← België

Arrest 154247 - - 30/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.247 Rolnummer: A. 118800/IX-3281 Zaak: Arrest 154247 - - 30/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-10 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 08:44 Fiche Arrest nr 154.247 van 30 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.247 van 30 januari 2006 in de zaak A. 118.800/IX-

  1. In zake : Martine SERVAES, wonende te BEVEREN, Vesten 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en B. SCHUTYSER, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidstraat 5-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Martine SERVAES op 27 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing betreffende het examen kandidaat griffier en kandidaat secretaris bij de griffies en parketten -zittijd 2001- aan verzoekster betekend op 7 februari 2002"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2006; IX-3281-1/9 Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, van advocaat G. MASSAER, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. VANLOO, die loco advocaten P. HOFSTRÖSSLER en B. SCHUTYSER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt :
  4. Verzoekster was van 21 december 1988 tot 31 december 1991 achtereenvolgens als beambte werkzaam bij de vredegerechten te Borgerhout en Kontich en bij het parket te Antwerpen. Sinds 1 januari 1992 is zij ambtenaar bij het ministerie van Financiën. Momenteel heeft zij de graad van eerstaanwezend verificateur. 1.
  5. Op 20 december 2000 schrijft verzoekster zich in voor het examen van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris bij de griffies en parketten - zittijd
  6. Het examen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte. 1.
  7. Op 15 september 2001 neemt zij deel aan het schriftelijk examen over strafrecht, belastingrecht en boekhouding der griffies, tarief in burgerlijke zaken en burgerlijke rechtsvordering en de praktische proeven strafrecht, belastingrecht en boekhouding der griffies. Op 29 september 2001 legt zij het examen af over burgerlijk en handelsrecht, strafvordering en tarief in strafzaken, rechterlijke inrichting, publiek recht en sociaal recht. IX-3281-2/9 1.
  8. Met een brief van 10 december 2001 wordt aan verzoekster medegedeeld dat zij geslaagd is voor de schriftelijke proef. Zij wordt uitgenodigd voor de mondelinge proef die algemene vorming omvat, alsmede de materies van de schriftelijke proef waarvoor zij geen 60% van de punten heeft behaald, met name sociaal recht, burgerlijk en handelsrecht, en burgerlijke rechtsvordering. 1.
  9. Op 2 februari 2002 legt verzoekster het mondeling examen af. 1.
  10. Met brief van 7 februari 2002 wordt haar medegedeeld dat zij niet geslaagd is. De motivering van die beslissing luidt : “U heeft 43/100 bekomen voor de tweede proef, zodat U voor het geheel van het examen slechts 59,33% behaalt”. 2.1.
  11. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, stellende dat de omstandigheid dat de voorzitter zijn verwondering uitte over het feit dat iemand die niet binnen het ministerie van Justitie is tewerkgesteld toch aan het examen deelneemt, nog nooit is voorgekomen, het ongewoon karakter weergeeft waarin het examen is verlopen; dat volgens haar door deze vraagstelling de voorzitter van de jury duidelijk heeft laten verstaan dat hij zich moeilijk kon verzoenen met het feit dat een examen, uitgeschreven door het ministerie van Justitie, werd afgelegd door een persoon die niet behoort tot datzelfde ministerie van Justitie en dat daarenboven de voorzitter met de vraag of verzoekster wel degelijk alle zes jaren van de humaniora met vrucht had afgelegd, bijgedragen heeft tot de stemmingmakerij binnen het examen; dat verzoekster betoogt dat de examencommissie, door het stellen van die twee vragen, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, hetwelk vereist dat ieder die aan een dergelijk examen deelneemt op gelijke voet wordt behandeld en er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen de verschillende kandidaten; dat de feitelijke vereisten tot deelname aan dit mondeling examen zijn dat men een getuigschrift heeft van middelbare studies en geslaagd voor op het schriftelijk examen en de actuele plaats van tewerkstelling geen criterium van beoordeling mag zijn voor de jury en dat, via de vraagstelling van de voorzitter, voorafgaand aan het examen, een duidelijke vooringenomenheid blijkt en het vervolg van het examen dienvolgens niet meer is kunnen doorgaan op grond van gelijke behandeling van alle kandidaten; 2.