id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.366 Rolnummer: A. 169677/VII-36214 Zaak: Arrest 154366 - - 31/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:48 Fiche Arrest nr 154.366 van 31 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.366 van 31 januari 2006 in de zaak A. 169.677/XIV-24.580. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat L. PEPERMANS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 december 1986 en van Nigeriaanse nationaliteit, op maandag 23 januari 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 januari 2006 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 januari 2006 tot weigering van toegang, met terugdrijving; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 27 januari 2006 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-24.580-1/12 Gehoord de opmerkingen van Advocaten L. PEPERMANS en J. DELIEN, die verschijnen voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij op 23 januari 2006 een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient dat bestaat uit 29 bladzijden; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, vereist dat een bondig gemotiveerd verzoekschrift wordt ingediend en niet een uitgebreid verzoekschrift dat bestaat uit tal van bladzijden met verschillende middelen; dat een dergelijk verzoekschrift haaks staat op de betekenis, de inhoud en de draagwijdte van het begrip uiterst dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat dit arrest een prima facie onderzoek inhoudt van de drie cumulatieve voorwaarden van artikel 17 §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.1. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit de brief dd. 24 januari 2006 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt, dat de verzoekende partij op dit ogenblik van haar vrijheid is beroofd en dat tot op heden geen datum van repatriëring werd vastgelegd; dat evenwel de repatriëring op elk ogenblik kan worden uitgevoerd, na uitspraak van huidig arrest, zodat de verzoekende partij met haar verzoekschrift ingediend op 23 januari 2006 alert en diligent heeft gehandeld, gelet op het imminent gevaar voor repatriëring en op de datum van de bestreden beslissing (17 januari 2006), die de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 januari 2006 bevestigt, waarbij de toegang tot het grondgebied werd geweigerd aan de verzoekende partij; XIV-24.580-2/12 Overwegende dat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 2.1. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij vier middelen ontwikkelt; Overwegende dat er aanleiding is, in het kader van een behoorlijke rechtsbedeling, om het eerste en het tweede middel samen te behandelen; Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel in essentie de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 149 van de Grondwet, doordat er, in strijd met wat de bestreden beslissing overweegt, geen hiaten zijn in het asielrelaas van de verzoekende partij, vermits het bestaan van deze hiaten wordt gebaseerd op het schriftelijk verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken dd. 28 december 2005; dat dit verslag volgens de verzoekende partij niet correct werd voorgelezen, door de verzoekende partij niet werd aanvaard, en dat uit dit verslag zou blijken dat vraag 42 van de vragenlijst door voornoemde dienst niet zou zijn gesteld; dat de verzoekende partij daaraan toevoegt dat de bestreden beslissing gebaseerd is op twijfels en dat de vastgestelde bedrieglijkheid geen steun kan vinden in slechts één beweerdelijk hiaat; dat de verzoekende partij daaruit afleidt dat het schriftelijk verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken geen bewijswaarde heeft en dat het weerhouden hiaat geen steun vindt in het administratief dossier, zodat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 149 van de Grondwet, artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 20 en 21 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, doordat de verzoekende partij op de Dienst Vreemdelingenzaken geen bijstand van een tolk heeft gekregen, terwijl zij recht heeft op een tolk “broken English” of Ijaw en dit elementaire recht haar werd ontzegd en bovendien de ambtenaar bij de Dienst Vreemdelingenzaken die het interview afnam geen “broken English” verstaat en mogelijks het “British English” niet beheerst, wat zou blijken uit de foutieve