id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.227 Rolnummer: A. 161157/X-12253 Zaak: Arrest 154227 - - 27/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:42 Fiche Arrest nr 154.227 van 27 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.227 van 27 januari 2006 in de zaak A. 161.157/X-12.
- In zake :
- Dirk COPPENS,
- Nadine VAN IMPE, die woonplaats kiezen bij Advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
- de stad AALST, die woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Noordlaan 82-84,
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- tussenkomende partij : Polydoor VAN LANGENHOVE, die woonplaats kiest bij Advocaat L. LOOS, kantoor houdende te 9300 AALST, Majoor Claserstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk COPPENS en Nadine VAN IMPE op 24 maart 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 13 december 2004 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Aalst waarbij aan Polydoor VAN LANGENHOVE de vergunning wordt verleend tot het regulariseren van een appartementsgebouw gelegen Majoor Charles Claserstraat 8 te Aalst, ten kadaster bekend onder Sectie C, nr. 1000/t-3; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.253-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat P. VANDOOLAEGHE die loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal;
- Overwegende dat de heer Polydoor VAN LANGENHOVE met een verzoekschrift van 15 april 2004 (lees: 2005) heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- Overwegende dat de tussenkomende partij eigenaar is van een terrein gelegen te Aalst, Majoor Charles Claserstraat 8, kadastraal bekend onder de 2de Afdeling, Sectie C, nr. 1000 t3; Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot dit terrein aanvragen heeft ingediend tot het verkrijgen van een vergunning voor het bouwen van een appartementsgebouw, welke bij besluiten van het College van X-12.253-2/7 burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 7 november 1988 en 2 mei 1989 telkens is geweigerd; Overwegende dat de tussenkomende partij een derde aanvraag heeft ingediend, en dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 29 januari 1990 de bouwvergunning heeft verleend; dat deze vergunning vernietigd is door de Raad van State, bij arrest nr. 39.972 van 2 juli 1992; Overwegende dat de tussenkomende partij een vierde aanvraag heeft ingediend, en dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 21 december 1992 de bouwvergunning heeft verleend; dat deze vergunning geschorst is door de Raad van State, bij arrest nr. 41.591 van 15 januari 1993; dat deze vergunning vervolgens door het college is ingetrokken; Overwegende dat de tussenkomende partij een vijfde aanvraag heeft ingediend, en dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 22 november 1993 de bouwvergunning heeft verleend; dat deze vergunning vernietigd is door de Raad van State, bij arrest nr. 88.151 van 21 juni 2000; Overwegende dat, nadat de verzoekers de tussenkomende partij hadden gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, om de afbraak van het inmiddels opgerichte appartementsgebouw te horen bevelen, de tussenkomende partij een zesde aanvraag heeft ingediend, ditmaal ter regularisatie van het gebouw, en dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 13 december 2004 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat deze vergunning het voorwerp vormt van de voorliggende vordering tot schorsing;
- Overwegende dat door de eerste verweerster een exceptie van van de vordering tot schorsing wordt opgeworpen, afgeleid uit de laattijdigheid van de vordering; dat zij aanvoert dat de bestreden vergunning is verleend op 13 december 2004, dat de termijn van zestig dagen voor het instellen van de vordering ingaat vanaf de dag waarop de verzoekers kennis hebben gekregen van die vergunning, dat de verzoekers rond einde december 2004 - begin januari 2005 kennis moeten hebben gehad van het bestaan van de vergunning, minstens de mogelijkheid hadden om dan inzage te krijgen in de vergunning, dat zij niet binnen een redelijke termijn inzage hebben genomen in de vergunning, en dat de vordering derhalve laattijdig is; X-12.253-3/7 Overwegende dat, aangezien stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn waarbinnen dezen daartegen met een annulatieberoep -en derhalve ook met een vordering tot schorsing- kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de wettelijke mogelijkheden die hen worden geboden om er aldaar inzage van te nemen; dat het zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoekende partijen kennis hadden van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat de verzoekers aanvoeren dat zij op regelmatige basis aan de stadsdiensten informatie hebben gevraagd over de stand van zaken met betrekking tot het dossier van de vergunning, onder meer in de loop van de maand januari 2005, maar dat hen op dat ogenblik geen nieuws gegeven kon worden; dat zij voorts aanvoeren dat zij pas op 4 februari 2005 telefonisch op de hoogte zijn gebracht van het bestaan van de vergunning, dat hun raadsman op 7 februari 2005 een afschrift van de vergunning heeft aangevraagd, en dat deze de vergunning op 18 februari 2005 heeft ontvangen; dat uit die gegevens blijkt dat de verzoekers binnen een redelijke termijn gebruik gemaakt hebben van hun recht om de vergunning in