← België

Arrest 154408 - - 01/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.408 Rolnummer: A. 119622/XIV-9537 Zaak: Arrest 154408 - - 01/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-07 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:48 Fiche Arrest nr 154.408 van 1 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.408 van 1 februari 2006 in de zaak A. 119.622/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Angolese nationaliteit, op 12 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 5 maart 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij haar beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om haar als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 17 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2004; XIV-9537-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het deels eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, die beweert van Angolese nationaliteit te zijn, vraagt op 3 januari 2001 om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 4 juli 2001 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 31 juli 2001 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 8 februari 2002 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep “dat onontvankelijk voorkomt wegens laattijdigheid” zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
  7. Op de zitting van 5 maart 2002 wordt verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, gehoord. Door haar raadsman worden besluiten ingediend. 1.
  8. Dezelfde dag neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing waarbij het beroep van verzoekster onontvankelijk wordt verklaard. XIV-9537-2/7 Deze beslissing rust op de volgende redengeving : “Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd op 4 juli 2001 (een woensdag) naar de door appellante op 2 mei 2001 gekozen woonplaats “Budastraat 72, 8500 Kortrijk”; dat appellantes opmerking dat niet is aangetoond dat de verzending aangetekend is geschied, onjuist is; dat de verzending immers wordt vermeld op de door de postdiensten op 4 juli 2001 afgestempelde lijst van aangetekende verzendingen van 4 juli 2001; Overwegende dat luidens artikel 57/11, § 1, tweede lid, van voormelde wet van 15 december 1980, gewijzigd door de wetten van 14 juli 1987 en 6 mei 1993, het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moet worden ingediend binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht; dat de kennisgeving geschiedt op het ogenblik dat de zending op de gekozen woonplaats wordt aangeboden (Cass., 16 september 1991, R.W., 1991-92, 885-886; R.v.St., Okito, nr. 92.921, 1 februari 2001); dat blijkens vaste rechtspraak, bij ontstentenis van enige aanwijzing omtrent een abnormale vertraging in de bestelling van aangetekende brieven, moet worden aangenomen dat een ter post aangetekende zending ten huize van de bestemmeling wordt aangeboden daags na de verzending ervan, of de maandag, wanneer de zending de voorafgaande vrijdag heeft plaatsgehad (R.v.St., Doom, nr. 14.764, 27 mei 1971; R.v.St., Luminuku, nr. 91.481, 7 december 2000); Overwegende dat de termijn vervat in voormeld artikel 57/11, §l, tweede lid, van openbare orde is en strikt moet worden toegepast; dat gelet op de aanbieding op 5 juli 2001 (dies 8 quo) de laatste dag van de beroepstermijn vrijdag 20 juli 2001 (dies ad quem) is; dat ambtshalve (J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State, Afdeling Administratie (
  9. Ontvankelijkheid), in Administratieve Rechtsbibliotheek, Brugge, die Keure, 1996, nr. 416) moet worden vastgesteld dat het op 31 juli 2001 ingediende beroep laattijdig is; Overwegende dat appellante in haar ter zitting neergelegde besluiten stelt dat de voormelde “zeer korte beroepstermijn van 14 dagen de rechten van de verdediging in het gedrang brengt”; dat deze termijn “onevenredig is met het nagestreefde doel en bijgevolg strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”; dat zij verzoekt terzake aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen; Overwegende dat de beroepstermijn vijftien dagen bedraagt; dat deze bij de voormelde wet van 6 mei 1993 ingevoerde termijn, zoals de jarenlange praktijk heeft uitgewezen, geenszins de rechten van de verdediging in het gedrang brengt; dat van de rechtzoekende waakzaamheid en zorgvuldigheid mag worden verwacht; dat appellante evenmin aantoont hoe het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden; dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen, dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges, op zich geen discriminatie inhoudt; dat te dezen geen onevenredige beperking van de rechten van appellante wordt toegepast; dat het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet geschonden is; dat de Commissie dienvolgens luidens artikel 26, §2, derde lid, 31, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet gehouden is de door appellante opgeworpen vraag aan het Arbitragehof te stellen,”.