vertaling van de geboortedatum van de verzoekende partij; dat volgens de verzoekende partij het schriftelijk verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken door dit vertaalprobleem waardeloos zou zijn; dat bovendien de interviewer-jurist van het Commissariaat-generaal de bijstand van een geschikte tolk heeft geweigerd, terwijl de verzoekende partij recht had op een tolk, wat werd gevraagd door de Advocate van de XIV-24.580-3/12 verzoekende partij in een brief van 10 januari 2006 en bij de aanvang van het interview op het Commissariaat-generaal; Overwegende dat de verzoekende partij bovendien betwist dat zij akkoord ging met de keuze van het Engels, de taal gebruikt tijdens het interview op het Commissariaat-generaal; dat zij daaraan toevoegt dat zij geen opmerkingen kan maken op de inhoud van het schriftelijk interview, aangezien het verslag van het interview niet correct werd voorgelezen; dat zij daaraan toevoegt dat zij nochtans om de bijstand van een tolk had gevraagd in eerste aanleg, wat zou blijken uit de bijlage 25, en dat de bestreden beslissing onterecht steunt op het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, door te overwegen dat de verzoekende partij niet de waarheid spreekt over haar scholingsgraad, en door even onterecht te overwegen dat de verzoekende partij op de Dienst Vreemdelingenzaken nu eens wel, dan weer niet de gestelde vragen begreep; dat de verzoekende partij vervolgt dat de bestreden beslissing daarenboven onterecht vermeldt dat de verzoekende partij laattijdig verzocht om de bijstand van een tolk, terwijl uit de bijlage 25 blijkt dat om de bijstand van een tolk werd verzocht; dat de verzoekende partij daaraan toevoegt dat het interview op het Commissariaat-generaal niet tijdig werd gestopt om te voorzien in een andere tolk; 2.1.1. Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet toepasselijk is op uitspraken van de rechterlijke macht en niet op administratieve beslissingen, zodat dit onderdeel van het middel onontvankelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing concludeert tot de bedrieglijkheid van het asielrelaas van de verzoekende partij omdat het relaas hiaten bevat en omdat de verzoekende partij de directe aanleiding voor haar vlucht uit haar land van herkomst pas meedeelt op het Commissariaat-generaal en niet bij de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat in een tweede deel van de bestreden beslissing het vluchtrelaas van de verzoekende partij nauwkeurig wordt ontleed en besproken, nadat in het eerste deel het vluchtrelaas van de verzoekende partij omstandig wordt weergegeven; Overwegende dat de motivering betreffende de hiaten in het vluchtrelaas van de verzoekende partij als volgt luidt: “Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de verklaringen die u aflegde voor de diverse Belgische asielinstanties (gehoor Dienst Vreemdelingenzaken op 28/12/2005 en Commissariaat- generaal) belangrijke hiaten vertonen. Daar waar u tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakt van een concrete vluchtaanleiding, behalve dat u in Lagos op straat leefde, er geen voedsel had en er geen manier van overleven zag, waaruit blijkt dat u eerder omwille van economische redenen uw land verlaten heeft, wat eveneens werd opgemerkt in de “bijlage bij een beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied met terugdrijving” (bijlage 26bis), verklaarde u tijdens uw gehoor in dringend beroep dat Kenneth u in december 2005 zei dat ltsekiri naar zijn XIV-24.580-4/12 huis zouden komen gezien hij u onderdak gaf. U verklaarde dat u het schip nam gezien u zich niet meer veilig voelde omwille van deze ltsekiri (p. 20-21). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u echter enkel dat uw ouders in 1996 door ltsekiri gedood werden. Tijdens ditzelfde gehoor verklaarde u eveneens dat u met uw broer, na uw vertrek uit Warri, naar Lagos ging waar u op straat leefde waar u geen eten had en geen manier van overleven zag waardoor u op 9 december 2005 aan boord ging van een schip gezien u de mogelijkheid zag te vertrekken (zie gehoor Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 42). Bijgevolg is het bijzonder twijfelachtig dat u het feit als zou Kenneth u gezegd hebben dat ltsekiri naar zijn huis zouden komen gezien hij u en uw broer onderdak gaf - wat tijdens uw gehoor in dringend beroep de directe