← België

Arrest 154192 - - 26/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.192 Rolnummer: A. 79449/X-8271 Zaak: Arrest 154192 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-30 08:47 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 154.192 van 26 januari 2006 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.192 van 26 januari 2006 in de zaak A. 79.449/X-8271. In zake : Yvan BEIRENS, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VINCKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Jan Moritoenstraat 1, bus 7 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE, Bossuytlaan 35. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvan BEIRENS op 17 juli 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 mei 1998 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 25 september 1997 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de vergunning is geweigerd voor het uitbreiden van een loods en het bijbouwen van een zoogkoeienstal aan de Loweg te Zuienkerke, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nr. 657d, e; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 31 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-8271-1/9 Gelet op de beschikking van 30 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker en van Advocaat K. VINCKE die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat K. VANBINST die loco Advocaat J. BOSSUYT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker eigenaar is van een perceel gelegen aan de Loweg te Zuienkerke, kadastraal bekend Sectie C, nr. 657 d, e; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1997 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het niet is gelegen binnen een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat verzoeker op 8 april 1997 bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zuienkerke een bouwaanvraag heeft ingediend tot het uitbreiden van een bestaande loods en het bijbouwen van een zoogkoeienstal; dat de afdeling Land op 21 april 1997 een gunstig advies heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar op 27 mei 1997 een ongunstig advies heeft verleend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zuienkerke bij besluit van 23 juni 1997 de gevraagde bouwvergunning heeft geweigerd ingevolge het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar; dat verzoeker op 18 juli 1997 beroep heeft ingesteld tegen dit weigeringsbesluit bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen bij besluit van 25 september 1997 het beroep van verzoeker heeft verworpen; dat verzoeker op 20 oktober 1997 beroep heeft ingesteld bij de bevoegde Vlaamse Minister tegen het weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie; dat verzoeker werd gehoord op 7 januari 1998; dat verzoeker met een ter post aangetekende brief van 7 april 1998 bijkomende stukken heeft overgemaakt en aan de afdeling stedenbouwkundige vergunningen heeft gevraagd "dringend een X-8271-2/9 antwoord te geven op (zijn) beroep van 22 Okt 1997 gezien de termijn reeds ruimschoots verstreken is en voor (hem) toch tijd begint te worden om te weten wat te doen"; dat verzoeker met een ter post aangetekende brief van 7 mei 1998 aan de afdeling stedenbouwkundige vergunningen opnieuw heeft gevraagd om een beslissing te nemen in zijn dossier; dat de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 26 mei 1998 het beroep van verzoeker heeft verworpen; Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de onwettigheid van het bestreden ministerieel besluit aanvoert doordat artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 aan de Vlaamse regering de verplichting oplegt om binnen de 60 dagen (verlengd met 15 dagen als de partijen wensen gehoord te worden) na afgifte van een ter post aangetekende zending houdende een beroep een beslissing te nemen, bij gebreke waarvan de aanvrager een rappelbrief kan versturen, waarna binnen de 30 dagen een beslissing dient te worden ontvangen door de aanvrager, terwijl hij op 6 april 1998 dergelijke rappelbrief heeft verstuurd en de beslissing hem pas op 27 mei 1998 werd betekend, zodat de beslissing van de minister buiten termijn werd genomen; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de brief van 6 april 1998, in feite gedateerd 7 april 1998, slechts kan worden aanzien als een gewone mededelingsbrief van tal van stukken die door verzoeker werden toegevoegd aan het dossier, dat het geen rappelbrief betreft daar deze brief niet voldoet aan de voorschriften bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994, dat het enige stuk dat als een rappelbrief kan worden beschouwd de brief van 7 mei 1998 