  10. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  11. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert : “Schending van de artikelen 57/8, 57/22 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de Conventie van Genève, van art. 26, §2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof en het art. 149 van de Grondwet; Doordat de bestreden beslissing niet ingaat op de vraag van de verzoekende partij tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, Terwijl, XIV-9537-3/7 De verzoekende partij een regelmatig genomen conclusie in die zin had neergelegd en art. 26, §2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof voorschrijft dat alle rechtscolleges in beginsel het Arbitragehof moeten verzoeken uitspraak te doen op de voor hen opgeworpen vraag; Dat hierop 4 uitzonderingen bestaan en dat de bestreden beslissing schijnt te verwijzen naar het art. 26, §2, derde lid, 3/ van de Arbitragehofwet, nu in de bestreden beslissing wordt gezegd dat het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet geschonden is, omdat de jarenlange praktijk zou uitgewezen hebben dat de korte beroepstermijn van 15 dagen, de rechten van de verdediging niet in het gedrang zou brengen; Dat, indien zou blijken dat de Vaste Beroepscommissie zich terecht kon beroepen op het voormelde artikel van de Arbitragehofwet, de Raad van State dan in elk geval gehouden is de prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; Dat deze vraag luidt: “Houdt artikel 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een schending in van de artikelen 10 en 11 Gw., voor zover die regel een beroepstermijn laat lopen van 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht, terwijl de normale beroepstermijn een maand bedraagt en er geen objectieve reden voorhanden is daarvan af te wijken en de korte beroepstermijn onevenredig is met het nagestreefde doel (art. 1051 Ger W)"; En doordat, De bestreden beslissing aanvaardt dat de beslissing van de Commissaris-generaal dd. 4 juli 2001, overeenkomstig art. 57/8 van de Vreemdelingenwet zou zijn betekend geworden en wel in de volgende bewoordingen; “Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing aangetekend werd verstuurd op 4 juli 2001 (een woensdag) naar de door appellante op 2 mei 2001 gekozen woonplaats “Budastraat 7218500 Kortrijk”; dat appellantes opmerking dat niet is aangetoond dat de verzending aangetekend is geschied, onjuist is; dat de verzending immers wordt vermeld op de door de postdiensten op 4 juli 2001 afgestempelde lijst van aangetekende verzendingen van 4 juli 2001"; Terwijl, De vermelding op een afgestempelde lijst van administratieve aangetekende zendingen, geen bewijs is van een aangetekende zending in de zin van het art. 57/8 van de Vreemdelingenwet; Dat er immers een essentieel verschil van behandeling bestaat tussen een “administratieve aangetekende zending" en de normale aangetekende zending; Dat deze laatste alleen aan de geadresseerde mag worden overhandigd, terwijl een administratieve aangetekende zending aan om het even welke persoon mag worden overhandigd die zich bevindt in de woning van de geadresseerde, hetgeen dus geen waarborg biedt; (...)”; 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat volgens artikel 26 § 2, derde lid, 1/ van de wet op het Arbitragehof de prejudiciële vraag niet dient te worden gesteld “wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp”, dat het Arbitragehof in het arrest nr. 14/97 van 18 maart 1997 voor recht heeft gezegd dat artikel 57/11, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt doordat de beslissingen ten gronde van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of één van zijn adjuncten omtrent verzoeken tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling aangezien worden als beslissingen betreffende een politiek recht en doordat de kennisneming van de beroepen met toepassing van de artikelen 144, 145 en 191 Grondwet toevertrouwd wordt aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dat een administratief rechtscollege is, dat dit arrest de mogelijkheid biedt om conform artikel 26 § 2, derde lid, 1/ van de wet op het Arbitragehof af te zien van de prejudiciële vraag die verzoekster vordert te stellen, dat XIV-9537-4/7 verzoekster geen bewijzen aanbrengt dat de “door de postdienst afgestempelde lijst van aangetekende verzendingen” niet bewijskrachtig zou zijn, dat deze lijsten een algemene praktijk zijn en dat de verzamelstaat bewijskrachtig is tot bewijs van het tegendeel, dat de verzending van aangetekende zendingen geenszins verschillend is naargelang de onderscheiden zendingen met een “verzamelstaat” dan wel met een individueel bewijs van verzending worden aangeboden, dat dergelijke verzamelstaat enkel betrekking heeft op het aan de verzender afgeleverde bewijs van verzending, doch geen enkel verschil van behandeling bij de verzending van de aangetekende poststukken meebrengt; 2.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat het arrest nummer 14/97 van 18 maart 1997 geen uitstaans heeft met de door haar opgeworpen problematiek, dat een afgestempelde lijst van aangetekende verzendingen niet gelijk te stellen is met het afgiftebewijs van de aangetekende zending, die een individuele nummering draagt; 2.4.