aanleiding (was) voor uw vlucht uit Nigeria blijkt te zijn - niet vermeld heeft voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Als verklaring voor dit hiaat stelde u dat u de persoon van de Dienst Vreemdelingenzaken niet begreep, dat u zijn Engels niet begreep (p. 22). Uit het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt echter nergens dat u zou melding gemaakt hebben van dergelijke problemen, noch heeft u in uw dringend beroepschrift ook maar met één woord gerept over eventuele (taal)problemen die er zouden geweest zijn tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Verder stelde u dat de persoon van de Dienst Vreemdelingenzaken geen vragen heeft gesteld zoals het Commissariaat-generaal dit doet en u vervolgde dat de man u enkel zei uw verhaal te vertellen (p. 26). Hieromtrent dient gesteld te worden dat er redelijkerwijze van u kan verwacht worden dat u alle essentiële elementen ter staving van uw asielaanvraag spontaan van bij het begin van de asielprocedure zou hebben vermeld. Bovendien verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken wel spontaan, zonder dat de interviewer u uitdrukkelijk naar vroeg, dat uw ouders in 1996 door ltsekiri gedood werden. U heeft ook niet nagelaten spontaan te vermelden dat u geen eten had en geen manier tot overleven zag in Lagos. Bijgevolg is het weinig overtuigend dat, indien Kenneth u daadwerkelijk zou gezegd hebben dat ltsekiri naar zijn huis zouden komen, u dit niet spontaan zou gezegd hebben tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken.”; Overwegende dat op het eerste gezicht de motivering betreffende de hiaten in het vluchtrelaas pertinent, coherent, nauwkeurig, deugdelijk, afdoende en draagkrachtig is; dat bijgevolg de onderdelen van de twee middelen die betrekking hebben op de motiveringsgebreken niet ernstig zijn; 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij poogt om de bestreden beslissing op de helling te zetten en inhoudelijk te betwisten, door de betekenis en de waarde van het onderzoek dat voorafgaat aan de bestreden beslissing aan een kritisch wettigheidsonderzoek te onderwerpen; Overwegende dat de bestreden beslissing in dit verband het volgende overweegt: “Betreffende de communicatieproblemen die zich hebben voorgedaan tijdens uw gehoor in dringend beroep dient het volgende te worden opgemerkt. Tijdens uw gehoor in dringend beroep, dat gevoerd werd in het Engels, verklaarde u herhaaldelijk dat u de zaken niet begreep gezien u “broken English” spreekt en begrijpt en geen Engels (p. 2-3,7). Op 10 januari 2005, de dag vóór uw gehoor in dringend beroep, heeft uw raadsvrouw per fax laten weten dat u voor uw gehoor voor het Commissariaat-generaal bijstand wenste van een tolk (zie document in administratief dossier). Bij uw asielaanvraag op 27 december 2005 verklaarde u zich echter akkoord met het Engels als gehoortaal tijdens uw asielaanvraag (zie bijlage 25 in het administratief dossier). Nergens is er sprake dat u bijstand wilde van een tolk die hetzij het Ijaw, hetzij het Pidgin Engels machtig is. Tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft u evenmin melding gemaakt van het feit dat u beroep wenste te doen op een tolk die Ijaw of Pidgin Engels spreekt. Verder blijkt nergens uit uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u tijdens dit gehoor melding zou gemaakt hebben van eventuele taalproblemen. Bovendien werd(
- en)u tijdens dit gehoor een aantal kennisvragen gesteld betreffende Nigeria, zoals de munteenheid, het beschrijven van de Nigeriaanse vlag, twee namen van TV-zenders, namen van rivieren en de naam van het Nigeriaanse voetbalteam. U gaf telkens correcte antwoorden op deze vragen. XIV-24.580-5/12 Bijgevolg kan hier bezwaarlijk gesteld worden dat u onvoldoende Engels begrijpt gezien u de kennisvragen die u gesteld werden wel degelijk juist begrepen en geïnterpreteerd heeft, gezien de correcte antwoorden. Bovendien kan worden vastgesteld dat het gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken vlot is verlopen, gezien u in een relatief korte tijdspanne(
- n)(45 minuten) behoorlijk wat informatie heeft verstrekt. In die tijdspanne werd immers de hele vragenlijst (47 punten) overlopen en gaf u ook nog een uiteenzetting van de motieven voor uw asielaanvraag (punt 42). Het feit dat u geen melding maakte van taalproblemen, het gegeven dat u correct antwoordde op verscheiden(
