id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.229 Rolnummer: A. 169730/VII-36146 Zaak: Arrest 154229 - - 27/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:42 Fiche Arrest nr 154.229 van 27 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.229 van 27 januari 2006 in de zaak A. 169.730/XIV-24.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. PONCIN, kantoor houdende te 4000 LUIK, Avenue de l’Observatoire tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 juli 1987 en van Beninse nationaliteit, op 24 januari 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 januari 2006 tot weigering van toegang met terugdrijving, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 25 januari 2006 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2006 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-24.600-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. DU FOUR, die loco Advocaat B. PONCIN, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker per fax op dinsdag 24 januari 2006 een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient, gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van vrijdag 20 januari 2006, aan verzoeker op dezelfde dag ter kennis gebracht; dat volgens voornoemde beslissing verzoeker wordt opgesloten in het Centrum voor illegalen te Merksplas; Overwegende dat uit de brief d.d. 25 januari 2006 van de Dienst Vreemdelingenzaken, die aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen, blijkt dat “hoewel verzoeker reeds van zijn vrijheid werd beroofd, werd tot op heden nog geen datum van repatriëring vastgelegd.”; Overwegende dat, gelet op de opsluiting van verzoeker, de eventuele repatriëring imminent kan zijn en verzoeker diligent en alert heeft gehandeld, wat blijkt uit de vergelijking van de datum van de bestreden beslissing (20 januari 2006) met de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend (24 januari 2006); Overwegende dat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17 §§ 1 en 2; 1.2.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 33, XIV-24.600-2/6 36, 37 en 144 van de Grondwet, die het principe van de scheiding der machten huldigen en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; Overwegende dat de uitwerking van het eerste middel door verzoeker, op het eerste gezicht vreemd is aan de thans bestreden beslissing die haar rechtsgrond vindt in artikel 7, eerste lid, 1/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemde- lingenwet), vermits verzoeker niet in het bezit is van een geldig paspoort, noch van een geldig visum, en van artikel 7, eerste lid, 6/ van de Vreemdelingenwet, aangezien hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de terugreis naar zijn land van herkomst, vermits hij “slechts in het bezit is van 0 euro.”; Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij geen geldig paspoort bezit en evenmin beschikt over een geldig visum; dat prima facie dit motief van de bestreden beslissing determinerend is, draagkrachtig, deugdelijk en afdoend; Overwegende dat de redenering van verzoeker steunt op een vroegere administratieve beslissing, met name op de bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 januari 2006, die uitvoerbaar is, en waartegen op dit ogenblik blijkbaar nog geen verhaal werd ingediend, zodat op het eerste gezicht het eerste middel geen betrekking heeft op de thans bestreden beslissing en bijgevolg niet ernstig is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel een manifeste appreciatiefout aanvoert, de schending van het redelijkheidsbeginsel, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verzoeker in dit middel de tweede rechtsgrond van het bestreden bevel aanvecht, doordat hij materiële hulp kreeg en gesteund werd door verschillende V.Z.W.’s, zodat verzoeker -althans dat beweert hij- in België bestaans- middelen heeft en dat hij kan rekenen op materiële en financiële hulp van hulpvaardige personen; Overwegende dat het tweede motief van het bestreden bevel op het eerste gezicht een bijkomend motief uitmaakt dat geen afbreuk doet aan het eerste motief dat op het eerste gezicht determinerend is, vermits verzoeker niet betwist dat hij niet beschikt over een geldig paspoort, noch over een geldig visum; Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht niet aantoont dat de verwerende partij een appreciatiefout heeft begaan en evenmin dat het redelijkheidsbeginsel of een beginsel van behoorlijk bestuur werd geschonden; XIV-24.600-3/6 Overwegende dat het gezag van gewijsde van het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik d.d. 19 januari 2006, gewezen in de zaak van verzoeker tegen het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Dienst Vreemdelingenzaken, op het eerste gezicht niet miskend wordt door het thans bestreden bevel, dat berust op andere rechtsgronden die op het eerste gezicht wettig zijn; dat voornoemd gezag van gewijsde geen betrekking kan hebben op een beslissing die niet het voorwerp uitmaakte van de saisine van de Kamer van Inbeschuldigingstelling; Overwegende dat de Raad van State vaststelt dat de beschikking van de Raadkamer van Luik d.d. 6 januari 2005 berust op het volgend determinerend motief om verzoeker in vrijheid te stellen: “(...) Le dossier de l’Office des Etrangers comporte de nombreuses pièces essentielles en langue étrangère dont aucune traduction n’est jointe. La chambre du Conseil n’est dès lors pas en mesure de vérifier la régularité de la procédure, que ce soit au regard de la loi du 15 décembre 1980 ou des conventions internationales dont la Convention Européenne de Sauvegarde des Droits de l’Homme. En conséquence, la requête doit être déclarée recevable et fondée. (...).”; Overwegende dat het probleem van de vertaling van stukken die in een vreemde taal werden opgesteld, wordt behandeld in graad van beroep door het Parket- Generaal van het Hof van Beroep te Luik in zijn gemotiveerd requisitorium van 18 januari 2006, waarin ondermeer het volgende wordt geschreven: “L’ordonnance de mise en liberté du 6 janvier 2006 est motivée par l’absence de traduction en français de certaines pièces rédigées en langue étrangère; cette motivation est devenue sans pertinence dès lors que ces pièces ont été traduites.”; Overwegende dat de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik op 19 januari 2006 het volgende beslist: “Confirme la décision entreprise (bedoeld wordt de beschikking van de Luikse Raadkamer van 6 januari 2006) et ordonne la mise en liberté du requérant s’ il n’est détenu pour autre cause.”, en dit op basis van de motieven van de beschikking van de Raadkamer “qui restent d’actualité”; dat tegen dit arrest geen voorziening in Cassatie werd ingesteld; Overwegende dat bijgevolg vaststaat dat het gezag van gewijsde van voornoemd Luiks arrest geen betrekking heeft op het thans bestreden bevel, omdat dit bevel posterieur is aan voornoemd arrest en berust op andere rechtsgronden; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 3, 5.1., 5.4., 13 en 17, van het Europees Verdrag tot bescherming van de XIV-24.600-4/6 Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van artikel 12 van de Grondwet; Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht niet aantoont dat de thans bestreden beslissing voornoemde verdragsbepalingen en grondwettelijke bepaling schendt, vermits zij de onderliggende vrijheidsberovende maatregel verantwoordt, op basis van artikel 7, derde lid van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat verzoeker opnieuw de vorige administratieve beslissing aanvecht die niet het voorwerp uitmaakt van huidige procedure, om de schending van voornoemde bepalingen te adstrueren; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; 1.
- Overwegende dat de ingestelde vordering op basis van wat voorafgaat, wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten worden in beraad gehouden. XIV-24.600-5/6 Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-24.600-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.229 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.