id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.193 Rolnummer: A. 164033/X-12370 Zaak: Arrest 154193 - - 26/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:40 Fiche Arrest nr 154.193 van 26 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.193 van 26 januari 2006 in de zaak A. 164.033/X-12.
- In zake : Johan MATTHYS, die woonplaats kiest bij Advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan MATTHYS op 7 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 28 april 2005 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 7 januari 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een prefab diepvriescel op een perceel gelegen aan de Edelarendries 71 te Merelbeke, kadastraal bekend Sectie A, nr. 596 v 2; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ die verschijnen voor de verzoekende partij en van Bestuurssecretaris M.- A. DE GEEST die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; X-12.370-1/4 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 26 oktober 2004 een bouwaanvraag heeft ingediend bij het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke tot het bouwen van een prefab diepvriescel op een perceel gelegen aan de Edelarendries 71 te Merelbeke, kadastraal bekend Sectie A, nr. 596 v2; dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in woongebied met landelijk karakter; dat het niet is gelegen binnen een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat bedoeld perceel vooraan is bebouwd met een vrijstaande woning en op 12 , 60 m achter de woning met een bedrijfsgebouw met een breedte van 8 m en een diepte van 12 m en dat een bergruimte links ervan is aangebouwd; dat het perceel links en rechts wordt begrensd door residentiële woningen met achterliggende tuin; dat tijdens het openbaar onderzoek 4 bezwaarschriften werden ingediend door de aanpalende eigenaars; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke bij besluit van 7 januari 2005 de stedenbouwkundige vergunning heeft geweigerd; dat verzoeker op 18 februari 2005 beroep heeft ingesteld tegen voormelde weigeringsbeslissing bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de Bestendige Deputatie bij het thans bestreden besluit van 28 april 2005 het beroep van verzoeker heeft verworpen; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting X-12.370-2/4 van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door artikel 17, § 2, gestelde voorwaarde betreft, verzoeker stelt dat een diepvriescel bij de productie van ijsblokjes inherent is aan een efficiënt en economisch rendabele exploitatie van een dergelijke inrichting, dat zijn nadeel dan ook ernstig en evident is, dat zijn inrichting niet langer kan voldoen aan de vraag omdat zij over onvoldoende opslagcapaciteiten beschikt, dat de bestaande afnemers op zoek gaan naar andere leveranciers aangezien hij niet de garantie kan bieden dat alle leveringen op een vlotte en permanente wijze zullen geschieden, dat hij aldus niet enkel nieuwe klanten dient te weigeren maar ook zijn bestaand cliënteel verliest, dat zijn nadeel ernstig en disproportioneel is met de vermeende hinder van de indieners van de bezwaarschriften en dat een bijkomend verlies aan cliënteel de economische rendabiliteit van zijn inrichting op ernstige wijze zal aantasten; Overwegende dat uit verzoekers' uiteenzetting blijkt dat het door hem aangevoerde nadeel in essentie is gelegen in het risico op verlies van cliënteel; dat het aangevoerde nadeel in wezen een financieel nadeel is; dat een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is; dat dit wel het geval is wanneer het om een verlies van het volledige inkomen gaat of van een dermate groot deel ervan dat het de facto met dergelijk verlies kan worden gelijkgesteld en de gevolgen van dat verlies meer dan louter pecuniair zijn; dat degene die dergelijk nadeel inroept het bestaan ervan aannemelijk dient te maken; dat verzoeker enkel een e-mail neerlegt waaruit blijkt dat een bepaalde afnemer het contract wenst te verbreken omwille van onvoldoende opslagcapaciteit; dat anderzijds uit een aanvullende nota van 28 april 2005 van verzoeker gericht aan de bestendige deputatie blijkt dat de extra diepvriescel enkel moet dienen voor de opslag van een extra stock in de zomerperiode, die de voorgaande jaren ook werd aangelegd, maar dan op andere locaties; dat hieruit blijkt dat de weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor een prefab diepvriescel geen gevolgen heeft wat de opslagcapaciteit van het X-12.370-3/4 bedrijf op zich betreft; dat verzoeker bovendien geen enkel stuk voorlegt met betrekking tot zijn financiële situatie, de globaal door hem ontwikkelde economische activiteiten en de weerslag hierop van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; dat de uiteenzetting van verzoeker geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig januari 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.370-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.193 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.