- e)kennisvragen betreffende Nigeria en de vaststelling van het vlotte verloop van het gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken wijst er op dat u wel degelijk bij machte was Engels te begrijpen en te spreken, wat in schril contrast staat met uw houding tijdens uw gehoor in dringend beroep. Er dient eveneens vastgesteld te worden dat u in uw dringend beroepschrift evenmin melding heeft gemaakt van taalproblemen die zich zouden voorgedaan hebben tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken hoewel u in uw dringend beroepschrift wel ingaat op uw asielrelaas, noch de bijstand heeft gevraagd van een tolk voor uw gehoor in dringend beroep. Verder is het opmerkelijk dat u tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde uw secundaire school beëindigd te hebben (gehoor Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 36), wat erop wijst dat u de Engels(
- e)taal voldoende moet begrijpen en spreken (zie informatie in het administratief dossier). Het is dan ook op zijn minst twijfelachtig te noemen dat u tijdens uw gehoor in dringend beroep herhaaldelijk beweerde de aan u gestelde vragen niet te begrijpen gezien u enkel Pidgin Engels zou spreken en begrijpen. Bovendien verklaarde u voor het Commissariaat-generaal slechts vier jaar lager onderwijs gevolgd te hebben en (
- u)ontkende naar de middelbare school te zijn geweest (p. 5). Wat betreft deze incoherenties betreffende uw scholing dient opgemerkt te worden dat de persoon van de Dienst Vreemdelingenzaken die u verhoorde er geen enkel belang bij heeft om uw scholingsgraad te verdraaien en verkeerdelijk te noteren waardoor we met recht en rede mogen geloven dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken beweerd heeft dat u uw middelba(a)r(
- e)onderwijs heeft genoten, wat erop wijst dat u de Engels(
- e)taal voldoende machtig moet zijn. Bijgevolg kan dan ook ernstig getwijfeld worden aan het feit als zou u de vragen die u tijdens uw gehoor in dringend beroep in het Engels werden gesteld niet zou begrepen hebben gezien u het Engels niet of onvoldoende machtig bent. Er dient eveneens vastgesteld te worden dat u, wanneer u door de Dienst Vreemdelingenzaken gevraagd werd welk beroep u de twee laatste jaren heeft uitgeoefend, u antwoordde (
- u)geen werk te hebben gehad (gehoor Dienst Vreemdelingenzaken, vraag 36), terwijl u wanneer u door het Commissariaat-generaal herhaaldelijk gevraagd werd welke “job”, “beroep”, “werk” u had in Nigeria, u telkens stelde de vraag niet begrepen te hebben (p. 6). Wanneer u verder door het Commissariaat-generaal gevraagd werd naar de straat of buurt waar u woonde in Werri, antwoordde u de vraag niet begrepen te hebben (p.8).Voor wat betreft uw verblijf in Lagos verklaarde u dat u in “Kalewi n/ 7” verbleef (p. 9). Wanneer u toen gevraagd werd of dit de naam van een straat, dan wel een buurt is, kon u preciseren dat dit een straatnaam is, waaruit blijkt dat u wel degelijk de termen “straat”, “buurt” begrijpt (p. 9). Tenslotte verzocht uw raadsvrouw, Meester Lieve Pepermans, per fax om de bijstand van een tolk (zie document in het administratief dossier). Het feit dat deze fax pas verstuurd werd op 10 januari 2006, de dag vóór uw gehoor in dringend beroep, terwijl u reeds op 27 december 2005 asiel heeft aangevraagd en Meester Lieve Pepermans reeds op 4 januari 2006 per fax haar tussenkomst als raadsman meldde, maakt dit verzoek dan ook weinig ernstig. Uit al het voorgaande blijkt dat u of uw raadsvrouw niet aannemelijk hebben gemaakt dat u werkelijk de bijstand van een tolk nodig had voor het gehoor door het Commissariaat- generaal. U legde geen documenten voor die een controle van uw identiteit en reisweg mogelijk maken. Voor wat betreft de nota (dd. 12 januari 2005) van uw raadsvrouw betreffende de afwezigheid van een tolk tijdens uw gehoor in dringend beroep wordt verwezen naar bovenstaande paragraaf. