← België

Arrest 154230 - - 27/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.230 Rolnummer: A. 169751/XIV-24616 Zaak: Arrest 154230 - - 27/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:42 Fiche Arrest nr 154.230 van 27 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.230 van 27 januari 2006 in de zaak A. 169.751/XIV-24.

  1. In zake : XXX, verblijvende te 1820 STEENOKKERZEEL, Centrum 127bis Jozef Goorislaan 80 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 september 1981 en van Russische nationaliteit, op 26 januari 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 januari 2006; Gelet op de beschikking van 26 januari 2006 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 27 januari 2006 om 11.20 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. THIBAUT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-24.616-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
  3. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij zich bevindt in het Transitcentrum 127bis te 1820 Steenokkerzeel met het oog om op 30 januari 2006 eventueel te worden overgedragen aan Duitsland; dat de verzoekende partij op donderdag 26 januari 2006 een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient tegen de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten d.d. 23 januari 2006 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht, zodat de verzoekende partij aantoont dat de mogelijkheid van een gedwongen tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing reëel is, en dat tevens blijkt dat zij alert en diligent heeft gehandeld, zodat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
  4. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 16 van de Verordening (EG Nr. 343/2003) van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de lidstaten wordt ingediend, en van de materiële motiveringplicht als beginsel van behoorlijk bestuur en de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de verzoekende partij in dit verband in essentie aanvoert dat de Belgische overheid de asielaanvraag moet behandelen omdat zij het grondgebied van de lidstaten tenminste drie maanden heeft verlaten; dat zij in dit verband verwijst naar artikel 16, lid 3, van voornoemde verordening; XIV-24.616-2/5 Overwegende dat alleen de verzoekende partij kan bewijzen dat zij het grondgebied van de lidstaten gedurende tenminste drie maanden heeft verlaten; dat de bewijslast van dit feitelijk gegeven immers uitsluitend berust bij de verzoekende partij; Overwegende dat de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd: “(...) België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Duitse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art.16 § l c van de Europese Verordening 343/
  5. Betrokkene heeft in 2001 en 2003 in Duitsland een asielaanvraag ingediend en de Duitse overheid heeft op datum van 15/08/2005 ingestemd met de vraag tot terugname van bovengenoemde persoon. Bovendien heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom haar asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden - betrokkene verklaart dat alle andere landen hen geweigerd hebben. Betrokkene heeft naast haar gezin geen familie in België of elders in de lidstaten. Betrokkene en haar gezin hebben sinds de asielaanvraag in Duitsland ook in Noorwegen en Frankrijk een asielaanvraag ingediend. Betrokkene verklaart op 23/03/2005 vanuit Frankrijk per bus te zijn vertrokken naar Wit-Rusland en voorts per trein en per auto te zijn doorgereisd naar Dagestan (aankomst 29/04/2005). Op 08/07/2005 zou betrokkene opnieuw per bus naar Oekraïne vertrokken zijn om per auto en te voet in België aan te komen op 14/07/
  6. Betrokkene en haar man leggen treintickets Brest-Rostov voor, een boete van de politie in Brest, gelegaliseerde geboorteakten en een faxkopie van een attest van het hospitaal in Chasavyurt. Er is echter geen enkel bewijs dat de treintickets daadwerkelijk door betrokkenen werden gebruikt. Er ligt geen enkel document voor dat aan betrokkene of haar echtgenoot rechtstreeks betekend werd. De precieze redenen waarom het gezin naar Dagestan zou teruggekeerd zijn, blijven onduidelijk, De verklaringen van betrokkene en haar man omtrent de verblijfplaatsen in Dagestan lopen uiteen. Betrokkene kan ook geen details geven over de reis van Oekraïne naar België. Om deze redenen wordt aangenomen dat betrokkene en haar gezin het grondgebied van de lidstaten niet verlaten hebben gedurende meer dan drie maanden. Bijgevolg zal de bovengenoemde worden overgedragen aan de bevoegde Duitse autoriteiten. (...).”; Overwegende dat de bestreden beslissing bijgevolg nauwkeurig weergeeft wanneer en hoe de verzoekende partij het grondgebied van de Schengen-ruimte zou hebben verlaten en op welk tijdstip en op welke wijze de verzoekende partij naar België zou zijn gekomen; dat om voornoemde feiten op hun waarheidsgehalte te toetsen de bewijsstukken van de verzoekende partij in de bestreden beslissing op gedetailleerde wijze worden onderzocht; dat in dit verband de bestreden beslissing op het eerste gezicht op goede gronden overweegt dat de verzoekende partij over geen enkel document beschikt dat haar rechtstreeks werd betekend in het land of de landen waarnaar zij zou zijn teruggekeerd; Overwegende dat het via moderne communicatiemiddelen eenvoudig is om bepaalde documenten te verkrijgen, zonder dat wordt aangetoond dat deze stukken werden gebruikt of bestemd waren voor gebruik in landen buiten de Schengen-ruimte; dat dit inzonderheid geldt voor reisdocumenten, zoals treintickets; Overwegende dat het prima facie vrij eenvoudig lijkt om een aantal sluitende bewijsstukken te verzamelen van een verblijf van minstens drie maanden buiten het grondgebied van de E.U.; dat de verzoekende partij op het eerste gezicht niet slaagt in deze bewijsvoering; XIV-24.616-3/5 Overwegende dat op basis van de motieven van de bestreden beslissing, die op het eerste gezicht deugdelijk, pertinent en afdoende lijken, op goede gronden wordt besloten dat de verzoekende partij en haar gezin het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten gedurende minstens drie maanden, zodat op het eerste gezicht de beslissing wettig is en dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2; 1.
  7. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, een eventuele terugkeer naar Duitsland niet belet dat de verzoekende partij haar rechten en belangen laat behartigen door een Advocaat in België; dat de Raad van State onbevoegd is om zich uit te spreken over de betekenis en de draagwijdte van de Duitse asielprocedure en dat het nadeel dat de verzoekende partij desbetreffend ontwikkelt, geen causaal verband vertoont met de thans bestreden beslissing, vermits het aangevoerde nadeel eventueel zou voortvloeien uit een op dit ogenblik ongekende beslissing van de Duitse asielinstanties; Overwegende dat bijgevolg het aangevoerde nadeel hypothetisch en vaag is, zodat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-24.616-4/5 Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-24.616-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.