id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.424 Rolnummer: A. 73366/VII-15250 Zaak: Arrest 154424 - - 02/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:49 Fiche Arrest nr 154.424 van 2 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.424 van 2 februari 2006 in de zaak A. 73.366/VII-15.
- In zake : Marc WAETERSCHOOT, die woonplaats kiest bij advocaat A. VAN BRABANT, kantoor houdende te BRUGGE, Guldenvlieslaan 16 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc WAETERSCHOOT op 24 februari 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, dd. 30 december 1996 houdende bevestiging van de beslissing van de Beperkte kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 27 juni 1994 waarbij beslist werd de verzekeringsinstel- lingen te verbieden tegemoet te komen in de kosten voor geneeskundige verstrek- kingen, welke zullen verleend worden door apotheker WAETERSCHOOT Marc over een periode van één jaar"; Gelet op het arrest nr. 132.é van 10 juni 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het onderzoek van het eerste en het derde middel; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 17 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; VII-15.250-1/12 Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 22 september 2005 waarbij de voormelde beschikking wordt ingetrokken en de zaak wordt vastgesteld op 10 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. MORTELÉ die, loco advocaat A. VAN BRABANT verschijnt voor de verzoeker, en van attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat voor de feitenuiteenzetting wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 132.é van 10 juni 2004;
- Overwegende dat thans nog het onderzoek van het eerste en het derde middel dient te gebeuren ; 2.1.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift het eerste middel als volgt wordt geformuleerd : "Eerste middel tot nietigverklaring SCHENDING van artikel 6.
- van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet 13 mei 1995 (lees : 1955) (hierna DOORDAT de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep, ingeleid bij beroepsakte dd. 19.08.1994, slechts werd verleend op 30.12.1996 en VII-15.250-2/12 betrekking heeft op feiten daterend van de periode van 01.09.1990 tot en met 31.10.1990; TERWIJL overeenkomstig artikel 252 K.B.-Z.I.V. de commissie een uitspraak moet doen binnen de zes weken na de indiening van het hoger beroep; deze termijn weliswaar een termijn van orde is, doch niettemin aangeeft dat het van groot belang werd beschouwd dat, om redenen van rechtszekerheid, met de behandeling van de zaak in beroep niet zou worden getalmd; een beslissing in jurisdictionele zaken op grond van artikel 6.
- E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel inzake behoorlijke rechtsbedeling hoe dan ook binnen een redelijke termijn moet worden uitgesproken; EN TERWIJL de zaak in graad van beroep geen bijzondere feitelijke opzoekingen vergde, dat alle feitelijke opzoekingen waarop de bestreden beslissing gebaseerd is reeds werden uitgevoerd voordat de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle haar beslissing per 27.06.1994 trof; de secretaris van de Commissie van Beroep reeds per brief dd. 25.08.1994 aan de geneesheer-rapporteur om het bij artikel 249 § 2 van het K.B.-Z.I.V. vereiste verslag verzocht; dit verslag, dat overigens niet gedateerd is, beperkt is tot het resumeren van de grieven, het weergeven van uittreksels van de zitting en beslissing van de beperkte kamer evenals een copie van de beroepsakte bevat, en slechts per brief dd. 03.10.1995 aan verzoekende partij werd betekend; het verslag niets nieuws toevoegt aan wat reeds beschikbaar was op het ogenblik dat de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle haar beslissing per 27.06.1994 nam; de Commissie voor Beroep het overigens niet nodig achtte, om overeenkomstig art. 252 lid 3 van het K.B.-Z.I.V. een bijkomend onderzoek te gelasten; het niettemin 15 maanden heeft geduurd vooraleer de zaak in behandeling werd genomen; de bestreden beslissing nadien slechts na 13 maanden werd uitgesproken; de specifieke omstandigheden van de zaak de duur van 28 maanden tussen datum indiening beroepsakte en de datum van de uitspraak van de Commissie van Beroep bijgevolg niet kunnen verantwoorden; ZODAT de bestreden beslissing genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen"; 2.1.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, samengevat, antwoordt : - dat het EVRM niet van toepassing is, - dat de behandeling op 28 november 1995 van het op 19 augustus 1994 ingesteld hoger beroep enerzijds te wijten is aan een zeer sterke overbelasting van de rol in die periode en anderzijds aan een aantal praktische moeilijkheden bij de samenstelling van de zetel van de Commissie van beroep, waardoor het volstrekt onmogelijk was de zaak sneller te behandelen, - dat de termijn van zes weken slechts een termijn van orde is, die zeker niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid, - dat de termijn van dertien maanden tussen de behandeling en de uitspraak het gevolg was van een langdurige ziekte van de voorzitter, waardoor de Commissie van beroep, geheel onafhankelijk van haar wil, een ernstige vertraging opliep in haar werkzaamheden, VII-15.250-3/12 - dat haar moeilijk kan verweten worden dat de voorzitter van de Commissie van beroep als gevolg van overmacht, niet sneller uitspraak kon doen, - dat de verzoeker trouwens geen enkele schade heeft geleden; zolang de Commissie van beroep geen uitspraak deed bleef het door de Beperkte kamer uitgesproken verbod op verzekeringstegemoetkomingen opgeschort; 2.1.1.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederant- woord, samengevat, repliceert : - dat artikel 6.1 EVRM op de rechtspleging voor de Commissie van beroep van toepassing is, - dat de Raad van State in het arrest nr. 34.370 van 16 maart 1990 concludeerde dat een termijn van 23 maanden tussen de datum van indiening van de beroeps- akte en de datum van de uitspraak van de Commissie van beroep, zonder dat de noodzaak voor deze termijn steun vindt in het administratief dossier, niet redelijk was, - dat de Raad van State daarbij in het bijzonder naging of omstandigheden eigen aan de zaak de onredelijk lange termijn zouden rechtvaardigen, - dat in casu uit het administratief dossier geen enkel concreet en bewezen element blijkt waaruit de noodzakelijkheid van de onredelijke termijn op onweerlegbare wijze valt af te leiden, - dat de zeer sterke overbelasting van de rol door niets bewezen is, - dat ook niet begrepen wordt waarom er praktische moeilijkheden zouden geweest zijn bij de samenstelling van de zetel van de Commissie van beroep, - dat een langdurige en aanslepende ziekte van de voorzitter hoe dan ook door haar aanslependheid voorzienbaar werd en dus geen overmacht kan uitmaken, - dat bovendien artikel 248, § 1 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen expliciet voorziet in de benoeming van een plaatsvervangende voorzitter; 2.1.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie, als reactie op het aanvullend auditoraatsverslag, nog toevoegt : "
- De Auditeur stelt in zijn verslag dat deze periode weliswaar lang is maar niet kennelijk onredelijk lang indien men rekening houdt met : A. de talrijke tenlasteleggingen; B. het lijvig bewijsdossier; VII-15.250-4/12 C. de omstandig gemotiveerde beroepsakte; D. de langdurige ziekteperiode van de voorzitter waar mee wel rekening kan gehouden worden omdat de voorzitter ziek werd na de inberaadneming.
