← België

Arrest 154239 - Politie - 30/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.239 Rolnummer: A. 167881/IX-5129 Zaak: Arrest 154239 - Politie - 30/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-13 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:43 Fiche Arrest nr 154.239 van 30 januari 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.239 van 30 januari 2006 in de zaak A. 167.881/IX-

  1. In zake : Hans DEVOLDER, die woonplaats kiest bij advocaat W. VANDENBUSSCHE, kantoor houdende te HARELBEKE, Tuinstraat 37 tegen : de Politiezone RIHO, die woonplaats kiest bij advocaat A. COPPENS, kantoor houdende te ROESELARE, Westlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hans DEVOLDER op 18 november 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 12 september 2005 van de politieraad van de politiezone Roeselare- Izegem-Hooglede (RIHO) om hem niet opnieuw op te nemen in het korps van de lokale politie; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5129-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VANDENBUSSCHE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat K. DEMEESTER die, loco advocaat A. COPPENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker was, tot op het ogenblik dat zijn vrijwillig ontslag werd aanvaard met ingang van 1 januari 2004, inspecteur van politie bij de lokale politie van de zone Roeselare-Izegem-Hooglede (RIHO). 1.
  5. Op 24 november 2003 legt het politiecollege van de politiezone RIHO aan verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel voor een duur van 15 dagen op wegens het niet aanvangen van de dienst op het voorziene uur, zijn afwezigheid op de dienst en het bemoeilijken van een gerechtelijk dossier. 1.
  6. Met een aangetekende brief van 15 december 2003 deelt verzoeker aan de politiezone RIHO mee dat hij vrijwillig ontslag neemt. Volgens de verklaring van verzoeker legt hij zijn ambt van inspecteur van politie neer omdat hij de kans heeft om aan gunstige voorwaarden in de privé-sector te gaan werken. 1.
  7. Blijkens de door de verwerende partij neergelegde stukken heeft het politiecollege op 18 december 2003 besloten de tuchtsanctie in werking te doen treden op 1 januari
  8. 1.
  9. Met een brief van 18 december 2003 deelt de politiezone RIHO aan verzoeker mee dat het bestuur ermee akkoord gaat zijn vrijwillig ontslag op datum van 1 januari 2004 te laten ingaan. Met een aangetekende brief van 23 december 2003 deelt de voorzitter van de politieraad, onder de hoofding “Betreft : Aanvraag vrijwillig ontslag”, aan verzoeker mee wat volgt : IX-5129-2/7 “Wij hebben uw schrijven d.d. 15.12.2003 betreffende de aanvraag tot het bekomen van vrijwillig ontslag in goede orde ontvangen. De politieraad heeft in zitting van 22.12.2003 akte genomen van uw verzoek. Er werd besloten uw ontslag te aanvaarden met ingang van 01 januari
  10. De personeelsdienst van de PZ RIHO werd hiervan ingelicht teneinde de nodige maatregelen en administratieve afhandelingen te kunnen treffen.” 1.
  11. Met een aangetekende brief van 6 juli 2005 richt verzoeker aan de korpschef van de politiezone RIHO een verzoek tot heropneming in het politiekorps van voornoemde politiezone. 1.
  12. Op 11 juli 2005 verstrekt de dienst Intern Toezicht advies aan de korpschef over het verzoek tot heropneming. Daarin wordt nagegaan of verzoeker voldoet aan de voorwaarden, opgesomd in artikel IX.III.4 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol), dat bepaalt wat volgt : “Art. IX.III.
  13. De kandidaat voor heropneming moet de volgende voor- waarden vervullen : 1/ op het ogenblik van het aangenomen ontslag, een functioneringsevaluatie zonder de eindvermelding ‘onvoldoende’ hebben; 2/ (...); 3/ (...); 4/ (...); 5/ (...); 6/ (...)” Wat de eerste in dat artikel gestelde voorwaarde voor heropneming betreft, wordt in het advies gesteld wat volgt : “Op het ogenblik van het aangenomen ontslag (december 2003) was de evaluatieprocedure en daaruit voortvloeiende functioneringsevaluatie zoals deze wordt bedoeld in art. IX.III.4 nog niet in werking. Er werd bijgevolg een functioneringsevaluatie, in de zin van de omzendbrief GPI 11bis, opgesteld. Nadat betrokkene herhaaldelijk werd uitgenodigd teneinde kennis te nemen van de functioneringsevaluatie en deze uitnodigingen onbeant- woord bleven, werd de evaluatie per aangetekend schrijven toegezonden aan de heer Devolder Hans. De toegezonden functioneringsevaluatie had de eindver- melding “onvoldoende” Het tuchtblad van Devolder Hans vermeldde op 31/12/2003 de definitief geworden zware tuchtstraf ‘schorsing bij tuchtmaatregel voor de duur van 15 dagen’. Verzoeker voldoet niet aan de gestelde voorwaarde.” IX-5129-3/7 1.