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij vooreerst antwoordt dat verzoekster niet bewijst dat de voorzitter van de examencommissie de opmerkingen heeft gemaakt waarop het middel is gesteund; dat zij meent dat de opmerking van de IX-3281-3/9 voorzitter van de examencommissie, als zou het verwonderlijk zijn dat een kandidate die niet tewerkgesteld is in het ministerie van Justitie deelneemt aan het examen, niet volstaat om te stellen dat de voorzitter heeft blijk gegeven van vooringenomenheid : het gaat om een louter feitelijke vaststelling en verzoekster toont niet aan dat deze enige invloed heeft gehad op het verder verloop van het examen of de andere leden van de examencommissie heeft beïnvloed; dat volgens de verwerende partij de stelling dat de voorzitter van de examencommissie een onwettig beoordelingscriterium zou hebben toegevoegd feitelijke grondslag mist, aangezien de examencommissie haar oordeel uitsluitend gebaseerd heeft op de beoordelingscriteria die werden vooropgesteld, met name de kennis van verzoekster van de vakken voor de schriftelijke proef waarvoor zij geen 60% had behaald en haar algemene kennis; dat de verwerende partij vervolgt dat, wat de vraag van de voorzitter betreft of verzoekster een diploma secundair onderwijs heeft, zij niet aangeeft in welk opzicht het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, zodat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; dat volgens haar bovendien de vraag van de voorzitter haar grondslag lijkt te vinden in de bekommernis na te gaan of verzoekster aan de criteria voldoet om op ontvankelijke wijze haar kandidatuur in te dienen en verzoekster niet aantoont dat de voorzitter hierdoor het gelijkheidsbeginsel geschonden heeft; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog betoogt dat de voorzitter van de jury dient te weten welke de toegankelijkheidsvoorwaarden zijn voor het examen, dat het louter stellen van de vraag of verzoekster wel degelijk haar humaniorastudies heeft afgewerkt, in deze volkomen overbodig is, gezien het een van de grondvereisten is om deel te nemen aan het bewuste examen, dat louter door deze vraagstelling de objectiviteit van de voorzitter in het gedrang komt en deze de overige juryleden hierdoor heeft beïnvloed terwijl zij - samen met de vraag over de huidige tewerkstelling van verzoekster - van aard is om voor het examen de jury te beïnvloeden en verzoekster te intimideren en zenuwachtig te maken; dat verzoekster hierbij vaststelt dat nadien deze examens alleen toegankelijk werden voor het personeel van het departement Justitie, waarvan de voorzitter blijkbaar reeds op de hoogte was en hij de leden van de jury op die manier heeft beïnvloed; dat evenwel de tewerkstelling bij het ministerie van Financiën een extra geeft aan verzoekster die hierdoor haar algemene kennis heeft verruimd en niet binnen het kader van Justitie is gebleven en hierdoor de gelijke behandeling van verzoekster met de andere kandidaten wel degelijk werd geschonden; IX-3281-4/9 2.1.
  14. Overwegende dat, ook al zou de voorzitter van de examencommissie bij de aanvang van het examen hebben opgemerkt dat het nog nooit was voorgekomen dat iemand van buiten het ministerie van Justitie deelneemt aan het examen van kandidaat-griffier en kandidaat-secretaris en hij verzoekster zou hebben gevraagd waarom zij zulks doet of dat de voorzitter haar ook zou hebben gevraagd of zij het diploma van secundair onderwijs heeft behaald, louter daaruit niet kan worden afgeleid dat de voorzitter van de examencommissie blijk heeft gegeven van vooringenomenheid of dat hij de andere leden van de examencommissie zou hebben willen beïnvloeden; dat evenmin daaruit blijkt dat de examencommissie de huidige plaats van tewerkstelling van verzoekster als een beoordelingscriterium zou hebben gehanteerd; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel “misbruik of afwending van macht” aanvoert; dat volgens haar “de zware beïnvloeding door de voorzitter bij het begin van het examen een duidelijke invloed heeft gehad op de andere juryleden bij de beoordeling van verzoekster”, dat immers “de onafhankelijke waarnemer van de vakbond die aanwezig was bij het examen (...) onmiddellijk na het examen (stelde) dat verzoekster op de vragen betreffende het burgerlijk en handelsrecht en de burgerlijke rechtsvordering zeer behoorlijke antwoorden gaf” en “dat er slechts op een onderdeel -sociaal recht- enige restrictie diende te worden genomen betreffende het resultaat”; dat verzoekster erkent “dat de antwoorden op de vragen van algemene vorming -politieke vragen correct, aardrijkskunde en sport niet correct- inderdaad slechts voor een derde correct werden beantwoord”, maar stelt “dat evenwel het globaal verloop van het examen bij een onafhankelijk waarnemer een zeer positieve indruk wekte en deed vermoeden dat