← België

Arrest 154235 - - 30/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.235 Rolnummer: A. 110945/IX-3083 Zaak: Arrest 154235 - - 30/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:43 Fiche Arrest nr 154.235 van 30 januari 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.235 van 30 januari 2006 in de zaak A. 110.945/IX-

  1. In zake : Eddy DUPUIS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken,
  3. de Selectiecommissie van de politiezone Oostende,
  4. de stad OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy DUPUIS op 1 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van 22 mei 2001 waarbij, in het kader van de procedure voor de eerste aanstelling van korpschef van de lokale politie voor de politiezone Oostende, de selectiecommissie de resultaten van de assessment-proef valideert, - de beslissing van de gemeenteraad van Oostende waarbij een kandidaat wordt voorgedragen, - het koninklijk besluit van 20 juli 2001 waarbij Philip CAESTECKER wordt aangesteld tot korpschef van de politiezone Oostende voor een termijn van vijf jaar; IX-3083-1/6 Gelet op het arrest nr. 148.759 van 12 september 2005 waarbij de debatten worden heropend; Gelet op het verweerschrift van de eerste verwerende partij; Gelet op de antwoordnota van de verzoekende partij; Gelet op het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 november 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 19 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché E. BREYNE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat G. JACOBS die, loco advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat zijn in het arrest nr. 103.133 van 4 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de bestreden besluiten verworpen is; IX-3083-2/6
  7. Overwegende dat het arrest nr. 103.133 op 19 februari 2002 ter kennis gebracht is van de raadslieden waarbij verzoeker woonplaats gekozen heeft; dat in de kennisgeving melding gemaakt is van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en dat aan verzoeker medegedeeld is : “U beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling om eventueel een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen. Dit verzoek dient vergezeld te zijn van Belgische fiscale zegels ter waarde van 175 EUR (...)”; Overwegende dat verzoeker met een op 14 maart 2002 ter post aangetekend schrijven de voortzetting van de procedure gevraagd heeft; dat dit tijdig ingediend verzoekschrift niet vergezeld was van de vereiste fiscale zegels; dat verzoeker ook binnen het resterend gedeelte van de termijn waarbinnen hij de voortzetting van de procedure kon vragen die zegels niet aan de Raad van State heeft laten geworden; dat hij zulks pas gedaan heeft op 4 mei 2005; 3.
  8. Overwegende dat de eerste verwerende partij, die door het arrest nr. 148.759 van 12 september 2005 in de mogelijkheid gesteld werd een verweer- schrift in te dienen, aanvoert dat verzoeker noch op het verzoekschrift tot nietig- verklaring, noch op het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging fiscale zegels aangebracht heeft, dat de algemene vergadering van de Raad van State in het arrest nr. 129.110 van 10 maart 2004 gewezen heeft dat de betaling van de verschuldigde rechten binnen de termijn van voortzetting van het geding, een substantieel vormvoorschrift is waarvan de miskenning de regelmatigheid van het verzoek tot voortzetting aantast en dat verzoeker, aangezien hij de procedure niet regelmatig heeft voortgezet, vermoed wordt afstand van geding te doen; 3.
  9. Overwegende dat verzoeker daar op antwoordt dat het procedure- verloop in deze zaak niet identiek is aan deze waarover de algemene vergadering uitspraak gedaan heeft, aangezien in dit geval "de gehele procedure doorlopen (werd) IX-3083-3/6 zonder dat terzake door enige partij noch door het auditoraat of de Raad zelf enige bemerking werd geuit" en er aldus vastgesteld kan worden dat zij een toelichtende memorie ingediend heeft, dat de auditeur een verslag heeft opgemaakt waarin geen vermoeden van afstand werd vastgesteld, dat hij tijdig en regelmatig een laatste memorie en een tweede verzoek tot voortzetting neergelegd heeft en dat ook twee verwerende partijen een laatste memorie ingediend hebben; dat naar zijn oordeel uit het procesverloop duidelijk blijkt dat er “bezwaarlijk een vermoeden van afstand in hoofde van de verzoekende partijen kan worden vastgesteld”; 3.3.
  10. Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoeker niet binnen de termijn, waarin hij om de voortzetting van de procedure kon vragen, de vereiste fiscale zegels heeft aangebracht; dat de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State in het arrest nr. 129.110 van 10 maart 2004 inzake de NV STEVAN en in de arresten nrs. 129.111 en 129.112 van dezelfde datum inzake VAN DE VELDE en NUYENS aangenomen heeft dat het aanbrengen van de fiscale zegels een substantieel vormvoorschrift betreft waarvan de miskenning de regelmatigheid van het verzoek tot voortzetting aantast en dat uit de samenlezing van de artikelen 70, § 1, tweede lid en 71, eerste lid, b), van het algemeen procedure- reglement volgt dat de vereiste zegels in principe moeten zijn aangebracht op het moment waarop het verzoek tot voortzetting bij de Raad van State wordt ingediend en in elk geval vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen dat moet gebeuren; dat de Raad van State voor de onderhavige zaak die redenering bijvalt; dat daaruit volgt dat verzoeker niet regelmatig de voortzetting van de procedure heeft gevraagd; dat, overeenkomstig artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tegen hem dan ook een vermoeden van afstand van geding geldt; 3.3.2.
  11. Overwegende dat verzoeker zijn situatie niet vergelijkbaar acht met deze waarover de algemene vergadering van de Raad van State uitspraak gedaan heeft, aangezien te dezen de procedure geheel doorlopen werd zonder dat iemand gewezen heeft op het ontbreken van fiscale zegels en het duidelijk is dat hij niet vermoed kan worden afstand van geding te doen, zeker nu hij, na de ontvangst van IX-3083-4/6 het auditoraatsverslag, met het indienen van een laatste memorie zelfs een tweede keer de voortzetting van de procedure gevraagd heeft; 3.3.2.
  12. Overwegende dat de regelmatigheid van een verzoek tot voort- zetting van de procedure onder meer afhangt van de datum waarop de fiscale zegels worden aangebracht; dat het tijdstip waarop de onregelmatigheid wordt ontdekt geen gevolgen heeft voor de vaststelling ervan; dat de vraag naar het regelmatig voortzetten van de procedure verband houdt met het actueel belang van de verzoeker en aldus de openbare orde aanbelangt zodat de Raad van State daar desgevallend ambtshalve een onderzoek moet aan wijden; dat dan ook niet relevant verwezen kan worden naar de omstandigheid dat de partijen de onregelmatigheid in hun procedure- stukken niet ter sprake hebben gebracht of dat de auditeur-verslaggever het probleem in zijn verslag over de zaak niet onderzocht heeft; 3.3.
  13. Overwegende dat artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding instelt; dat dergelijk vermoeden enkel terzijde geschoven kan worden in geval van overmacht of van een onoverkomelijke dwaling; dat verzoeker te dien aanzien geen enkel gegeven onder de aandacht van de Raad van State brengt;
  14. Overwegende dat verzoeker niet binnen de reglementair voorgeschreven termijn het vereiste bedrag aan fiscale zegels aan de Raad van State overgemaakt heeft; dat zijn verzoek tot voortzetting van de procedure niet regelmatig ingediend is; dat de afstand van geding wordt vastgesteld, BESLUIT: Artikel
  15. De afstand van het geding wordt vastgesteld. IX-3083-5/6 Artikel
  16. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig januari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3083-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.235 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.133 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.759 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.