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep en de brief (dd. 10 januari 2006) van uw raadsvrouw geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen”. Overwegende dat de verzoekende partij niet ingaat op het karakter van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het asielrelaas, dat voorafgaat aan de bestreden beslissing en dat bestaat uit een aantal administratieve formaliteiten, verhoren, verslagen die worden geredigeerd door interviewers-juristen en kennisgevingen van de administratieve XIV-24.580-6/12 beslissingen aan de verzoekende partij, die over een administratief beroep en over een verhaal bij de Raad van State beschikt; Overwegende dat de verzoekende partij in elk stadium van de asielprocedure de mogelijkheid heeft om haar asielrelaas te vervolledigen en te wijzigen, om bijkomende stukken neer te leggen en om zich te laten bijstaan door een tolk en door een Advocaat van haar keuze; Overwegende dat een onregelmatigheid begaan in de voorbereidende fase van de thans bestreden beslissing, deze laatste pas eventueel zou kunnen vitiëren wanneer de aangevoerde onregelmatigheid van die aard is dat zij de inhoud, de betekenis, en de draagwijdte van het asielrelaas van de verzoekende partij op essentiële punten aantast; dat anders gezegd, de onregelmatigheid van substantiële aard moet zijn; Overwegende dat dit op het eerste gezicht in casu niet het geval is, omdat uit het administratief dossier blijkt dat het asielrelaas van de verzoekende partij kort en bondig is, en bijna niet varieert, behoudens voor wat de inconsistenties in graad van beroep betreft, evenals voor wat de rechtstreekse aanleiding van de vlucht betreft, die pas op het Commissariaat-generaal wordt uiteengezet; Overwegende dat wat de taal- en de vertaalproblemen betreft de bestreden beslissing een veelheid van motieven bevat, zodat de verzoekende partij het niet aannemelijk maakt dat de verzoekende partij de in het Engels gestelde vragen op het Commissariaat-generaal niet zou hebben begrepen; dat de bestreden beslissing in dit verband vaststelt dat de verzoekende partij op 27 december 2005 bij het indienen van haar asielaanvraag zich akkoord verklaarde met het Engels als gehoortaal; dat er op dat ogenblik geen sprake was van een bijstand van een tolk Ijaw of een tolk Pidgin-Engels en dat er tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken niet werd vermeld dat de verzoekende partij een beroep wou doen op een tolk Ijaw of een tolk Pidgin-Engels; dat er evenmin eventueel taal- of vertaalproblemen werden vermeld tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat het vlotte verloop van het verhoor erop wijst dat de verzoekende partij Engels verstaat en kan spreken, wat niet te rijmen valt met haar houding tijdens het gehoor in dringend beroep; dat bovendien in het beroepsschrift in dringend beroep geen taalproblemen worden vermeld; Overwegende dat het niet-invullen op het einde van het verslag van de taal waarin het verhoor werd voorgelezen en de omstandigheid dat niet werd aangeduid of de inhoud van het verhoorverslag werd aanvaard, niet belet dat de inhoud van het verhoor- verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gebruikt in graad van dringend beroep; dat tijdens dat interview op het Commissariaat-generaal de verzoekende partij de kans kreeg om via het antwoord op de gestelde vragen door de interviewer-jurist, de inhoud van het XIV-24.580-7/12 verhoor in eerste aanleg te preciseren, te nuanceren en om bepaalde uitspraken te betwisten en/of te weerleggen; dat de Advocate van de verzoekende partij een kopie kon bestellen van dit verslag en het vóór het interview op het Commissariaat-generaal kon bespreken met haar cliënt en het aan een kritisch onderzoek kon onderwerpen; Overwegende dat de verzoekende partij het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft ondertekend, zonder hierbij een opmerking te maken; Overwegende dat de verzoekende partij in de huidige stand van de procedure niet aantoont, wat er tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken precies fout is gelopen, behoudens één materiële vergissing betreffende de geboortedatum van de verzoekende partij, die voor de inhoud van het asielrelaas zonder belang is; Overwegende dat de verzoekende partij, op het eerste gezicht, de vaststelling niet betwist, dat het asielrelaas, zoals weergegeven in het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, overeenstemt met de verklaringen die zij heeft afgelegd; dat de omstandigheid dat het asielrelaas niet werd weergegeven onder punt 42 geen belang heeft, vermits het neergeschreven asielrelaas bestaat en deel uitmaakt van het administratief dossier, dat hieruit evenmin voortvloeit dat de verzoekende partij haar asielrelaas niet kon weergeven of dat het neergeschreven relaas niet zou overeenstemmen met de verklaringen