is; Overwegende dat verzoeker dupliceert dat hij op 6 april 1998 een ter post aangetekende brief heeft verzonden met de vraag "om een dringend antwoord te geven op (zijn) beroep van 22 Okt 1997 gezien de termijn reeds ruimschoots verstreken is en het voor (hem) toch tijd begint te worden om te weten wat te doen", dat het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 een aantal vormvoorschriften voorziet, dat slechts één vormvoorschrift op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven, namelijk dat de brief verstuurd dient te worden naar de heer minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, p.a. directeur-generaal van de administratie voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, afdeling stedenbouwkundige vergunningen, graaf de Ferraris gebouw, Emile X-8271-3/9 Jacqmainlaan 156, bus 7 te 1000 Brussel, dat de brief naar het bij besluit voorziene adres werd verstuurd, dat de verwerende partij erkent de brief ontvangen te hebben, dat de verwerende partij de plicht heeft om bij ontvangst van een schrijven dat niet beantwoordt aan de voorgeschreven vormvoorschriften binnen de dertig dagen bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding aan de afzender mede te delen dat zijn schrijven niet als een geldige rappelbrief wordt beschouwd, dat de verwerende partij nooit een dergelijke brief heeft verstuurd zodat dient te worden aangenomen dat zij de brief van 6 april 1998 als een correcte rappelbrief heeft aanvaard, dat de formulering in de brief zeer duidelijk is; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen hij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit daar hem geen bouwvergunning werd verleend door het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zuienkerke, noch door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen en dat hij de bouwwerken niet heeft aangevat binnen het jaar na het verstrijken van de termijn van dertig dagen na verzending van de zogenaamde rappelbrief; Overwegende dat het bestreden besluit het beroep van verzoeker tegen het besluit van 27 september 1997 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende weigering van de bouwvergunning voor het uitbreiden van een loods en het bijbouwen van een zoogkoeienstal aan de Loweg te Zuienkerke, heeft verworpen; dat de exceptie van belang die door de verwerende partij in de laatste memorie wordt opgeworpen alleszins samenhangt met het onderzoek van de grond van de zaak, inzonderheid het onderzoek van het eerste middel van het verzoekschrift tot nietigverklaring; dat een voorafgaand onderzoek van dit middel zich derhalve opdringt; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de "onwettigheid van het ministerieel besluit" aanvoert op volgende gronden : "a. Aangezien het beroep tegen de beslissing van 25.09.1997 van de bestendige deputatie tijdig werd ingesteld, met name per aangetekend schrijven dd. 22.10.1997. b. Art. 53 § 2 4de lid Decreet dd. 22.10.1996 voorziet dat de Vlaamse regering aan partijen van haar beslissing binnen de 60 dagen na afgifte bij de post X-8271-4/9 van de aangetekende zending die het beroep bevat. Deze termijn wordt verlengd met 15 dagen als de partijen wensen gehoord te worden. Hoewel deze termijn geen vervaltermijn is voorziet het Decreet uitdrukkelijk dat na het verstrijken van die termijn de aanvrager een rappelbrief kan versturen, waarna binnen de 30 dagen aan hem de beslissing dient betekend te worden. Hoewel verzoeker een dergelijke brief heeft verstuurd (zie schrijven dd. 06.04.1998), is de beslissing hem pas betekend op 27.05.1998. Bijgevolg is dit laattijdig gebeurd en dient de Ministeriële beslissing nietig te worden verklaard."; Overwegende dat artikel 53, § 2, vierde en vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 bepaalt wat volgt : "Van de beslissing van de Vlaamse regering wordt aan de partijen kennis gegeven binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Vlaamse regering rappel(l)eren. