoekende partij tot gevolg zou hebben dat de verbrandingsinstallatie niet langer vergunningsplichtig zou zijn. In het advies van de OVAM, waarbij de verwerende partij zich aansluit, wordt terecht gesteld dat het houtafval niet wordt ingezet in het eigenlijke productieproces daar het verwarmen van bedrijfsgebouwen niet te beschouwen is als de productie als zodanig. Artikel 2, 1/, van het afvalstoffendecreet van 2 juli 1981 definieert het begrip afvalstof als volgt : "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen". Het houtafval moet in casu dan ook als een afvalstof worden beschouwd. Het standpunt van de verzoekende partij zou ertoe kunnen leiden dat alle afvalstoffen van een inrichting die in de inrichting zelf worden verbrand niet langer als een afvalstof kunnen worden beschouwd, met als gevolg dat ongeveer alles wat brandbaar is op die manier aan het statuut van afvalstof zou kunnen ontsnappen en dat aldus de afvalstoffenwetgeving grotendeels haar doel zou voorbijschieten. De OVAM is dan ook terecht van oordeel dat de verwarmingsinstallaties van de verzoekende partij waarin houtafval wordt verbrand onder de indelingsrubriek 2.3.4.a.1 van de bijlage 1 van Vlarem I valt, wat meteen meebrengt dat moet voldaan worden aan de terzake geldende sectorale milieuvoorwaarden van Vlarem II. De installatie van de verzoekende partij, zoals in het aanvraagdossier vooropgesteld, blijkt volgens het bestreden besluit daaraan niet te voldoen en de verzoekende partij betwist dit niet. Dienvolgens kan niet worden geconcludeerd dat in het bestreden besluit foutief wordt gesteld dat op het ogenblik van de aanvraag, wat betreft de verbrandingsinstallatie, niet was voldaan aan de Vlarem II-vereisten. - Tenslotte klaagt de verzoekende partij nog aan dat niet werd geantwoord op haar argumentatie in haar beroepschrift dat aan de firma BUSSCHE op 1 september 1994 de toelating was verleend voor een houtverbrandingsinstallatie met een thermisch vermogen van 600 kW voor de verbranding van maximaal 100 ton houtresten per jaar. Een partij kan zich evenwel niet beroepen op een VII-16.501-16/18 gebeurlijke onwettigheid die ten voordele van een ander bedrijf zou zijn begaan, om zelf ook een onwettige vergunning te verkrijgen. Aldus heeft de verzoekende partij geen belang bij dit middelonderdeel, BESLUIT: Artikel
  23. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 december 1997 waarbij het beroep van de n.v. STIJLMEUBELEN Jan PEETERS tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen van 15 juli 1997 houdende gedeeltelijke weigering van de vergunning voor het veranderen van haar inrichting voor houtbewerking te Mechelen, Landbouwstraat 180, ongegrond wordt verklaard. Artikel
  24. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse gewest. VII-16.501-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.501-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.