← België

Arrest 154423 - - 02/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.423 Rolnummer: A. 85921/VII-19909 Zaak: Arrest 154423 - - 02/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:49 Fiche Arrest nr 154.423 van 2 februari 2006 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.423 van 2 februari 2006 in de zaak A. 85.921/VII-19.

  1. In zake :
  2. de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in de Fysische Geneeskunde en Revalidatie,
  3. de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in Functionele en Professionele Revalidatie van Gehandicapten, die woonplaats kiezen bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson Snelstraat
  4. tussenkomende partij : Bart GHESQUIERE, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Loofstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in de Fysische Geneeskunde en Revalidatie en de Belgische Beroepsvereniging van Geneesheren-Specialisten in Functionele en Professionele Revalidatie van Gehandicapten op 4 augustus 1999 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van “het ministerieel besluit (van 23 maart 1999) houdende de erkenning van Dokter GHESQUIERE Bart, geneesheer-specialist in de geriatrie, als geneesheer-specialist in de fysische geneeskunde en revalidatie voor de ‘bijkomen- de bevoegdheid van revalidatie van locomotorische handicaps’”; VII-19.909-1/8 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 27 oktober 1999; Gelet op de beschikking van 28 februari 2000 die de tussenkomst van Bart GHESQUIERE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 28 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS die, loco advocaat W. GONTHIER verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat G. UYTTENDAELE die, loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. VAN DORPE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-19.909-2/8
  6. Feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  7. De tussenkomende partij, Bart GHESQUIERE, studeert in 1979 af als gegradueerde in de kinesitherapie. In 1983 behaalt hij de titel van licentiaat motorische revalidatie en kinesitherapie. In 1990 studeert hij af als dokter in de genees-, heel- en verloskunde. 1.
  8. Nadat de tussenkomende partij op 31 oktober 1995 een "registratieaanvraag" en stageplan heeft ingediend met betrekking tot de opleiding tot geneesheer-specialist in de revalidatie, deelt de Erkenningscommissie functionele en professionele revalidatie met een brief van 19 januari 1996 mee : "Betreft : opleiding in de revalidatie uw indiening van stageplan dd. 31/10/95 De Nederlandstalige kamer van de Erkenningscommissie Functionele en Professionele Revalidatie heeft uw aanvraag onderzocht maar kan niet akkoord gaan met de voorgestelde opleiding voor locomotorische aandoeningen. Vermits uw basiserkenning deze van geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde is, kan U enkel in aanmerking komen voor erkenning in de revalidatie van cardiale of respiratorische handicaps. De erkenning in de revalidatie van locomotorische aandoeningen kan niet bekomen worden vanuit de basisspecialiteit inwendige geneeskunde. Indien U in aanmerking wil komen voor erkenning in cardiale of respiratoire revalidatie, dient U een stageplan met twee jaar voltijdse of vier jaar halftijdse stage in een erkende stagedienst in te dienen". 1.
  9. Met een brief van 25 april 1997 tekent de tussenkomende partij tegen dit advies beroep aan. 1.
  10. Op 25 juni 1997 verleent de Commissie van beroep voor geneesheren-specialisten in de revalidatie het volgende advies : "Het beroep van Dr. GHESQUIERE tegen het advies van de commissie is onontvankelijk wegens het laattijdig indienen van het beroepschrift. Het staat de kandidaat uiteraard vrij een nieuw stageplan in te dienen bij de erkenningscommissie". VII-19.909-3/8 1.
  11. Op 11 augustus 1997 besluit de Minister van Volksgezondheid het stageplan voor functionele en professionele revalidatie van de tussenkomende partij niet goed te keuren. 1.
  12. Met een brief van 2 februari 1998 vraagt de tussenkomende partij de erkenning als "revalidatiearts in de geriatrische revalidatie". 1.
  13. De Erkenningscommissie functionele en professionele revalidatie deelt met een brief van 9 april 1998 aan de tussenkomende partij mee: "De commissie verwijst naar haar brief dd. 19/1/96 waarin U werd meegedeeld dat de erkenning in de revalidatie van locomotorische aandoeningen niet kan bekomen worden vanuit de basisspecialiteit inwendige geneeskunde. Hetgeen toen gold voor uw indiening van stageplan, geldt nu eveneens voor uw erkenningsaanvraag : vanuit uw erkenning in de inwendige geneeskunde kan U enkel, mits voldoende opleiding, erkend worden in de cardiale of respiratorische revalidatie". 1.