hierop in zijn totaliteit toch minimum 50% diende te worden behaald”; dat zij besluit “dat de vraagstelling van de voorzitter van de jury bij het begin van het examen de jury duidelijk heeft beïnvloed en men door het toekennen van de punten op een niveau van 59,33 % -of een tekort van 1,25 punten op 260- duidelijk de visie heeft gevolgd dat de voorkeur naar kandidaten van binnen het Ministerie van Justitie diende te gaan”; 2.2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de examencommissie bij de beoordeling van de antwoorden op de examenvragen een discretionaire bevoegdheid uitoefent en dat de Raad van State die beoordeling enkel marginaal kan toetsen, dat wil zeggen enkel kan nagaan of de beoordeling niet kennelijk, dit is op het eerste gezicht, onredelijk is; dat verzoekster echter in gebreke blijft aan te tonen dat de beoordeling van de examencommissie kennelijk onredelijk IX-3281-5/9 is en zelf toegeeft dat de antwoorden op de vragen over sociaal recht en over algemene vorming onvoldoende waren of dat ten aanzien van die antwoorden minstens “enige restrictie” moet worden genomen; dat zij voorts tegenwerpt dat verzoekster weliswaar gewag maakt van de beoordeling van een onafhankelijke waarnemer, maar in gebreke blijft een verklaring van die waarnemer over te leggen; dat het volgens haar ook niet aan die waarnemer toekomt zich in de plaats van de examencommissie te stellen, terwijl zijn onafhankelijkheid in vraag kan worden gesteld, aangezien het gaat om een vertegenwoordiger van een vakorganisatie, die tot taak heeft de belangen van de werknemers te verdedigen; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoekster in haar repliek benadrukt dat de waarnemer alle examens gevolgd heeft en dus objectief de slaagkansen van de verschillende kandidaten kon inschatten; dat zij zich bovendien afvraagt hoe een persoon die volgens de beoordeling onvoldoende algemene kennis zou hebben er in slaagt voor het schriftelijk examen 69,53% te behalen: de schriftelijke examens handelen weliswaar over de te kennen stof maar iemand die onvoldoende algemene kennis heeft, kan onmogelijk voldoende inzicht verwerven om het schriftelijk examen op dergelijke wijze af te leggen; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie vooreerst opmerkt dat ten gevolge van de voorafgaande beïnvloeding door de voorzitter er reeds voor het examen een negatieve sfeer was ontstaan tegenover verzoekster, dat door de bewering van de onafhankelijke waarnemer van de vakbond na het afleggen van het examen, er geen enkele inmenging geweest is tijdens het examen zelf en die waarnemer verzoekster op een zeer objectieve manier- gezien hij alle examens volgt - zijn visie heeft kunnen geven op het verloop van het examen en daarbij tot de vaststelling kwam dat - op één onderdeel na - het examen zeer bevredigend was verlopen voor verzoekster; dat verzoekster niet het slachtoffer mag worden doordat de vakbondsafgevaardigde weigert zijn bevindingen op papier te zetten, wat in het geheel niets afdoet aan de mondelinge verklaring van deze afgevaardigde; dat verzoekster ook herhaalt dat, om het schriftelijk gedeelte van het examen naar behoren te kunnen afleggen, er wel degelijk een voldoende algemene kennis en inzicht dient aanwezig te zijn en het onmogelijk is 69,53% te behalen terwijl, wat de algemene kennis betreft, quasi uitsluitend vragen werden gesteld over sport, hetgeen geen maatstaf kan zijn om de algemene kennis van verzoekster te toetsen; dat uit de resultaten van verzoekster blijkt dat haar juridische kennis meer dan behoorlijk is en het niet kennen van sportactualiteit niets afdoet aan haar parate algemene kennis, IX-3281-6/9 terwijl daarenboven haar huidige werkgever een zeer gunstig verslag geeft van verzoekster en over heel de lijn zeer tevreden is met haar prestaties; dat zij immers op dit ogenblik - binnen haar activiteiten binnen het ministerie van Financiën - gedelegeerd ambtenaar is van de gewestelijke directie en in die functie beslissingsbevoegdheid heeft gekregen, wat aantoont dat haar huidige werkgever haar algemene kennis hoog inschat; dat verzoekster het derhalve duidelijk acht dat de jury - door verzoekster een tekort van 1,25 punten op 260 te geven- zich heeft laten beïnvloeden door de vraagstelling van de voorzitter bij het begin van het examen en de visie van de voorzitter, als zou een kandidaat die tewerkgesteld is bij het ministerie van Justitie de voorkeur diende te krijgen, heeft gevolgd en hij bovendien door de vraagstelling naar het voleindigen van de humaniora door verzoekster, zich reeds vooraf vragen had gesteld over de algemene kennis van verzoekster, terwijl deze algemene kennis nog diende te worden getoetst; 2.2.5.