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, dan mag hij zonder verdere formaliteiten overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de aanwijzingen van het dossier dat hij heeft ingediend, naar de decreten en verordeningen, met name naar de voorschriften van de goedgekeurde plannen van aanleg, alsmede naar de bepalingen van de verkavelingsvergunning; is het beroep door het college of de gemachtigde ambtenaar ingesteld, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de beslissing van de bestendige deputatie."; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het beroep van verzoeker tegen het besluit van 25 september 1997 van de Bestendige Deputatie houdende verwerping van zijn beroep werd ingesteld met een ter post aangetekende brief van 20 oktober 1997; dat verzoeker werd gehoord op 7 januari 1998; dat de bevoegde Vlaamse Minister niet heeft beslist binnen de door voormeld artikel 53, § 2, vierde lid, bepaalde termijn van 75 dagen; dat verzoeker met een ter post aangetekende brief van 7 april 1998 aan de minister heeft gevraagd "... dringend een antwoord te geven op (zijn) beroep van 22 Okt 1997 gezien de termijn reeds ruimschoots verstreken is en het voor (hem) toch tijd begint te worden om te weten wat te doen"; dat verzoeker met een ter post aangetekende brief van 7 mei 1998 aan de minister schrijft : "Bij deze moet ik helaas gebruik maken van art. 53 § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 Okt 1996. Mijn beroep dateert reeds van 22 Okt 1997 waarbij ik vroeg om gehoord te worden. Dit gebeurde op 07 jan 1998. Hierbij is duidelijk dat de termijn (...) ruimschoots X-8271-5/9 werd(...) overschreden. Op 07 mei 1998 heb ik een aangetekende brief gezonden met nog bijkomende inlichtingen en de vraag om een antwoord. Ik vraag U hierbij dan ook uitdrukkelijk om in dit dossier een beslissing te nemen."; dat de Vlaamse Minister van Openbare werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 26 mei 1998 over het beroep van verzoeker uitspraak heeft gedaan; dat dit besluit met een ter post aangetekende brief verzonden op 2 juni 1998 aan verzoeker ter kennis werd gebracht; dit is meer dan 30 dagen na de afgifte door verzoeker ter post van zijn brief van 7 april 1998; Overwegende dat, voor zover de verwerende partij aanvoert dat de brief van verzoeker van 7 april 1998 niet als een rappelbrief kan worden beschouwd omdat deze niet voldoet aan de voorschriften van het besluit van de Vlaamse regering van 9 november 1994 tot vaststelling van de vormvoorschriften na te leven door de aanvrager van een bouw- of verkavelingsvergunning bij de verzending van de rappelbrief bedoeld in artikel 55, § 2, vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, dient te worden vastgesteld dat dit besluit evenals het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot wijziging van dit besluit, bij arrest nr. 86.003 van 15 maart 2000 werden vernietigd; dat dit besluit aldus moet worden geacht ab initio uit de rechtsorde te zijn verdwenen en het niet voldoen aan de erin opgelegde vormvoorschriften niet meer kan worden ingeroepen om een rappelbrief niet als zodanig aan te nemen; dat om te voldoen aan het voorschrift van artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de inhoud van de rappelbrief in zodanige bewoordingen dient te worden gesteld dat de minister daardoor onmiskenbaar moet vernemen dat de betrokkene een welbepaald beroep heeft ingesteld en dat de minister aan dit beroep wordt herinnerd; dat in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij beweert, de ter post aangetekende brief van verzoeker van 7 april 1998 niet louter kan worden beschouwd als een "gewone mededelingsbrief van tal van stukken"; dat verzoeker in zijn brief duidelijk stelt : "Ik vraag U hierbij dan ook dringend een antwoord te geven op mijn beroep van 22 Okt 1997 gezien de termijn ruimschoots verstreken is en het voor mij tijd begint te worden om te weten wat te doen"; dat deze brief onmiskenbaar voldoet aan de voorwaarden van artikel 53, § 2, vierde lid, van het decreet betreffende ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en derhalve wel degelijk als een geldige rappelbrief te beschouwen is; X-8271-6/9 Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie vraagt volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen : "1. Schendt - artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, - de wet van 22 december 1970, in zoverre deze, wat betreft de gevolgen van de verzending van de rappelbrief een wijziging en een bevestiging inhield van het bepaalde in artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962, en thans - het artikel 53, § 2, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 23, derde lid, 4/, van de Grondwet, doordat het een stelsel van stilzwijgende vergunning instelt, a. waarvan de aard elk beroep tot nietigverklaring en, in voorkomende geval, tot schorsing, voor de afdeling administratie van de Raad van State zou uitsluiten; b. waarvan het toezicht door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde niet gelijkwaardig zou zijn met de jurisdictionele toetsingen die worden uitgeoefend ten aanzien van een stedenbouwkundige vergunning uitgereikt door een daartoe bevoegde overheid, inzonderheid : - in zoverre dat toezicht niet zou kunnen steunen op de schending van andere bepalingen dan de bepalingen die de aanvrager krachtens artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, de wet van 22 december 1970, in zoverre deze, wat betreft de gevolgen van de verzending van de rappelbrief een wijziging en een bevestiging inhield van het bepaalde in artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962, en thans het artikel 53, § 2, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 moet naleven; - in zoverre dat toezicht, zelfs marginaal, geen betrekking zou kunnen hebben op de inachtneming van de beginselen van goede ruimtelijke ordening of de inachtneming van de voorwaarden voor een afwijking of een uitzondering op een vooraf bestaand bouwverbod? 