  14. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits dit een administratief rechtscollege is; dat niet wordt toegelicht welke bepaling van de Conventie van Genève is geschonden; 2.4.2.
  15. Overwegende dat, wat het eerste onderdeel van het enig middel betreft, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet enkel naar artikel 26, § 2, derde lid, 3/ van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof verwijst, maar bovendien overweegt dat “het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet geschonden is”, daar “te dezen geen onevenredige beperking van de rechten van appellante wordt toegepast”; dat ze er zodoende geen twijfel over laat bestaan dat toepassing wordt gemaakt van artikel 26, § 2, derde lid, 3/ van de bijzondere wet van 6 januari van 1989 op het Arbitragehof; dat overeenkomstig deze wetsbepaling -thans artikel 26, § 2, derde lid van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 9 maart 2003- de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, als rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, er niet toe gehouden is het Arbitragehof te verzoeken uitspraak te doen over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer ze -zoals in het voorliggende geval- meent dat die wet deze grondswetsbepalingen klaarblijkelijk niet schendt; 2.4.2.
  16. Overwegende dat verzoekster voor de Raad van State de prejudiciële vraag herhaalt, die zij reeds in haar besluiten voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft laten gelden; dat verzoekster een ongelijkheid ontwaart in artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet in de mate dat die bepaling een beroepstermijn van 15 dagen laat XIV-9537-5/7 lopen na kennisgeving van de beslissing waartegen het beroep zal worden gericht, terwijl overeenkomstig artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis één maand bedraagt, vanaf de kennisgeving of de betekening; 2.4.2.
  17. Overwegende dat indien een vraag ten aanzien van een schending door de wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor hem wordt opgeworpen, de Raad van State krachtens artikel 26, § 2, eerste lid van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 9 maart 2003, in beginsel dit college moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen; 2.4.2.
  18. Overwegende echter dat verzoekster noch in haar prejudiciële vraag, noch ter gelegenheid van haar optreden in de procedure bij de Raad van State, uiteenzet met welke categorie van personen zij de situatie vergelijkt waarin zij zich, als asielzoekster wiens aanvraag door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd verworpen overeenkomstig artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet, bevindt; dat het niet opgaat een prejudiciële vraag op te werpen wegens het louter bestaan van een andere beroepstermijn van 30 dagen in het Gerechtelijk Wetboek dan in de Vreemdelingenwet, zonder te preciseren waarin het bestaan van deze twee verschillende termijnen verzoekster discrimineert; dat, aangezien het Arbitragehof in het kader van de hem toevertrouwde toetsing van een wettelijke norm aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet precies een onderzoek moet doen naar de pertinente vergelijking tussen de categorie van personen ten aanzien van wie een mogelijke discriminatie wordt aangevoerd en een andere categorie, de prejudiciële vraag zoals ze door verzoekster geformuleerd is, dat onderzoek niet mogelijk maakt; dat de Raad van State zelf geen reden ziet om ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen wat dat betreft; dat bij gebrek aan een duidelijke stellingname door verzoekster, het de Raad van State niet toekomt de vraag op dat stuk te vervolledigen door in de plaats van verzoekster een constructie op te zetten aangaande een essentieel element van de prejudiciële vraagstelling; dat, aangezien in de gegeven omstandigheden het Arbitragehof een noodzakelijk gegeven ontbeert om zijn wettelijke opdracht te vervullen, de Raad van State niet inziet welk nut het adiëren van het Arbitragehof kan hebben; dat er dan ook geen reden is om de vraag te stellen; 2.4.
  19. Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van het enig middel betreft, luidens artikel 57/8, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de beslissingen ter kennis worden gebracht van de belanghebbende die bij een ter post aangetekende brief of per bode tegen ontvangstbewijs een afschrift ervan ontvangt; dat deze bepaling geen onderscheid maakt naargelang de aangetekende zending met een verzamelstaat dan wel individueel ter post wordt afgegeven; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; XIV-9537-6/7 2.4.
  20. Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een februari tweeduizend en zes, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-9537-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.