van de verzoekende partij; Overwegende dat de volgende objectieve elementen blijken uit het administratief dossier, in verband met het taalgebruik van de verzoekende partij en betreffende de rol van de tolk ( de zogenaamde vertaalproblemen): 1/. de verzoekende partij verzoekt om een tolk “Anglais” bij het indienen van haar asielaanvraag ( bijlage 25, adm. doss. stuk 1); 2/. wanneer de verzoekende partij haar verklaring aflegt in toepassing van artikel 54/1 van de Vreemdelingenwet en zij deze verklaring ondertekent, verzoekt zij niet om de bijstand van een tolk ( adm. doss., stuk 2); 3/. in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart de verzoekende partij dat haar taal van oorsprong het Engels is en het Ijaw ( Juruba); 4/. het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken wordt afgenomen door een interviewer - jurist die Engels spreekt en de verklaringen van de verzoekende partij vertaalt van het Engels naar het Nederlands. In dit interview vermeldt de verzoekende partij geen taal- of vertaalproblemen en zij verklaart evenmin dat zij de interviewer-jurist niet of niet goed zou hebben begrepen; 5/. de verzoekende partij dient een dringend beroep in, zonder enig commentaar op de inhoud van het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken en zonder één woord te schrijven over eventuele taal- of vertaalproblemen; dat dit laatste in schril contrast staat met de XIV-24.580-8/12 verklaring van de verzoekende partij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal, waar zij plots verklaart : “ik begrijp de man niet; ik begrijp zijn Engels niet”; 6/. de verzoekende partij poogt om te bewijzen dat de interviewer-jurist op de Dienst Vreemdelingenzaken het Engels niet machtig is, door te verwijzen naar één materiële fout met betrekking tot de geboortedatum. Hiermee toont zij uiteraard niet aan dat de interviewer-jurist onvoldoende Engels kent en dat haar verklaringen gebrekkig werden vertaald; 7/. de verzoekende partij gaat eraan voorbij dat zij tijdens haar asielprocedure de tussenkomst heeft gevraagd en gekregen van een tolk Engels, waarbij de rol van tolk werd waargenomen door de interviewer-jurist, op basis van dit gegeven mocht de Commissaris- generaal er in redelijkheid van uitgaan dat de verzoekende partij relevante verklaringen kon afleggen in het Engels. De rechtspraak neemt aan dat de rol van de tolk kan worden waargenomen door de interviewer-jurist wanneer hij, zoals in casu, de vreemde taal beheerst (R.v. St., nr. 133.308, 29 juni 2004). Artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet beoogt enkel de taal van het onderzoek van de asielaanvraag te bepalen en houdt niet in dat het interview plaatsvindt in aanwezigheid van een tolk (R. v. St., nr. 121. 142, 1 juli 2003; R. v. St., nr. 147.750, 20 juli 2005); 8/. het staat vast dat de verzoekende partij een relevant en gedetailleerd verhaal heeft verteld aan de politie, betreffende de manier waarop zij naar België kwam als verstekeling; 9/. de interviewer-jurist van het Commissariaat- generaal wijst de verzoekende partij erop dat zij voornoemd verhaal (cfr. punt 8/) in het Engels heeft verteld. Dit ontkent de verzoekende partij niet (verhoorverslag p. 2 en p. 3, verklaring verstekeling, adm. doss., stuk 1); Overwegende dat uit de punten 1/ tot 9/ op het eerste gezicht blijkt dat de verzoekende partij voldoende Engels kent om verklaringen af te leggen voor de asielinstanties; Overwegende dat uit artikel 20 van voornoemd koninklijk besluit van 11 juli 2003 blijkt dat de Commissaris-generaal zelf, in de mate van het mogelijke, een gepaste tolk zoekt; dat wanneer hij daarin niet slaagt, aan de asielzoeker kan gevraagd worden zelf in te staan voor een tolk, dat als dit niet kan, aan de asielzoeker kan worden gevraagd een geschreven verklaring op te stellen; dat, wanneer de kandidaat-vluchteling geen geschreven verklaring kan of wil opstellen, de Commissaris-generaal kan beslissen, op basis van de elementen waarover hij beschikt; dat voornoemd artikel 20, de rechtspraak van de Raad bekrachtigt die ervan uitgaat dat de Commissaris-generaal niet wettelijk verplicht is om in te staan voor een tolk (R.v.St., nr. 73.569, 8 mei 1998; R.v.St, nr. 75.599, 18 augustus 1998); Overwegende dat artikel 21 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat de kandidaat-vluchteling een andere tolk kan vragen