← België

Arrest 154246 - - 30/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.246 Rolnummer: A. 103360/IX-2814 Zaak: Arrest 154246 - - 30/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:44 Fiche Arrest nr 154.246 van 30 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.246 van 30 januari 2006 in de zaak A. 103.360/IX-

  1. In zake : Rita DESCHUYTTER, handelend in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter Iris HAEYAERT, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en E. VAN DE WALLE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rita DESCHUYTTER, optredend als wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter Iris HAEYAERT op 13 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen op 8 februari 2001 door de minister van Justitie waarbij deze weigert in te gaan op het verzoek om de naam HAEYAERT te veranderen in DESCHUYTTER; Gelet op het arrest nr. 98.264 van 14 augustus 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 september 2001 door verzoekster; IX-2814-1/13 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat T. VAN CAUTER, die loco advocaten D. D’HOOGHE en E. VAN DE WALLE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-2814-2/13 1.
  4. Iris HAEYAERT is op 22 mei 1992 geboren als kind van Rita DESCHUYTTER. Het vaderschap wordt in de geboorteakte, met toestemming van de moeder, erkend door Beni HAEYAERT. Niet betwist wordt dat de vader in 1995 het gezin verlaten heeft. 1.
  5. Op 9 maart 1998 dient Rita DESCHUYTTER bij de minister van Justitie een verzoek in tot wijziging van de familienaam van haar dochter in DESCHUYTTER. 1.
  6. Op 28 mei 1998 oordeelt de jeugdrechtbank te Brugge dat beide ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over Iris HAEYAERT zullen uitoefenen en dat zij zal worden ingeschreven op de woonplaats van haar moeder. De rechtbank werkt bovendien een bezoekregeling uit. 1.
  7. Beni HAEYAERT verklaart op 9 juni 1998 geen bezwaar te hebben tegen een naamsverandering daar ze niets aan de afstamming wijzigt. 1.
  8. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge verleent op 7 december 1998 een ongunstig advies nopens de voorgenomen naamsverandering "gezien er onvoldoende ernstige redenen (...) zijn zoals bepaald bij art. 3 Wet 15.05.
  9. Daarenboven dient het verzoek om de vaderlijke afstamming te verdoezelen". 1.
  10. In een nota van 21 november 2000 stelt de dienst familierecht van het ministerie van Justitie aan de minister voor de naamsverandering te weigeren, op grond van de volgende redenen : IX-2814-3/13 "(...) De bewering van de moeder, al zou het kind bij de geboorte haar naam gedragen hebben is dus onterecht. Artikel 3 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen bepaalt dat de Koning de naamsverandering uitzonderlijk kan toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden. De naamsverandering van de naam van de vader naar de naam van de moeder wordt in het algemeen enkel toegestaan indien duidelijk uit het voorgelegde dossier blijkt dat er tussen de vader en zijn kind geen enkele band is en de vader er ook geen enkele interesse voor betoont (dit kan onder meer blijken uit het niet uitoefenen van enig omgangsrecht en het niet betalen van de onderhoudsbijdragen voor het kind). Uit de voorgelegde stukken blijkt duidelijk dat de vader het kind op geregelde tijdstippen ziet en er dus bijgevolg wel degelijk een band is tussen vader en dochter. De door de moeder ingeroepen redenen : het feit dat het kind bij haar verblijft en zij instaat voor de opvoeding, het feit dat de vader niet terug komt en een aantal persoonlijke problemen die ze te verwerken heeft dienen eerder gecatalogeerd te worden als emotionele redenen die niet als voldoende ernstig kunnen aanzien worden om een naamsverandering van de dochter te rechtvaar- digen, zeker niet wanneer er tussen vader en dochter duidelijk een band is, en ook al heeft niemand expliciet bezwaar tegen het gevraagde". 1.