  14. Met een brief van 14 april 1998 tekent de tussenkomende partij tegen dit advies beroep aan. 1.
  15. Op 13 januari 1999 verleent de Commissie van beroep voor geneesheren-specialisten in de revalidatie het volgende advies : "Dr. GHESQUIERE Bart, geboren op 1 mei 1958, wordt erkend in de functionele en professionele revalidatie van locomotorische gehandicapten". Dit advies is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat Dhr. GHESQUIERE een bijzonder curriculum in de locomotoriek heeft opgebouwd door het behalen van titels van graduaat en licentiaat in de kinesitherapie en het volgen van een stage in een dienst die erkend is voor opleiding in de revalidatie van locomotorische handicaps (bij Prof Dr. DEQUEKER); Overwegende dat Dr. GHESQUIERE door dir curriculum bekwaam moet worden geacht de locomotorische revalidatie op een dergelijke wijze uit te voeren". 1.
  16. Op 23 maart 1999 besluit de Minister van Volksgezondheid : "Enig artikel : Dr. GHESQUIERE Bart, geboren op 01/05/1958, reeds erkend als geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde, wordt toegelaten de titel van geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde en in de FUNCTIONELE EN PROFESSIONELE REVALIDATIE VAN LOCOMOTORISCHE GEHANDICAPTEN te voeren en is ingeschreven op de VII-19.909-4/8 lijst van de geneesheren die erkend zijn teneinde prestaties te verstrekken inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering". Dit is de bestreden beslissing;
  17. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift stellen krachtens hun statuten tot doel te hebben de beroepsbelangen van hun leden te verdedigen en te verzekeren en in functie daarvan ontegensprekelijk een belang te hebben bij de gevorderde vernietiging ?waar zij binnen het kader van hun statuten, gerechtigd zijn er zorg voor te dragen dat de toegang tot de beroepsgroep waarvan verzoekers de belangen verzekeren, wordt voorbehouden aan daartoe geldig erkende geneesheren- specialisten"; 2.1.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet gelden : "
  20. Uit de stukken in het bezit van tegenpartij blijkt niet dat verzoeksters door hun bevoegde organen regelmatig gemachtigd werden om huidige procedure in te dienen. Bovendien is tegenpartij op het ogenblik niet in het bezit van de statuten van verzoeksters zodat niet kan nagezien worden of ze over de rechtens vereiste belang en hoedanigheid beschikken om huidige procedure te kunnen instellen. Het is bijgevolg onder voorbehoud van het nazien van die elementen dat de argumentatie van verzoeksters in het kader van huidige memorie verder onderzocht wordt.
  21. Verzoeksters zijn allebei beroepsverenigingen. Een beroepsvereniging kan voor de Raad van State optreden indien ze aantoont dat het aangevochten besluit een rechtstreeks nadeel aan de specifieke collectieve belangen van haar leden berokkent, nadeel dat van het algemeen belang dient onderscheiden te worden. Met het oog daarop moet ze bovendien aantonen dat ze volgens haar statuten gerechtigd is die specifieke collectieve belangen op duurzame wijze te verdedigen (J. SALMON, Le Conseil d'Etat, Bruxelles, Bruylant, 1994, T. I, pp. 318 en 319). Terzake is dit geenszins het geval. Verzoeksters beperken zich inderdaad tot het louter verklaren dat ze terzake 'ontegensprekelijk een belang bij de gevorderde vernietiging' zouden hebben. Bij gebrek aan aanvullende informatie in dat verband dient bijgevolg voorlopig tot de onontvankelijkheid van de vordering te worden besloten"; 2.1.3 Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord als volgt repliceren : VII-19.909-5/8 "Ten onrechte voert tegenpartij aan dat uit de stukken in haar bezit niet zou blijken dat verzoekende partijen door hun bevoegde organen regelmatig gemachtigd werden om huidige procedure in te dienen, en dat zij evenmin in het bezit is van de statuten van verzoekende partijen. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar de door verzoekende partijen bij hun verzoekschrift gevoegde bijlagen zoals deze blijken uit de inventaris aan het verzoekschrift gehecht, meer in het bijzonder naar de stukken 3 - 4 - 5 en
  22. Gezegde stukken tonen aan dat verzoekende partijen wel degelijk door hun bevoegde organen regelmatig gemachtigd werden en dit conform de bepalingen van de statuten en deze voorzien in de WET op de BEROEPSVERENIGINGEN dd 31.03.
