← België

Arrest 154223 - - 27/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.223 Rolnummer: A. 165819/XII-4590 Zaak: Arrest 154223 - - 27/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:41 Fiche Arrest nr 154.223 van 27 januari 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.223 van 27 januari 2006 in de zaak A. 165.819/XII-

  1. In zake : Roger TIJS, die woonplaats kiest bij advocaat T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : de STAD ANTWERPEN. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs op 6 september 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “a. De beoordeling van de jury van ongekende datum aangaande de op 13 juni 2005 door de verzoekende partij afgelegde selectieproef in de selectieprocedure voor stadsbouwmeester [...]. b. De beslissing van ongekende datum, waarvan kennis werd gegeven in een schrijven dd. 21 juni 2005, ondertekend door Martine Corremans en waarin, volgens voornoemde kennisgeving, zou beslist zijn dat Roger Tijs niet slaagde voor trap 1 van de selectieprocedure voor stadsbouwmeester waaraan hij deelnam op 13 juni
  2. c. Alle nadien genomen, met voorgaande beslissingen correlatieve beslissingen van ongekende datum aangaande de selectieprocedure voor stadsbouwmeester [...], inzonderheid het collegebesluit dat [...] zou dateren van 8 juli 2005 aangaande ‘kennisname van het eindverslag’ en de (in dit of een eventueel ander thans door verzoekende partij niet gekend besluit opgenomen) beslissing om de procedure af te sluiten en (impliciet) de verzoekende partij niet te benoemen tot stadsbouwmeester. d. Het collegebesluit van 15 juli 2005 waarbij het college goedkeurde dat de plaats van contractueel stadsbouwmeester (A10) opnieuw wordt openverklaard als moeilijk te werven functie met als afsluitdatum 4 september 2005 en het collegebesluit van 29 juli 2005 waarbij de afsluitdatum verlengd wordt tot 30 september 2005”; XII-4590-1/8 Gezien het verzoekschrift dat Roger Tijs eveneens op 6 september 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissingen te vorderen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur B. Thys, op grond van de artikelen 93 en 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikkingen van 14 december 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2006; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Sebreghts, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Van der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XII-4590-2/8 De relevante feiten
  3. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen op 13 mei 2005 beslist de functie van contractueel stadsbouwmeester open te verklaren voor personeelsleden en niet-personeelsleden, met als afsluitdatum voor het indienen van de kandidaatstellingen 5 juni 2005; dat de gemeenteraad op 17 mei 2005 de toegangsvoorwaarden vaststelt; dat de kandidaten moeten slagen in een vergelijkende selectieproef; dat de selectieproef een schriftelijk, psychotechnisch, praktisch en mondeling gedeelte behelst en in twee trappen wordt georganiseerd; dat, om geslaagd te zijn, de kandidaten minstens 50 % van de punten moeten behalen in elke trap, evenals “50% van het algemeen totaal van de te behalen punten”; dat er twee kandidaten zijn, onder wie verzoeker, in dienst van de stad als consulent stedenbouw op A-niveau; Overwegende dat trap 1 het schriftelijk gedeelte betreft en beoogt vier vaktechnische competenties te testen; dat de schriftelijke proef op 13 juni 2005 wordt afgelegd en de selectiejury verzoeker er op 21 juni 2005 35 punten op 280, of 12,5 %, voor toekent; dat met brief van dezelfde dag aan verzoeker wordt meegedeeld dat hij niet slaagde voor trap 1 van de selectieprocedure voor stadsbouwmeester; dat het schepencollege op 8 juli 2005 kennis neemt van het eindverslag van 27 juni 2005 van de selectiejury, blijkens hetwelk geen enkele kandidaat in de selectieproef is geslaagd; dat het college op 15 juli 2005 beslist de plaats opnieuw open te verklaren onder de personeelsleden en niet-personeelsleden, met als afsluitdatum voor het indienen van de kandidaturen 4 september 2005; dat de afsluitdatum bij collegebeslissing van 29 juli 2005 wordt verplaatst naar 30 september 2005; De vordering tot nietigverklaring