  11. Op 8 februari 2001 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Zij is verwoord in een brief van dezelfde datum en bevat de volgende motivering : "(...) Na een grondig onderzoek van uw dossier moet ik U tot mijn spijt meedelen dat er in uw geval geen afdoende ernstige motieven in de zin van bovenvermelde wet voorhanden bevonden zijn om Z.M. de Koning voor te stellen uw dochter toelating te verlenen haar naam te veranderen in die van ‘De Schuytter’, mede in acht genomen het principe van de vastheid van naam waarvan slechts om gewichtige redenen kan afgeweken worden. Bij vonnis van de jeugdrechtbank van Brugge dd. 28.05.1998 werd bepaald dat beide ouders het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen, alhoewel het bij U gehuisvest is en ingeschreven in de bevolkingsregisters. Ik stel tevens vast dat de heer Haeyaert Beni nog belang stelt in zijn dochter daar hij haar op geregelde tijdstippen ziet. Verder is niet aangetoond dat een naamsverandering in het belang van het kind zou zijn. De procedure van de naamsverandering kan niet worden aangewend om emotionele conflicten op te lossen. [. . .]". IX-2814-4/13 2.
  12. Overwegende dat verzoekster in een "enig middel" de schending aanvoert van artikel 3, tweede lid van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, van het redelijkheidsbeginsel, tevens omvattende het evenredigheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het beginsel dat elke bestuurshandeling door een materieel motief moet worden gedragen en van het verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, inzonderheid van artikel 23; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoekster vooreerst stelt dat de familienaam een wijzigbaar karakter heeft, wat ook blijkt uit het feit dat de naam verandert bij adoptie of bij een aantal andere wijzigingen van staat en uit het feit dat de naamswijziging afhankelijk wordt gemaakt van de houding van derden - zie artikel 5 van de wet van 15 mei 1987 -, dat de minister van Justitie terzake weliswaar over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt doch deze bevoegdheid uitgeoefend dient te worden binnen de grenzen van de redelijkheid, inzonderheid, rekening houdende met de fundamentele rechten van het kind, zoals gegarandeerd door het Verdrag inzake de Rechten van het Kind; dat verzoekster voorts opmerkt dat terzake de verwerende partij niet met de nodige zorgvuldigheid is opgetreden, doordat voortdurend gesproken wordt van de naam DE SCHUYTTER in plaats van DESCHUYTTER; dat volgens verzoekster ook uit het oog werd verloren dat zij aanvankelijk de naam DESCHUYTTER droeg en dat deze naam pas een vijftiental dagen na de geboorte is gewijzigd in de naam HAEYAERT, dat zij zich ook na de erkenning door haar vader met de naamswijziging voor gevolg, altijd vereenzelvigd heeft met de naam DESCHUYTTER, zich zo heeft genoemd en dat door geen rekening te houden met de verwarring die aldus kon ontstaan het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel geschonden werden; 2.1.
  14. Overwegende dat in verband met het primaat van het belang van het kind betoogd wordt dat rekening dient te worden gehouden met de handicap van de verzoekende partij, daar zij aan concentratieproblemen lijdt als gevolg van emotionele belemmeringen, waardoor zij het Buitengewoon Onderwijs type 8 dient IX-2814-5/13 te volgen, zoals blijkt uit een deskundigenverslag opgemaakt door de bevoegde maatschappelijk werker die in een verslag het volgende schrijft : "(. . .) Samen met concentratiemoeilijkheden worden deze merkbaar omstreeks de aanvang van de lagere school. Opvallend is een fixatie op 'veiligheid' bij sociale contacten : uiteraard is zulks bij kinderen van deze leeftijd normaal, doch bij Iris is de verschijningsvorm dominant en manifest. Sinds deelname aan de lessen binnen het B.L.O. wordt opgemerkt dat Iris een laag zelfbeeld hanteert, niet zelden vermengd met thanatosgedachten. Globaal ageert zij als een verlegen meisje dat verbaal slechts mondjesmaat contacten legt."; dat verzoekster betoogt dat de verplichting de belangen van het kind centraal te plaatsen niet alleen voortvloeit uit het evenredigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doch ook uit artikel 23 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en dat de Belgische Staat zich wat dat betreft ertoe verbonden heeft dat een gehandicapt kind zoals de verzoekende partij het nodige moet krijgen om een volwaardig en behoorlijk leven te hebben, in omstandigheden die de waardigheid van het kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken; dat verzoekster hierbij aanstipt dat het kind volledig opgroeit in het milieu van de moeder, zich daarmee vereenzelvigt en met dit milieu een affectieve en sociologische band heeft; dat het voor het kind, met de eigen psychische beperktheden, dan ook zo goed als onmogelijk is voor zichzelf te verklaren waarom het de naam HAEYAERT draagt, wat dan ook als bijzonder verwarrend ervaren wordt, hetgeen vanuit haar fixatie op veiligheid en zekerheid bij sociale contacten perfect te begrijpen is; 2.1.
