id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.222 Rolnummer: A. 165972/XII-4592 Zaak: Arrest 154222 - - 27/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-07 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:41 Fiche Arrest nr 154.222 van 27 januari 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.222 van 27 januari 2006 in de zaak A. 165.972/XII-
- In zake : Roger TIJS, die woonplaats kiest bij advocaat T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : de STAD ANTWERPEN. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs op 13 september 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “a. Het juryverslag van ongekende datum waarbij aan verzoekende partij 504 op 1180 werd gegeven in trap 2 van de selectieprocedure (vergelijkend examen) voor de functie van adjunct-coördinator (monumentenzorg) b. De beslissing van ongekende datum waarvan bij brief van mevrouw Martine Corremans van 18 juli 2005 kennis werd gegeven aan de verzoekende partij en waarin beslist zou zijn dat verzoekende partij niet slaagde voor trap 2 van de selectieprocedure voor adjunct-coördinator monumentenzorg (vergelijkend examen). c. De beslissing van ongekende datum waarbij Consulent (alg. functie) J. Veeckman m.i.v. 1.08.05 gedurende 1 jaar belast wordt met de taak van adjunct-coördinator (monumentenzorg) d. De beslissing van ongekende datum waarbij de heer J. Veeckman benoemd werd als adjunct-coördinator monumentenzorg. e. De uit voorgaande beslissingen af te leiden impliciete beslissing waarbij de verzoekende partij niet benoemd wordt als adjunct-coördinator (monumentenzorg)”; Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs eveneens op 13 september 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissingen te vorderen; XII-4592-1/8 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur B. Thys, op grond van de artikelen 93 en 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikkingen van 14 december 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Sebreghts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Van der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-4592-2/8 De relevante feiten
- Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen op 15 april 2005 beslist plaatsen van adjunct-coördinator (monumentenzorg) open te verklaren voor personeelsleden en niet-personeelsleden; dat de kandidaten moeten slagen in een vergelijkende selectieproef; dat de selectieproef een schriftelijk, psychotechnisch, praktisch en mondeling gedeelte behelst en in twee trappen wordt georganiseerd; dat, om geslaagd te zijn, de kandidaten voor elke trap 60 % dienen te behalen; dat onder anderen verzoeker, in dienst van de stad als consulent stedenbouw op A-niveau, zich kandidaat stelt; Overwegende dat verzoeker voor trap 1 63,85 % behaalt; dat trap 2 bestaat uit, eensdeels, psychotechnische proeven en, anderdeels, een case en een rollenspel; dat blijkens het verslag van 30 juni 2005 van de selectiejury, verzoeker voor trap 2 slechts 42,71 % scoort en J. Veeckman de enige geslaagde in de selectieproef is; dat het schepencollege op 15 juli 2005 van het verslag van de selectiejury kennis neemt en beslist J. Veeckman met ingang van 1 augustus 2005 gedurende één jaar te belasten met de taak van adjunct-coördinator (monumenten) bij het bedrijf stadsontwikkeling; dat het college er aan toevoegt dat betrokkene pas tot adjunct-coördinator (monumentenzorg) “bevorderd” zal kunnen worden na één jaar proeftijd; dat met brief van 18 juli 2005 aan verzoeker wordt meegedeeld dat hij niet slaagde voor trap 2 van de selectieprocedure; De vordering tot nietigverklaring