  4. Overwegende dat volgens de verwerende partij “de Raad [zal] moeten nagaan of de Raad weldegelijk bevoegd is”; dat zij oppert dat verzoeker de stad een aantal fouten verwijt binnen de precontractuele fase van de aanwerving met XII-4590-3/8 arbeidsovereenkomst van de stadsbouwmeester en dat betwistingen in verband met arbeidscontracten in principe onder de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken vallen; Overwegende dat terecht verwerende partij er op wijst dat, gelet op artikel 144 van de Grondwet, de Raad van State zonder rechtsmacht is inzake betwistingen over arbeidscontracten; dat de betwisting die verzoeker aanbrengt evenwel niet (de uitvoering van) een arbeidscontract betreft, maar eenzijdige bestuurshandelingen die aan een mogelijke dergelijke overeenkomst voorafgaan en er van afgesplitst kunnen worden; dat de exceptie verworpen wordt;
  5. Overwegende dat verwerende partij de laattijdigheid opwerpt “voor zover het [verzoekschrift] betrekking heeft op de beslissing van de examenjury en de kennisgeving ervan”; dat wordt toegelicht dat de beslissing van de examenjury aan verzoeker ter kennis werd gebracht met een brief van 21 juni 2005, zodat de termijn van zestig dagen afliep op 20 augustus 2005; Overwegende dat de beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren er een is die hem, met het oog op het doen ingaan van de beroepstermijn ertegen, betekend moest worden; dat die betekening eveneens de vereiste formele motivering dient te omvatten; dat evenwel de brief van 21 juni 2005 verzoeker alleen er van inlichtte dat hij niet geslaagd was voor trap 1 en dat hij de door hem behaalde resultaten mocht inkijken na een telefonische afspraak met de afdeling personeelsvoorziening; dat de inzage pas op 11 augustus 2005 kon plaats hebben; dat het besproken beroep de 26ste dag nadien is ingesteld; dat de exceptie verworpen wordt;
  6. Overwegende dat verwerende partij voorts de onontvankelijkheid doet gelden van het beroep in zoverre het de beslissingen betreft die verzoeker naast punten c. en d. van zijn omschrijving van het voorwerp aanvecht; dat van de beslissingen naast punt c. wordt opgemerkt “dat volstrekt onduidelijk is over welke XII-4590-4/8 beslissingen het gaat”; dat de beslissingen naast punt d. slechts voorbereidend worden genoemd; Overwegende dat verzoeker het voorwerp van zijn vordering in vier delen -punten a. tot d.- opsplitst; dat punten a. en b. het besluit van 21 juni 2005 van de selectiejury betreffen om hem niet geslaagd te verklaren in trap 1 van de selectieproef; dat punt c. betrekking heeft op de met dat besluit “correlatieve beslissingen”; dat hiermee op niet mis te verstane wijze de collegebeslissing van 8 juli 2005 wordt bedoeld, in zoverre daarin het college kennis neemt van verzoekers beoordeling door de selectiejury en zodoende die beoordeling tot de zijne maakt; dat, aangezien ook de enige andere kandidaat dan verzoeker niet slaagde, het college met beslissingen van 15 en 29 juli 2005 -de beslissingen sub d.- besluit een nieuwe oproep tot de kandidaten te richten en de kandidaturen in te wachten eerst uiterlijk op 4 september 2005, en vervolgens ten laatste op 30 september 2005; Overwegende dat het voorwerp van het beroep niet onduidelijk is; dat de collegebesluiten van 8, 15 en 29 juli 2005 inderdaad voorbereidend zijn ten opzichte van de eventuele keuze van een contractueel stadsbouwmeester; dat zij evenwel wat verzoeker betreft niet loúter voorbereidend zijn; dat zij hem een dadelijk nadeel doen lijden en als zodanig voor hem dan ook een voor vernietiging vatbare vóór-beslissing uitmaken; dat zij hem onmiddellijk en definitief de mogelijkheid doen verliezen om (mee) op grond van de schriftelijke proeven die hij op 13 juni 2005 aflegde, tot stadsbouwmeester te worden gekozen; Overwegende dat de besproken exceptie verworpen wordt;
  7. Overwegende dat verwerende partij in een laatste exceptie verzoeker belang ontzegt: “Dhr. Tijs kan zich kandidaat stellen en opnieuw deelnemen aan de selectieprocedure”; Overwegende dat een en ander niet belet dat, zoals hiervoor gezien, verzoeker ten gevolge van de bestreden beslissingen de mogelijkheid wordt ontnomen XII-4590-5/8 om reeds op grond van de door hem op 13 juni 2005 afgelegde proeven tot stadsbouwmeester te worden gekozen; dat de exceptie verworpen wordt; 6.