2. Bestaat die schending op zijn minst niet wanneer die stilzwijgende vergunning voortvloeit uit het ontbreken van een beslissing van de Gewestregering terwijl de andere bevoegde overheid of overheden die zich in de eerste of tweede aanleg zouden hebben uitgesproken, geweigerd zouden hebben de stedenbouwkundige vergunning uit te reiken? 3. Bestaat die schending op zijn minst niet wanneer die stilzwijgende vergunning geen betrekking heeft op een grond waarop in principe mag worden gebouwd, maar op een grond waarop bouwen, om reden van een erfdienstbaarheid non aedificandi in principe is uitgesloten en slechts uitzonderlijk kan worden toegestaan middels een daadwerkelijke en met redenen omklede beoordeling van de administratieve overheid die betrekking heeft op het bestaan van specifieke plaatselijke omstandigheden?"; Overwegende dat er, in toepassing van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, grond is het Arbitragehof te adiëren zoals gevorderd; X-8271-7/9 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2 De volgende prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Arbitragehof : "1. Schendt - artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, - de wet van 22 december 1970, in zoverre deze, wat betreft de gevolgen van de verzending van de rappelbrief een wijziging en een bevestiging inhield van het bepaalde in artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962, en thans - het artikel 53, § 2, vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 23, derde lid, 4/, van de Grondwet, doordat het een stelsel van stilzwijgende vergunning instelt, a. waarvan de aard elk beroep tot nietigverklaring en, in voorkomende geval, tot schorsing, voor de afdeling administratie van de Raad van State zou uitsluiten; b. waarvan het toezicht door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde niet gelijkwaardig zou zijn met de jurisdictionele toetsingen die worden uitgeoefend ten aanzien van een stedenbouwkundige vergunning uitgereikt door een daartoe bevoegde overheid, inzonderheid : - in zoverre dat toezicht niet zou kunnen steunen op de schending van andere bepalingen dan de bepalingen die de aanvrager krachtens artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, de wet van 22 december 1970, in zoverre deze, wat betreft de gevolgen van de verzending van de rappelbrief een wijziging en een bevestiging inhield van het bepaalde in artikel 55, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962, en thans het artikel 53,§ 2, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 moet naleven; - in zoverre dat toezicht, zelfs marginaal, geen betrekking zou kunnen hebben op de inachtneming van de beginselen van goede ruimtelijke ordening of de inachtneming van de voorwaarden voor een afwijking of een uitzondering op een vooraf bestaand bouwverbod? 2. Bestaat die schending op zijn minst niet wanneer die stilzwijgende vergunning voortvloeit uit het ontbreken van een beslissing van de Gewestregering terwijl de andere bevoegde overheid of overheden die zich in de eerste of tweede aanleg zouden hebben uitgesproken, geweigerd zouden hebben de stedenbouwkundige vergunning uit te reiken? X-8271-8/9 3. Bestaat die schending op zijn minst niet wanneer die stilzwijgende vergunning geen betrekking heeft op een grond waarop in principe mag worden gebouwd, maar op een grond waarop bouwen, om reden van een erfdienstbaarheid non aedificandi in principe is uitgesloten en slechts uitzonderlijk kan worden toegestaan middels een daadwerkelijke en met redenen omklede beoordeling van de administratieve overheid die betrekking heeft op het bestaan van specifieke plaatselijke omstandigheden?". Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8271-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.192 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.300 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.952 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.