  15. Overwegende dat verzoekster tenslotte stelt dat het bestreden besluit niet ingaat op de verschillende onderdelen van het uitgebreide verzoek tot naamswijziging en dat de aangegeven motivering, in haar algemeenheid, niet de verwerping van de aanvraag kan dragen, waardoor het beginsel van de materiële motiveringsplicht geschonden is, meer bepaald doordat de minister van Justitie de vraag tot naamsverandering verwerpt met de enkele motivering dat er geen afdoende ernstige motieven in de zin van de wet van 15 mei 1987 voorhanden zijn om de naamswijziging aan de verzoekende partij toe te kennen, welke beslissing is IX-2814-6/13 gebaseerd op de overwegingen dat het ouderlijke gezag door beide ouders wordt uitgeoefend, de vader nog belang stelt in zijn dochter en niet aangetoond wordt dat een naamsverandering in het belang van het kind is, terwijl wel degelijk voldoende werd aangetoond dat de naamsverandering in het belang van de verzoekende partij is; dat verzoekster hiertegen stelt dat, ofschoon het voor het bestuur klaarblijkelijk van het allerhoogste belang was dat de vader nog belang stelt in zijn dochter en het contact met hem niet is verbroken, wat verzoekster niet betwist, er wel sprake was van het feit dat de vereenzelviging volledig met een milieu gebeurt en dat dit, precies vanuit de psychische achtergrond, in casu dusdanig determinerend is dat alle andere waarden die terzake afgewogen moeten worden, een wijziging van naam niet kunnen verhinderen, waarbij overigens onderstreept moet worden dat precies de vader Beni HAEYAERT volledig akkoord gaat met de naamswijziging en dat zijn belangen geenszins geschaad worden, in zoverre dat gegeven meetelt bij de besluitvorming, zodat het onbegrijpelijk is dat het bestuur terzake strakker is dan de vader zelf; dat verzoekster concludeert dat, door de overweging dat de vader nog belang stelt in zijn dochter als dragend motief voor de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot naamswijziging aan te nemen, niet enkel het belang van het kind geschonden wordt, hetgeen een inbreuk betekent op het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, maar ook het beginsel geschonden is dat elke bestuurshandeling door een materieel motief moet worden gedragen, in die zin dat deze overweging geenszins de beslissing kan dragen; 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de onveranderlijkheid van de familienaam het uitgangspunt moet zijn en een naamsverandering slechts uitzonderlijk en om ernstige redenen kan worden toegestaan; dat zij zulks als volgt toelicht: een naamsverandering van de naam van de vader naar de moeder wordt in het algemeen enkel toegestaan indien duidelijk blijkt dat er tussen de vader en zijn kind geen enkele band is en de vader voor zijn kind geen enkele interesse betoont; het komt de minister van Justitie toe om op grond van inlichtingen en informatie over de aanvrager te oordelen of er ernstige redenen zijn voor de naamsverandering; de Raad van State oefent slechts een marginale toetsing uit; de bestreden beslissing is gemotiveerd en werd voorafgegaan door een grondig IX-2814-7/13 onderzoek waarbij de moeder, de vader en de familieleden van beiden werden ondervraagd; aan de minister werd een uitgebreide nota bezorgd, waarin als besluit werd gesteld dat tussen vader en dochter een goede en geregelde band bestaat en de vader zich met de naamsverandering akkoord heeft verklaard