  8. Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van het eerste middel de schending van het materieel motiveringsbeginsel aanvoert, doordat aan de bestreden beslissingen geen motieven ten grondslag liggen, laat staan draagkrachtige motieven die in het administratief dossier teruggevonden kunnen worden; Overwegende dat volgens verwerende partij het verslag van de jury duidelijk is en de motivering uit de punten blijkt; 6.
  9. Overwegende dat de verwerende partij met de schriftelijke proef van 13 juni 2005 peilt naar vier vaktechnische competenties van de kandidaten: kennis van de organisatie stad Antwerpen en haar werking, kennis van de werking van de overheid op het vlak van ruimtelijke ontwikkeling, kennis van actualiteit en maatschappelijke evoluties, en kennis van stedelijke ontwikkelingen/ontwikkelings- strategieën, waarvoor respectievelijk 40, 40, 100 en 100 punten te behalen vallen; dat de proef één vraag behelst: “Motiveer het belang en de rol van de stadsbouwmeester in de stad Antwerpen en motiveer hoe u deze functie in samenwerking met interne en externe partners zou invullen in de stad Antwerpen”; dat verzoekers antwoord verschillende bladzijden beslaat; dat het gequoteerd wordt met respectievelijk 5, 10, 10 en 10 punten voor de verschillende competenties, of in totaal 35 punten op 280; Overwegende dat de examenopgave niet van die aard is dat de juistheid van het antwoord zomaar, quasi werktuiglijk, kan worden afgemeten aan zijn overeenstemming met een van tevoren vaststaande, min of meer precies afgelijnde oplossing; dat integendeel de beoordeling van het antwoord een aanzienlijke appreciatiemarge inhoudt; dat het de overheid toekomt om aan te tonen die ruime beoordelingsvrijheid naar behoren te hebben gebruikt en voor haar oordeel op deugdelijke motieven te kunnen steunen; XII-4590-6/8 Overwegende dat verwerende partij daar hoegenaamd niét van doet blijken; dat zij haar waardering van verzoekers antwoord louter en alleen in een paar cijfers heeft uitgedrukt; dat die punten zich niet zonder meer laten begrijpen als het resultaat van een afgewogen oordeel; dat zij zich integendeel, bij gebreke aan elke toelichting in het verslag van 27 juni 2005 van de jury of in enig ander stuk waarop de Raad van State acht mocht slaan, voordoen als een blote affirmatie; dat verwerende partij eind september 2005 wel schrijft dat het haar vanwege de korte tijdspanne “niet mogelijk [was] om bij de Voorzitter van de examenjury afschrift te bekomen van het verslag van de deliberatie waaruit de motivering blijkt van de individuele scores”, maar zij meer dan drie maanden later nog altijd niet er in gelukt is de nadere motieven te doen kennen; dat die motieven dan ook voor onbestaande worden gehouden; Overwegende dat het voorgaande de onwettigheid aantoont van de beslissing van 21 juni 2005 van de selectiejury om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de vergelijkende selectieproef voor stadsbouwmeester en van de bekrachtiging ervan bij besluit van 8 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen; dat het tevens uitwijst dat verwerende partij niet op goede grond heeft geoordeeld, in de collegebeslissingen van 15 en 29 juli 2005, dat geen enkele kandidaat slaagde voor de selectieprocedure en dat het “bijgevolg noodzakelijk” was om de plaats van contractueel stadsbouwmeester opnieuw open te verklaren, met als afsluitdatum voor het indienen van de kandidaturen eerst 4 en nadien 30 september 2005; dat het middelonderdeel kennelijk gegrond is; De vordering tot schorsing
  10. Overwegende dat de hierna uit te spreken vernietiging de vordering tot schorsing zonder voorwerp doet vallen en onontvankelijk maakt, XII-4590-7/8 BESLUIT: Artikel
  11. Vernietigd worden: de beslissing van 21 juni 2005 van de selectiejury van de stad Antwerpen om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor trap 1 van de vergelijkende selectieproef voor stadsbouwmeester te Antwerpen, de bekrachtiging van die beslissing bij besluit van 8 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen, en de beslissingen van 15 en 29 juli 2005 van hetzelfde college om de plaats van contractueel stadsbouwmeester opnieuw open te verklaren, met als afsluitdatum voor het indienen van de kandidaatstellingen 4 september 2005, respectievelijk 30 september
  12. Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4590-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.223 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.