← België

Arrest 154373 - - 01/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.373 Rolnummer: A. 125749/VII-27609 Zaak: Arrest 154373 - - 01/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:48 Fiche Arrest nr 154.373 van 1 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 154.373 van 1 februari 2006 in de zaak A. 125.749/VII-27.609 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 21 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 december 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.609-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In zijn verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.

  1. De feiten 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 3 december 1999 en verklaarde zich op 6 december 1999 vluchteling. 1.
  3. Op 6 november 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 23 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 05 juni 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). VII-27.609-2/5 U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". Dit is de bestreden beslissing.
  5. Beoordeling 2.
  6. In een enig middel beroept verzoekster zich op de schending van de artikelen 52, §2, 57/6 en 57/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de algemene rechtsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de rechten van verdediging, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 1D van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, doordat de asielaanvraag van verzoekster onontvankelijk werd verklaard omdat zij zonder geldige reden geen gevolg zou hebben gegeven binnen de maand van de verzending van de brief, gedateerd 5 juni
  7. In een eerste onderdeel stelt verzoekster dat de bestreden beslissing deze brief van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als een verzoek om inlichtingen bestempelt in de zin van artikel 52 §2, vierde lid van de Vreemdelingenwet, doch dat zulks geenszins vaststaat, nu deze brief uitsluitend betrekking heeft op de vraag of verzoekende partij haar asielprocedure nu al dan niet wenst verder te zetten, of er andere familieleden in België verblijven en herinnert aan het feit dat verzoekende partij haar adreswijzigingen dient kenbaar te maken. Verder stelt zij in een tweede onderdeel dat zij geen gevolg heeft gegeven aan de brief van 5 juni 2002 aangezien zij deze brief nooit heeft ontvangen omwille van een nalatigheid die haar niet kan worden aangerekend en die zijn oorzaak vindt in het slecht of onzorgvuldig functioneren van de post, die haar de aangetekende brief nooit heeft aangeboden of toch minstens nooit een bericht heeft bezorgd dat er een aangetekende brief was aangeboden. Tenslotte stelt verzoekster dat de commissaris-generaal bij ieder dringend beroep dient na te gaan of de betrokken persoon kan worden teruggeleid naar zijn land van herkomst en dat dit een individuele evaluatie veronderstelt van de uitgedrukte persoonlijke vrees. 2.
  8. De aangetekende brief van 5 juni 2002 is een verzoek om inlichtingen. In tegenstelling tot verzoeksters bewering, werd er bij het verzoek om inlichtingen een vragenlijst gevoegd die verzoekster zo snel mogelijk diende aangetekend terug te zenden. Uit de nalezing blijkt dat de vragenlijst wel degelijk betrekking heeft op verzoeksters asielaanvraag. VII-27.609-3/5 Uit het administratief dossier blijkt dat aan verzoekster op 5 juni 2002 een aangetekend verzoek om inlichtingen werd verstuurd op het door haar gekozen adres, dat haar raadsman op dezelfde datum door de commissaris-generaal op de hoogte werd gesteld van die vraag om inlichtingen op 5 juni 2002 en dat de aangetekende brief aan het adres van verzoekster werd aangeboden. Omdat zij afwezig was werd er een bericht gelaten op 7 juni
  9. De aangetekende zending werd niet afgehaald door verzoekster. Uit het schrijven van de post van 8 november 2002, dat door verzoekster wordt overgelegd, blijkt dat er een grondig onderzoek werd gevoerd binnen de postdiensten. Voorts wordt daarin het volgende gesteld: “Uit dit onderzoek is gebleken dat [verzoekster] in een appartementsgebouw woont waar ze over geen reglementaire, persoonlijke brievenbus beschikt en haar correspondentie bijgevolg in een gemeenschappelijke brievenbus gedeponeerd wordt zodat haar briefwisseling door om het even welke bewoner kan meegenomen worden. Ook op de deurbel staat haar naam niet vermeld waardoor het voor de postman (in) deze omstandigheden quasi onmogelijk is aan te bellen. Uiteindelijk werd de zending terug meegenomen naar kantoor en daar gedurende de reglementaire periode (15 dagen) aan het loket bewaard. Na deze bewaartermijn werd de zending terug naar de afzender gestuurd. (...)”. Daaruit blijkt niet dat het aangetekend schrijven ingevolge overmacht niet aan verzoekster kon worden bezorgd. Het door de commissaris-generaal uitgebrachte advies inzake terugleiding naar de grens van het land dat zij ontvlucht is, is geen motief van de bestreden beslissing en is geen uitvoerbare rechtshandeling die voor de Raad van State kan worden aangevochten. In tegenstelling tot wat verzoekster lijkt te beweren, behelst dit advies geen uitspraak over de vrees voor vervolging.
  10. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-27.609-4/5 Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-27.609-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.