omdat hij geen onrust wilde verwekken, doch niet omdat hij met het kind niets meer te maken wilde hebben; bij de beoordeling van de aanvraag tot naamsverandering moet ook rekening worden gehouden met de belangen van het kind, maar uit de geldende wetgeving volgt niet dat de belangen van het kind bij de beoordeling van de aanvraag centraal staan; de motieven die in de oorspronkelijke aanvraag tot naamswijziging en in de mondelinge verklaringen van de moeder worden aangevoerd, verantwoorden trouwens veeleer waarom de naamswijziging in het belang van de moeder is, dan wel waarom het in het belang van het kind zelf is dat de naamswijziging wordt toegestaan; dat wat de aangevoerde schending van artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind betreft, de verwerende partij opmerkt dat het feit dat het kind psychomotorische problemen heeft niet betekent dat zij geestelijk gehandicapt is : voor zover wordt aangevoerd dat geen rekening wordt gehouden met de concentratieproblemen die de verzoekende partij heeft ten gevolge van emotionele problemen die verbonden zijn met het vertrek van de vader, kan bovendien worden opgemerkt dat dit argument niet in de aanvraag tot naamswijziging werd ingeroepen; dat de verwerende partij in zover de verzoekende partij aanvoert dat het kind voor de erkenning door de vader de naam DESCHUYTTER gedragen heeft en zich ook na de erkenning met die naam is blijven vereenzelvigen, opmerkt dat het kind in de geboorteakte door de vader werd erkend en bijgevolg overeenkomstig artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek vanaf de geboorte de naam van haar vader heeft; dat het feit dat in de bestreden beslissing de naam “Deschuytter” wordt vermeld, slechts een materiële vergissing is waaruit niet kan worden afgeleid dat de bestreden beslissing van onzorgvuldigheid getuigt; dat de aanvraag tot naamswijziging op zorgvuldige wijze werd onderzocht en de afwijzing van het verzoek gesteund is op relevante en afdoende motieven die in rechte en in feite gesteund zijn op pertinente gegevens; 2.
  17. Overwegende dat verzoekster repliceert dat de redenen tot naamswijziging die verband houden met haar persoon door de verwerende partij niet IX-2814-8/13 onderzocht werden : de verwerende partij geeft enkel haar beleidslijn aan, die erop neerkomt dat de naamswijziging een sanctie is voor een vader die geen contact houdt met het kind of waar volgens de strikte regelen een naam niet zou kunnen worden verleend; artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 heeft het echter over ernstige redenen, wat een breder begrip inhoudt; artikel 23 van het Verdrag inzake de rechten van het kind werd eveneens geschonden aangezien het bestuur bij de gevraagde naamswijziging blind bleef voor de belangen van het kind; dat volgens verzoekster de door de verwerende partij verdedigde interpretatie bovendien wereldvreemd en strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, aangezien een naamswijziging wel mogelijk zou zijn als de ouder wiens naam het kind draagt het contact met het kind verbreekt, terwijl dat niet zou kunnen wanneer die ouder het contact met het kind behoudt; dat volgens verzoekster het trouwens een achterhaald standpunt is dat de naamswijziging een sanctie zou zijn ten aanzien van een schuldige partij en de verwerende partij voorbij gaat aan de maatschappelijke evoluties die zich in dat verband hebben voorgedaan; 2.