  19. Overwegende dat verzoekster voor het mondeling examengedeelte 43 punten op 100 heeft behaald; dat in het verslag van de examencommissie die uitslag als volgt gemotiveerd wordt: “Behoudens voor wat betreft de burgerlijke rechtsvordering heeft de kandidaat onvoldoende geantwoord voor de andere vakken. Bovendien beschikt zij over onvoldoende algemene kennis”; 2.2.5.
  20. Overwegende dat voor zover verzoekster verwijst naar verklaringen van de waarnemer van een vakorganisatie die bij het examen aanwezig was, en deze zou hebben gesteld dat zij op de vragen betreffende burgerlijk en handelsrecht en burgerlijke rechtsvordering “zeer behoorlijke antwoorden” gaf en slechts op het onderdeel sociaal recht “enige restrictie” moest worden gemaakt, die bewering niet aantoont dat de beoordeling die de examencommissie heeft uitgebracht kennelijk onredelijk is; dat artikel 14, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel bepaalt dat de afgevaardigde zich moet onthouden van iedere bemoeiing met het normaal verloop van het vergelijkend examen, van de proef van het examen, en niet mag deelnemen aan de beraadslaging van de examencommissie; dat het derhalve niet de taak is van de vakbondsafgevaardigde om de beoordeling die door de examencommissie werd uitgebracht te controleren en zijn beweringen omtrent de prestaties van verzoekster aan de beoordeling van de examencommissie dan ook geen afbreuk kunnen doen; dat overigens de omstandigheid dat de betrokken vakbondsafgevaardigde geweigerd zou hebben zijn bevindingen schriftelijk te bevestigen, verzoeksters verklaringen IX-3281-7/9 dienaangaande voor niet bewezen maakt; dat, immers, men niet inziet waarom een vakbondsafgevaardigde, wiens opdracht precies is op te komen voor de belangen van de werknemers en die wat dat betreft speciale bescherming geniet, zich geremd zou moeten voelen om schriftelijk te bevestigen wat hij heeft vastgesteld; 2.2.5.
  21. Overwegende dat in zover verzoeker in het middel aanvoert dat de examencommissie zich zou hebben laten beïnvloeden door de voorzitter die de voorkeur zou hebben gegeven aan kandidaten uit het ministerie van Justitie, het middel, zoals het eerste middel, steunt op een loutere bewering, die door geen enkel feitelijk gegeven is gestaafd; 2.2.5.
  22. Overwegende tenslotte dat het feit dat verzoekster geslaagd was voor het schriftelijk examen niet verhindert dat zij ook een voldoende moest behalen voor het mondeling gedeelte over algemene kennis; dat zij in haar verzoekschrift trouwens stelt dat zij de vragen over algemene kennis slechts voor een derde correct beantwoord heeft; dat zij pas in haar laatste memorie voor de dag komt met haar bewering dat het daarbij vooral over sport ging, hoewel zij sport in haar inleidend verzoekschrift enkel als een der onderwerpen had vermeld; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. IX-3281-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig januari 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3281-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.