te zien, en dat de vordering tot schorsing, ingesteld op 24 maart 2005, binnen de termijn van zestig dagen is ingesteld; dat de eerste verweerster geen concreet gegeven bijbrengt waaruit kan blijken dat de verzoekers reeds meer dan zestig dagen vóór het instellen van de vordering kennis hadden van het bestreden besluit; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoekers erkennen dat het gebouw waarvoor de bestreden vergunning is verleend, er reeds staat sinds 1994, dat door het telkens opnieuw verlenen van onwettige vergunningen, na een eerste vernietiging door de Raad van State in 1992, de overheid evenwel verhindert dat de wettigheid hersteld wordt, dat een schorsing X-12.253-4/7 de overheid ertoe kan aanzetten de zaak opnieuw te bekijken, de geschorste beslissing in te trekken, en daarop een weigeringsbeslissing te nemen, dat de verzoekers op grond van artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag over de rechten van de mens recht hebben op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, hetgeen inhoudt dat rechterlijke beslissingen ook effectief gevolgen moeten kunnen kennen, dat een verdragsconforme interpretatie van het vereiste van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhoudt dat ook ten aanzien van regularisatievergunningen, zeker als ze verleend zijn, zoals te dezen, met de bedoeling of minstens het gevolg dat het normale procesverloop voor de burgerlijke rechter wordt verstoord, niet kan worden opgeworpen dat het nadeel zich reeds heeft gerealiseerd en dat een schorsing niets meer kan verhelpen, dat de verzoekers te dezen na het vernietigingsarrest van 21 juni 2000 een burgerlijke procedure hebben ingeleid, strekkende tot de afbraak van het gebouw, dat deze procedure nog steeds hangende is, dat op het ogenblik van het instellen van de burgerlijke vordering er geen vergunning was, en dat de rechter nu zal moeten vaststellen dat er wel een is, dat de burgerlijke rechter weliswaar in theorie zelf de wettigheid van de vergunning kan beoordelen, maar dat diens toetsingsbevoegdheid in de praktijk niet gelijkwaardig is aan die van de Raad van State; dat de bestreden beslissing de rechtsgang voor de burgerlijke rechter bemoeilijkt, welke juist gericht is op het verkrijgen van rechtsherstel na twee eerdere arresten van de Raad van State; dat dit bemoeilijken van het verkrijgen van een rechtsherstel na een vernietigingsarrest een ernstig nadeel vormt, dat dit nadeel bovendien moeilijk te herstellen is, nu de verzoekers reeds sinds 1994 worden geconfronteerd met de aanwezigheid van een appartementsgebouw zonder wettige bouwvergunning, ondanks hun pogingen om rechtsherstel te verkrijgen, en het genoemde nadeel moeilijk nog gedurende het verdere verloop van de annulatieprocedure kan worden gedragen; Overwegende dat, indien de werken die het voorwerp uitmaken van de bestreden vergunning reeds volledig zijn uitgevoerd, zoals te dezen het geval is, het door de verzoeker aangevoerde nadeel niet uit de bestreden beslissing zelf voortvloeit; dat een schorsing van de bestreden vergunning in die omstandigheden niet tot gevolg zou kunnen hebben dat het nadeel tijdelijk ophoudt te bestaan; Overwegende dat die vaststelling niet onverenigbaar is met het uit artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag over de rechten van de mens voortvloeiende recht op een tijdige uitvoering van een definitieve veroordelende rechterlijke beslissing; dat, zo een rechterlijke beslissing niet abnormaal lang zonder uitwerking X-12.253-5/7 mag blijven als gevolg van het handelen of stilzitten van de overheid, zulks nog niet inhoudt dat een arrest waarbij enkel de schorsing wordt bevolen van een beslissing waarbij een vergunning wordt toegekend, voor de betrokken overheid de verplichting met zich zou brengen om de geschorste beslissing in te trekken en bij een nieuwe beslissing de gevraagde vergunning te weigeren; Overwegende dat de bestreden beslissing is genomen terwijl een door de verzoekers ingestelde vordering tot afbraak van het betrokken gebouw aanhangig was, en nog steeds is, bij de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde; dat de rechters van de rechterlijke orde overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, zoals uitgelegd door het Hof van Cassatie, de mogelijkheid en de verplichting hebben om de wettigheid van een nieuwe stedenbouwkundige vergunning, verleend na een vernietigingsarrest van de Raad van State, te onderzoeken; dat het verlenen van de nieuwe vergunning het eventueel nog vereiste rechtsherstel ten gevolge van het op 21 juni 2000 uitgesproken vernietigingsarrest mogelijks dus wel kan bemoeilijken, maar niet in de weg kan staan; dat de tenuitvoerlegging van die nieuwe vergunning tot aan de uitspraak van de Raad van State over een daartegen ingesteld beroep tot vernietiging aldus, vanuit het oogpunt van het rechtsherstel, geen ernstig nadeel, laat staan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert; Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verzoekers niet kan worden afgeleid dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Polydoor VAN LANGENHOVE in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- X-12.253-6/7 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.253-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.227 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.