  14. Op 12 september 2005 beslist de politieraad van de politiezone RIHO, met verwijzing naar het advies van de dienst Intern Toezicht, dat verzoeker niet heropgenomen wordt in het korps van de lokale politie van de politiezone RIHO. Die beslissing, die op 22 september 2005 aan verzoeker wordt betekend, maakt het voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing;
  15. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1 Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt dat hem nu het recht ontzegd wordt om terug te worden opgenomen in het politiekorps, dat het RPPol dergelijke terugkeer mogelijk maakt gedurende vier jaar en dat die termijn zal verstreken zijn wanneer de Raad van State volgens de gewone procedure tot een uitspraak moet komen; dat hij voorts van oordeel is dat het, wanneer hij gedwongen wordt lange tijd -hij spreekt van 5 jaar- buiten het politiekorps te werken, voor hem onmogelijk zal zijn om zich nog als inspecteur in het korps te kunnen integreren; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat verzoeker artikel IX.III.2 RPPol verkeerd inschat in die zin dat de heropname in het politiekorps mogelijk is wanneer de aanvraag daartoe gebeurt binnen de vier jaar na het ontslag, dat zij betoogt dat de aanvraag tot heropname aan die voorwaarde voldoet en dat, in geval de Raad van State het bestreden besluit zou vernietigen, de procedure hernomen zal moeten worden vanaf het ogenblik dat zij ontspoord is maar met inachtneming van zijn oorspronkelijke aanvraag; dat zij ook nog stelt dat de reïntegratiemoeilijkheden waarnaar verzoeker verwijst “vaag en vrijblijvend (zijn) en niet gemotiveerd”, dat verzoeker nu reeds twee jaar weg is uit het politiekorps en hij niet uiteenzet waarom die twee jaar zijn reïntegratiekansen dan niet moeten beïnvloeden en dat de reglementering zelf de mogelijkheid van reïntegratie voorziet wanneer de afwezigheid niet langer dan vier jaar duurt; IX-5129-4/7 3.3.
  17. Overwegende dat artikel IX.III.2 RPPol bepaalt dat een personeelslid dat sedert minder dan vier jaar vrijwillig ontslag verkregen heeft, op zijn vraag opnieuw opgenomen wordt in het politiekorps waar het deel van uitmaakte; dat artikel IX.III.10 RPPol bepaalt dat de betrokkene zijn verzoek tot heropneming minstens 90 dagen vóór de datum waarop hij heropgenomen wil worden met inachtneming van de daar vermelde formaliteiten moet indienen; Overwegende enerzijds dat in dit geval de verwerende partij niet betwist dat de vraag tot heropneming van verzoeker regelmatig ingediend is; dat anderzijds de verwerende partij artikel IX.III.2 RPPol aldus leest dat de voorwaarde om “sedert minder dan vier jaar ontslag uit het ambt verkregen (te hebben)” onderzocht moet worden met inachtneming van de datum van de aanvraag tot heropneming; Overwegende dat in dit geval verzoeker met een besluit van 22 december 2003 ontslag uit zijn ambt verkregen heeft ingaande op 1 januari 2004; dat zijn verzoekschrift tot heropneming dagtekent van 6 juli 2005 en dat 10 oktober 2005 de datum is die daarin voor de heropname wordt voorgesteld; dat, in geval van vernietiging van het besluit waarbij die heropneming geweigerd wordt, de verweren- de partij zich opnieuw zal moeten uitspreken over de bij haar aanhangig gebleven vraag van verzoeker, daarbij vaststellend dat de vraag tot heropname en zelfs de datum van uitvoering ervan gesitueerd is op minder dan vier jaar na zijn vrijwillig ontslag; dat bijgevolg, volgens de stelling van de verwerende partij, verzoeker geen nadeel kan ondervinden van de reglementair bepaalde inperking van de termijn waarbinnen heropneming mogelijk is; 3.3.
  18. Overwegende dat verzoeker verwijst naar de lange periode van verwijdering uit het politiekorps die hem te wachten staat indien hij een vernietigings- arrest moet afwachten en naar de onmogelijkheid om zich te reïntegreren in zijn job van inspecteur die daar het gevolg van zal zijn; dat de verwerende partij terecht opmerkt dat het aldus uiteengezette nadeel vaag is en niet deugdelijk onderbouwd, inzonderheid nu vastgesteld moet worden enerzijds dat verzoeker vrijwillig het politiekorps verlaten heeft en dat hij pas anderhalf jaar later tot het besef gekomen is dat zijn ware roeping toch bij de politie lag, zodat die periode bezwaarlijk in aanmerking genomen kan worden om de vervreemding van het korps vast te stellen en anderzijds dat de termijn die de Raad van State nodig heeft om tot een einduit- spraak te komen in beginsel niet in aanmerking genomen wordt als bron van enig IX-5129-5/7 moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat voor het overige verzoeker inderdaad op geen enkele wijze duidelijk maakt waarom zijn reïntegratie na een vernietigingsarrest feitelijk onmogelijk zal zijn geworden of niet zonder grote moeilijkheden zal kunnen gebeuren; 3.3.
  19. Overwegende dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting ook nog wijst op de omstandigheid dat verzoeker thans werkloos is en dat hij, door de weigering van zijn aanvraag, beknot wordt in zijn carrière bij de politie; Overwegende dat, opdat de verwerende partij zich deugdelijk zou kunnen verweren, een verzoeker in zijn verzoekschrift alle door hem gekende elementen moet opnemen waarmee hij de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bewijst; dat de Raad van State dienvolgens geen acht kan slaan op gegevens die, hoewel de mogelijkheid daarvoor bestond, niet in het verzoekschrift zelf zijn vermeld; dat in dit geval de uiteenzetting ter terechtzitting de uiteenzetting in het verzoekschrift te buiten gaat, zodat de Raad van State er geen rekening mee houdt; 3.3.
  20. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  22. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5129-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig januari 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5129-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.239 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.821 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.