indien hij daarvoor een geldige reden XIV-24.580-9/12 opgeeft; dat het in casu niet onredelijk is dat hierop niet werd ingegaan, gelet op wat voorafgaat en op de gegevens vervat in het administratief dossier; Overwegende dat uit de verschillende verhoorverslagen blijkt dat de Commissaris-generaal op het eerste gezicht op goede gronden vaststelt dat de verzoekende partij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen concrete vluchtaanleiding vermeldt, die determinerend is voor die vlucht; Overwegende dat, wanneer bij de aanvang van de asielprocedure de asielzoeker het hoofdmotief van zijn vlucht niet vermeldt, dit op het eerste gezicht kan volstaan om te besluiten tot de bedrieglijkheid van het asielrelaas, rekening houdend met de overige gegevens en elementen vervat in de bestreden beslissing; Overwegende dat het eerste en het tweede middel niet ernstig zijn; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 52, § 2 van de Vreemdelingenwet en van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951(Vluchtelingenconventie), doordat de bestreden beslissing niet alle aspecten, eigen aan de zaak heeft onderzocht, met name heeft het gevoerde onderzoek geen betrekking op de gesproken taal van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij daaraan toevoegt dat in de ontvankelijkheidsfase twijfel niet is toegelaten; Overwegende dat op het eerste gezicht de kandidaat-vluchteling niet aantoont dat hij in zijn land van herkomst persoonlijk en systematisch wordt vervolgd omwille van één van de criteria opgenomen in de Vluchtelingenconventie; dat dit blijkt uit de omstandige motivering van de bestreden beslissing, waarbij het behoort tot de appreciatiebevoegdheid van de Commissaris-generaal om in redelijkheid te oordelen over het aspect vervolging in de zin van voornoemde Conventie; dat de Commissaris-generaal op het eerste gezicht op goede gronden kon komen tot de conclusie van zijn beslissing, rekening houdend met alle relevante elementen van het administratief dossier en met het vluchtrelaas van de verzoekende partij; Overwegende dat de verzoekende partij niet aantoont welke belangrijke gegevens van haar asielrelaas niet aan bod zijn gekomen, door het feit dat zij niet werd bijgestaan door een tolk die zich uitdrukt in de talen die de verzoekende partij op het Commissariaat-generaal voorstelt; dat zij geen gegevens aanbrengt die zouden zijn vergeten of die niet aan bod zijn gekomen; Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; XIV-24.580-10/12 2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, doordat de taal van de procedure niet werd aangeduid door de Dienst Vreemdelingenzaken, zodat het onduidelijk is, welke de taal is van de procedure; Overwegende dat uit stuk nr. 2 van het administratief dossier blijkt dat op 28 december 2005 een verklaring werd afgelegd in toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en dat de verzoekende partij erkende erover te zijn geïnformeerd dat de taal waarin de asielaanvraag zal worden onderzocht het Nederlands is; dat artikel 51/4 niet bepaalt dat deze verklaring moet worden afgelegd ten laatste op het moment dat de verzoekende partij zich vluchteling verklaart; Overwegende dat het vierde middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17,§§ 1 en 2; 3. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de verzoekende partij in essentie doet gelden dat een gedwongen terugkeer een risico inhoudt voor haar psychische integriteit en dat zij vreest voor haar leven indien zij gedwongen zou dienen terug te keren naar haar land van herkomst; dat zij daaraan toevoegt dat zij gevlucht is omdat zij vreest te zullen worden gezocht door de Isekiri-stam uit Nigeria en omdat haar ouders reeds werden gedood en dat zij vreest hetzelfde lot te zullen ondergaan; dat de verzoekende partij bovendien betoogt dat wanneer zij zou gedwongen worden, het land te verlaten, België niet meer bevoegd is om haar asielaanvraag te behandelen en de procedure bij de Raad van State de facto zonder belang is; Overwegende dat voornoemde uiteenzetting vaag is en algemeen en niet wordt gestaafd met concrete gegevens; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, XIV-24.580-11/12 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-24.580-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.366 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div