  23. Uit de bepalingen van gezegde statuten en gezegde wet blijkt bovendien dat de verzoekende partijen wel degelijk gerechtigd zijn en een belang hebben bij het inleiden van huidige vordering. Gezegde vordering kadert inderdaad binnen het doel, zoals omschreven in zowel de wet als de statuten van de verzoekende partijen. Overigens citeert de tegenpartij het inleidend verzoekschrift van verzoekende partijen (II. BELANG - p. 3) op onvolledige wijze. Terecht stelden verzoekende partijen dat zij belang hebben bij de gevorderde vernietiging 'waar zij binnen het kader van hun statuten gerechtigd zijn er zorg voor te dragen dat de toegang tot de beroepsgroep waarvan verzoekers de belangen verzekeren, wordt voorbehouden aan daartoe geldig erkende geneesheren-specialisten'. Als dusdanig dient de vordering dan ook ontvankelijk verklaard en dient vastgesteld dat verzoekers het bewijs aanbrengen van het wettelijk vereiste belang tot het instellen van de vordering"; 2.1.4 Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie de volgende exceptie opwerpt : "Aangezien de verzoeksters aanvoeren dat zij 'ontegensprekelijk' getuigen van het vereiste belang doordat zij, binnen het kader van hun statutair doel de beroepsbelangen van hun leden te verdedigen en te verzekeren, gerechtigd zijn er zorg voor te dragen dat de toegang tot de beroepsgroep waarvan de verzoekers de belangen verdedigen, wordt voorbehouden aan daartoe rechtsgeldig erkende geneesheren-specialisten; Aangezien volgens die thesis de verzoeksters aldus elk erkenningsbesluit zouden kunnen bestrijden in de fysische geneeskunde en revalidatie (eerste verzoekster) en elke erkenning in functionele en professionele revalidatie van gehandicapten (tweede verzoekster); dat uit die thesis ook zou voortvloeien dat elke beroepsvereniging zou getuigen van het vereiste belang om elke benoeming of erkenning in die beroepscategorie te bestrijden voor de Raad van State; dat aldus het aangevoerde belang niets anders is dan het belang dat er in bestaat de wet te doen naleven; dat de verzoeksters niet getuigen van het vereiste persoonlijk belang in hun bestaan, vermogen of activiteit; Aangezien de verzoekers niet aanvoeren dat zij een belang zouden hebben dat alleen wordt erkend wie beantwoordt aan de bekwamings- en erkenningvereisten, maar wel dat de toegang tot de beroepsgroep waarvan de verzoekers de belangen verdedigen, wordt voorbehouden aan daartoe rechtsgeldig erkende geneesheren -specialisten; dat dit nog duidelijker wordt bij de kennisneming van het middel dat niet aanvoert dat de tussenkomende partij niet zou beantwoorden aan de voorwaarden om te worden erkend als specialist in revalidatie in locomotorische aandoeningen en ook niet dat het advies en het bestreden besluit inhoudelijk een schending zouden inhouden van de wet, maar alleen dat de Commissie van Beroep die het niet bindend advies heeft verleend, VII-19.909-6/8 niet rechtsgeldig was samengesteld omdat geen 2/3 van haar leden aanwezig was; dat de verzoekers zeker niet getuigen van het vereiste belang om het erkenningsbesluit te bestrijden op grond van dat middel; dat minstens moet worden vastgesteld dat de verzoekers geen belang hebben bij het middel en het middel niet ontvankelijk is"; 2.1.
  24. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie toevoegen : "Het komt verzoekers inderdaad voor dat zij wel degelijk een persoonlijk belang in hunnen hoofde hebben wat betreft hun bestaan, vermogen of activiteit'. Tot de doelstellingen en bevoegdheden van verzoekers dient ondermeer ook gerekend dat verzoekers gerechtigd zijn, en er belang bij hebben, alle maatregelen te treffen ten einde de toegang tot de erkenning van de specialismen, in elk geval van hun onderdelen, waarvan zij de belangen vertegenwoordigen, beperkt wordt tot de daartoe geldig erkende geneesheren- specialisten. Verzoekers verwijzen, ten suppletieven titel aan hetgeen desbetreffend reeds werd gesteld in hun MEMORIE VAN WEDERANTWOORD, naar de hierna volgende bepalingen uit hun statuten : Eerste verzoekster Artikel 4 : 'haar doel is de studie, de bescherming en de bevordering der beroepsbelangen van haar leden'. Tweede verzoekster Artikel 2 : 'de bestudering de bescherming en de ontwikkeling van de professionele belangen van haar leden'"; 2.2 Bespreking Overwegende dat uit de bij het inleidend verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat de verzoekende partijen wettelijk erkende beroepsverenigingen zijn, die tot doel hebben de beroepsbelangen te verdedigen van hun leden, respectievelijk geneesheren-fysiotherapeuten en geneesheren-specialisten in revalidatie; Overwegende dat de verzoekende beroepsverenigingen er zorg willen voor dragen dat de toegang tot de beroepsgroepen waarvan zij de belangen verdedigen, wordt voorbehouden aan daartoe geldig erkende geneesheren- specialisten; dat zij menen dat de tussenkomende partij geen aanspraak kon maken op de haar verleende erkenning, en dat die erkenning moet voorbehouden blijven aan de geneesheren-specialisten met als beroepstitel fysische geneeskunde en revalidatie; dat zij over het vereiste specifieke belang bij hun vordering beschikken, nu zij aanvoeren dat de tussenkomende partij niet rechtsgeldig is erkend ; dat de excepties moeten worden verworpen; VII-19.909-7/8 Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van de opgeworpen excepties; dat er derhalve aanleiding toe bestaat een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, BESLUIT: Artikel
  25. De debatten worden heropend. Artikel
  26. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zes , door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-19.909-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.423 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.