- Overwegende dat de eerste twee beslissingen die verzoeker bestrijdt -onder punten a. en b. van zijn omschrijving van het voorwerp- zich laten identificeren als de door het schepencollege op 15 juli 2005 bekrachtigde beslissing van 30 juni 2005 van de selectiejury om hem niet geslaagd te verklaren in de selectieproef voor adjunct-coördinator (monumentenzorg); XII-4592-3/8 Overwegende dat de derde en vierde bestreden beslissing -sub punten c. en d.- één en dezelfde beslissing betreffen: die van 15 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen om J. Veeckman met ingang van 1 augustus 2005 op proef aan te stellen gedurende één jaar; Overwegende, ten slotte, dat de “impliciete beslissing” om verzoeker niet te benoemen, waarvan sprake onder punt e., vervat zit in het besluit van 15 juli 2005 waarbij het college kennis neemt van het eindverslag van de selectiejury en zodoende dezer conclusie dat verzoeker niet geslaagd is voor trap 2 tot de zijne maakt; dat de zogenaamde “impliciete beslissing” wezenlijk samenvalt met het eerste voorwerp van het beroep; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van het eerste middel de schending van het materieel motiveringsbeginsel aanvoert, doordat aan de bestreden beslissingen geen motieven ten grondslag liggen, laat staan draagkrachtige motieven die in het administratief dossier teruggevonden kunnen worden; dat wordt toegelicht dat de gegeven punten voor de case en het rollenspel niet kunnen volstaan als motivering “aangezien de antwoorden op vragen tijdens het rollenspel en de gedragingen tijdens het rollenspel niet vergeleken kunnen worden met modelantwoorden en modeloplossingen”, dat de gegeven punten onbegrijpelijk zijn, dat verzoeker niet begrijpt “wat er dan wel fout liep op het vlak van deontologie, bedrijfscultuur, enz.”, dat de punten voor leidinggevende en relationele vaardigheden evenmin steunen op draagkrachtige motieven, dat op basis van het psychotechnisch verslag “in tegendeel een zeer hoog cijfer gegeven [zou] kunnen worden en een positieve aanbeveling”; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat voor het uitvoeren en de beoordeling van de psychotechnische proeven een beroep werd gedaan op een gespecialiseerd selectiebureau, dat het verslag en de beoordeling van dit bureau de beslissing van de selectiejury om verzoeker 30 punten op 100 te geven voor “leiding geven” en 30 punten op 100 voor “relationeel” voldoende onderbouwt, dat de beoordeling van het rollenspel en de casestudy evenmin onjuist is of kennelijk XII-4592-4/8 onredelijk, dat het verslag van 30 juni 2005 van de selectiejury, samengelezen met de andere stukken van de selectieprocedure, het besluit van de selectiejury een voldoende motivering geven; 3.
- Overwegende dat trap 2 psychotechnische proeven -invullen vragenlijsten, gesprek- behelst, evenals een presentatie en rollenspel; dat met de psychotechnische proeven de leidinggevende en relationele competenties worden getest; dat de presentatie en het rollenspel peilen naar de competenties inzake beleidsadvies, leidinggeven, “organisatorisch”, “relationeel”, deontologie, bedrijfs- cultuur en veranderingsbereidheid; dat uit het administratief dossier met betrekking tot een en ander alleen vernomen kan worden hoeveel punten te behalen vielen en hoeveel punten de kandidaten hebben gescoord; dat uitsluitend dank zij verzoeker de Raad weet dat de opdracht voor de case (presentatie) luidt: “Op de 3e vraag van trap 1 gaf u een beleidsadvies [omtrent de eventuele bijdrage van de dienst monumentenzorg tot een “actueel/up-to-date beeld” van het gebouwde erfgoed]. Leg dit advies uit aan uw schepen. Werk een actieplan uit: u krijgt hiervoor 5 jaar jaarlijks i 400.000 ter beschikking. Dit is vrij te besteden, met inbegrip van personeel”; dat ook alleen de verzoeker het verslag over de psychotechnische proeven die hij aflegde, meedeelt; Overwegende dat de proeven van trap 2 niet van die aard zijn dat de juistheid van de gegeven antwoorden zomaar, quasi werktuiglijk, kan worden afgemeten aan hun overeenstemming met een kant-en-klare, van tevoren vaststaande oplossing; dat integendeel de beoordeling van de antwoorden een aanzienlijke appreciatiemarge inhoudt; dat het de overheid toekomt om aan te tonen die ruime beoordelingsvrijheid naar behoren te hebben gebruikt en voor haar oordeel op deugdelijke motieven te kunnen steunen; XII-4592-5/8 Overwegende dat verwerende partij daar hoegenaamd niét van doet blijken; dat, met betrekking tot de psychotechnische proeven, verwerende partij verzoeker voor de competentie “leiding geven” 30 punten op 100 heeft toebedeeld; dat het verslag ter zake echter vermeldt : “Dhr. Tijs heeft geen formele leidinggevende ervaring, maar zegt wel regelmatig aangezocht te worden voor de opvang en opleiding van jongere medewerkers, stage-studenten, enz. Hij formuleert op expliciete wijze zijn mening over hoe een leidinggevende rol dient te worden ingevuld en ziet deze functie als een opportuniteit om dat in de praktijk te brengen. Hij hecht daarbij naar eigen zeggen veel belang aan het creëren van kansen voor medewerkers om hun kwaliteiten ten volle te ontplooien en in te zetten. Hij wil dit vooral bereiken door hen daartoe de kennis en de verantwoordelijkheid te geven, en door hen te stimuleren via waardering. Dhr. Tijs blijkt verder voldoende inzicht te hebben in de manier waarop hij zijn leiderschapsstijl kan aanpassen aan de situatie waarin hij zich bevindt”; dat de discrepantie tussen deze beschrijving en de punten frappant is; Overwegende, met betrekking tot de presentatie en het rollenspel, dat verwerende partij haar waardering van verzoekers antwoord louter en alleen in cijfers heeft uitgedrukt: 80 punten op 160 voor beleidsadvies, 60 op 200 voor leiding geven, 108 op 180 voor “organisatorisch”, 80 op 200 voor “relationeel”, 48 op 80 voor deontologie, 24 op 80 voor bedrijfscultuur, en 44 op 80 voor veranderingsbereidheid; dat die punten zich niet zonder meer laten begrijpen als het resultaat van een afgewogen oordeel; dat zij zich integendeel, bij gebreke aan elke toelichting in het verslag van 27 juni 2005 van de jury of in enig ander stuk waarop de Raad van State acht mocht slaan, voordoen als een blote affirmatie; Overwegende dat verwerende partij terloops de procedure deed gelden dat in zoverre het auditoraat mocht menen dat de neergelegde stukken niet op voldoende wijze het bewijs leveren van de correctheid van de beoordeling en de motieven van de selectiejury, dan “alsnog aan de selectiejury [zal] worden verzocht om bijkomende stukken mede te delen die het bewijs leveren van de motieven die aan de grondslag liggen van de door de jury genomen beslissingen en/of een afdoende motievering uit te schrijven op basis van persoonlijke notities van verschillende XII-4592-6/8 juryleden, de stukken in het dossier van de selectiejury, ...”; dat de eerste auditeur in zijn verslag ook effectief bedoeld gebrek aan bewijs heeft vastgesteld; dat de bijkomende stukken niettemin zijn uitgebleven en verwerende partij ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaarde zonder reactie op het auditoraats-verslag te willen blijven; Overwegende dat de beslissing van 30 juni 2005 van de selectiejury om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor trap 2 -beslissing bekrachtigd bij collegebesluit van 15 juli 2005- klaarblijkelijk niet gesteund is op deugdelijke motieven; dat de onwettigheid de rangschikking van J. Veeckman als enige geslaagde, en dus als eerste laureaat van de selectieproef, aantast, evenals zijn daarop gebaseerde aanstelling op proef als adjunct-coördinator (monumentenzorg) bij het bedrijf stadsontwikkeling; dat het besproken middelonderdeel kennelijk gegrond is; De vordering tot schorsing
- Overwegende dat de hierna uit te spreken vernietiging de vordering tot schorsing zonder voorwerp doet vallen en onontvankelijk maakt, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden : de bij besluit van 15 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen bekrachtigde beslissing van 30 juni 2005 van de selectiejury om Roger Tijs niet geslaagd te verklaren voor trap 2 van de vergelijkende selectieproef voor adjunct-coördinator (monumentenzorg), evenals de beslissing van 15 juli 2005 van genoemd college van burgemeester en schepenen om J. Veeckman met ingang van 1 augustus 2005 gedurende één jaar op proef aan te stellen als adjunct-coördinator (monumentenzorg) bij het bedrijf stadsontwikkeling. Artikel
- XII-4592-7/8 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4592-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.222 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.