  18. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie staande houdt dat er ten onrechte geredeneerd wordt als zou een naam onveranderlijk zijn, dat hoewel er ernstige redenen moeten zijn en de verwerende partij ter zake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, deze niet arbitrair is en in rechte kan worden getoetst aan de rechtsregelen die door haar zijn ingeroepen; dat wat dat betreft de verwerende partij geen oog heeft gehad voor de belangen van verzoekster zelf, maar uitsluitend geredeneerd wordt als zou de toekenning van een naamswijziging als een sanctie gelden ten aanzien van een vader die zijn plichten verzuimt of als daarmee als "reparateur" kan worden opgetreden als de toekenning van de naam ten aanzien van een feitelijke vader of een vader die de vaderrol op zich neemt, anders zou stoten op juridische bezwaren, wat een onevenredige en onzorgvuldige, en strijdig met artikel 23 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, uitoefening van de discretionaire bevoegdheid vormt; dat verzoekster weliswaar aanvaardt dat de belangen van het kind niet de enige zijn welke bij de oordeelsvorming in aanmerking komen, maar zulks niet impliceert dat er niet in het minst daarmee rekening moet worden gehouden; dat zij ook opmerkt dat er nooit een bevraging is gebeurd of een IX-2814-9/13 onderzoek met betrekking tot de belangen van het kind zelf, zodat zulks niet ten nadele van verzoekster kan worden uitgelegd; dat verzoekster voorts benadrukt dat zij opgroeit enkel en alleen in het gezin van de moeder, dat het feit dat zij een naam draagt van een familie waar zij verder, met de familie als zodanig, geen contact heeft, geleid heeft tot grote onzekerheid en moeilijkheden bij de psychomotoriek en dat de vader het belang van het verzoek tot naamswijziging ook onderkend heeft en akkoord gaat met een naamswijziging; dat volgens verzoekster het strijdt met het gelijkheidsbeginsel dat een vader die deze belangen van de dochter niet zou begrijpen en die zijn verplichtingen als vader niet zou nakomen, dan geen barrière zou vormen voor een naamswijziging, waar een vader die zijn vaderplichten wel opneemt en die begrijpt dat het voor de dochter beter ware dat de naam zou gewijzigd worden, gepenaliseerd wordt; 2.5.
  19. Overwegende dat hoewel verzoekster erkent dat de familienaam enkel kan worden gewijzigd mits daarvoor ernstige redenen zijn, die redenen -wanneer het een minderjarige betreft, zoals in dezen- niet louter bepaald worden door het belang van de betrokkene, eventueel afgewogen tegen het belang van andere personen; dat, immers, artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek nauwkeurig bepaalt welke naam het kind bij de geboorte krijgt en dat Wetboek voorts slechts limitatief met betrekking tot een aantal gevallen voorziet in de mogelijkheid van naamswijziging, waarbij het trouwens uitgesloten is eender welke naam te kiezen; dat de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen hierop een, evenwel beperkt, correctief biedt, daar waar haar artikel 3, tweede lid, bepaalt : "De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden."; dat uit die wettekst blijkt dat de naamsverandering uitzonderlijk is, dat de Koning bijgevolg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om te oordelen of het verzoek op ernstige redenen steunt, waarbij aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan : de gevraagde naam geeft geen aanleiding tot verwarring en kan de verzoeker of derden niet schaden; dat blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet de onveranderlijkheid van de naam de regel moet blijven en de verandering de uitzondering; dat het de Raad IX-2814-10/13 van State dan ook niet toekomt zich in de plaats van de regering te stellen bij de beoordeling van de motieven waaronder deze de naamsverandering al dan niet toestaat en hij slechts een beperkte marginale toetsing kan uitvoeren; 2.5.
  20. Overwegende dat niet ernstig staande kan worden gehouden dat een klein gebrek aan zorgvuldigheid bij het schrijven van de naam DESCHUYTTER in de administratieve documenten, namelijk met twee woorden in plaats van in één woord, van die aard is dat zij de besluitvorming heeft gevitieerd; 2.5.
  21. Overwegende dat verzoekster ook ten onrechte betoogt dat zij oorspronkelijk de naam DESCHUYTTER droeg en deze pas later werd gewijzigd in HAEYAERT; dat, immers, luidens artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, het kind wiens afstamming van vaderszijde en van moederszijde tegelijkertijd komt vast te staan, in de regel de naam van zijn vader draagt; dat de afstamming wordt vastgesteld in de geboorteakte; dat terzake de geboorteakte van verzoekster, opgemaakt op 4 juni 1992 zowel de identiteit van de moeder aangeeft als de erkenning door de vader Beni HAEYAERT bevat; dat bijgevolg de afstamming van verzoekster terzelfder tijd langs vaderszijde en langs moederszijde werd vastgesteld, zodat zij vanaf haar geboorte de naam HAEYAERT heeft gedragen; 2.5.
  22. Overwegende dat, daargelaten de vraag of de leerstoornissen of de problemen op het vlak van de psychomotoriek waaraan verzoekster onderhevig is haar tot een gehandicapt kind maken in de zin van artikel 23 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, in de eerste plaats moet worden vastgesteld dat in het verzoek tot naamsverandering van die problemen geen melding wordt gemaakt, maar er enkel gesteld wordt dat zij het erg moeilijk heeft met het plotse vertrek van haar vader; dat aan de verwerende partij dan ook niet verweten kan worden dat zij daarmee geen rekening heeft gehouden; dat, nog daargelaten de vraag of de voormelde problemen iets te maken hebben met het feit dat verzoekster de naam van haar vader draagt, voorts niet kan worden ingezien dat een verandering van de naam van haar vader in die van haar moeder er zal toe leiden dat zij "een volwaardig en behoorlijk leven" zal kunnen leiden, "in omstandigheden die de waardigheid van het IX-2814-11/13 kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken" en dat zij "daadwerkelijk toegang zal hebben tot onderwijs, opleiding, ..." en "een zo volledig mogelijke maatschappelijke integratie en persoonlijke ontwikkeling bereikt, met inbegrip van (haar) culturele en intellectuele ontwikkeling"; dat verzoekster onvoldoende duidelijk maakt dat haar huidige problemen hieraan te wijten zijn dat zij wettelijk niet de naam draagt waaronder zij blijkbaar - ten onrechte - gekend is; dat verzoeksters redenering wat dat betreft eraan voorbijgaat dat het niet volstaat de voor- en nadelen van het dragen van de ene of de andere naam tegen elkaar af te wegen in het beweerde belang van het kind, met het akkoord van degene wiens naam het thans draagt, om een soort recht op een naamsverandering te doen ontstaan; dat wat dat betreft verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 2.5.
  23. is gezegd; 2.5.
  24. Overwegende dat de bestreden beslissing gemotiveerd is door overwegingen gesteund op de principes van de vastheid van naam waarvan slechts om gewichtige redenen afgeweken kan worden, het feit dat beide ouders het ouderlijk gezag uitoefenen, dat de vader nog belang stelt in zijn dochter daar hij haar op geregelde tijdstippen ziet, dat het niet aangetoond is dat een naamsverandering in het belang van het kind is en het motief dat de procedure van de naamsverandering hier blijkbaar werd aangewend om emotionele conflicten op te lossen; dat de hoger besproken door verzoekster aangevoerde argumenten de motieven van het bestreden besluit niet ontkrachten; dat wijl de naamsverandering uitzonderlijk is en de regering over een discretionaire macht beschikt, het aanhouden van een beleidslijn in de zin dat het opgeven van de naam van de vader in principe niet toegestaan wordt als deze nog contact onderhoudt met het kind niet onwettig is; dat de omstandigheid dat de vader zich niet verzet tegen de naamswijziging slechts in een zeer beperkte mate kan meespelen bij de besluitvorming, aangezien zoals vermeld het niet alleen gaat om het afwegen van de respectieve belangen van de betrokkenen, maar ook de belangen van de gemeenschap: de onveranderlijkheid van de familienaam is noodzakelijk om personen doeltreffend te kunnen identificeren in hun sociale relaties en is een waarborg voor stabiliteit; dat uit het dossier overigens een aantal gegevens blijken waaruit kan worden afgeleid dat de problemen in verband met het dragen van de IX-2814-12/13 naam van de vader op zijn minst voor een deel van de moeder zijn; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig januari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2814-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.246 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.98.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.