- Verzoekende partij laat gelden dat geen enkele van deze 4 elementen de onredelijke lange termijn in casu kan verrechtvaardigen vermits elk van de aangehaalde elementen faalt. (A) Het element (A) is niet ter zake dienend om de onredelijke lange termijn te verrechtvaardigen. In casu betrof het (B) Het element (B) is niet ter zake dienend om de onredelijke lange termijn te verrechtvaardigen. Het dossier is lijvig maar geenszins complex. Het dossier is lijvig doordat honderden gelijkaardige beweerde inbreuken werden vastgesteld (verdeeld over drie tenlasteleggingen). Veel den) feitelijke vaststellingen maar wel of de tenlastelegging een inbreuk was of niet. Een lijvig dossier is dan ook geen argument om voor te houden dat men 28 maanden nodig had om een principieel oordeel te vellen. Men diende enkel drie tenlasteleggingen te beoordelen aan de hand van een aantal principieel gevoerde bezwaren ! (C) Het element (C) is niet ter zake dienend om de onredelijke lange termijn te verrechtvaardigen. Er kan niet volgehouden worden dat de Commissie van Beroep haar hersenen heeft gepijnigd om de opgeworpen argumentatie gemotiveerd te weerleggen, in elk geval kan de door de Commissie van Beroep opgeworpen argumentatie geenszins een behandelingstermijn van 28 maanden rechtvaardigen !! Inderdaad uw zetel heeft zelf reeds in haar arrest dd. 10.06.2004 in onderhavige zaak vastgesteld hoe summier de argumentatie van de Commissie van Beroep was om de principiële middelen opgeworpen in de beroepsakte te verwerpen : wet, als de discussie omtrent de schending van een hogere rechtsnorm en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur o.a. door de beweerde schending van het proportionaliteitsbeginsel, evenals de beweerde schending van de wet alsmede de beweerde machtsafwending, in casu niet opportuun is; Overwegende dat de Commissie van Beroep bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits- verzekering is ingesteld om beroepen te behandelen tegen de beslissingen van de Beperkte Kamer; - dat de (saisine) bevoegdheid van de Commissie van Beroep zich enkel uitstrekt tot de controle van de conformiteit van de beschikkingen van de Beperkte Kamer aan de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de geneeskundige controle; VII-15.250-5/12 - dat vóór de Commissie van Beroep geen debat gevoerd wordt over de rechtsgeldigheid van de toepasselijke Koninklijke Besluiten en de daaruit voortvloeiende reglementaire bepalingen; Overwegende, tenslotte, dat de Commissie van Beroep geen debat kan voeren met de partijen, noch over de interpretaties van de reglementaire bepalingen, noch over de omschrijvingen die kunnen gegeven worden aan de desbetreffende bepalingen; Overwegende dat de door appellant aangevoerde middelen als zodanig niet in overweging kunnen genomen worden ...' Uw zetel heeft in haar arrest dd. 10.06.2004 in onderhavige zaak terecht gesteld dat het de verdomde plicht is van Commissie van Beroep om de opgeworpen middelen te onderzoeken en te beantwoorden. De middelen van de beroepsakte werden derhalve niet onderzocht noch weerlegd door de Commissie van Beroep. De omvang van de beroepsakte is dan ook geenszins een verantwoording waarom een Commissie van Beroep, samengesteld uit 3 BEROEPSMAGIS- TRATEN, (D) Het element (D) is niet ter zake dienend om de onredelijke lange termijn te verrechtvaardigen. Praktische en organisatorische moeilijkheden binnen de schoot van het RIZIV kunnen tegen verzoekende partij niet worden ingeroepen om een gebeurlijke overschrijding van de redelijke termijn te vergoelijken. Het komt aan de overheid toe zich zo te organiseren dat hij de redelijke termijn kan respecteren. Er ging 15 maanden -onverantwoord- verloren tussen het aantekenen van beroep en de vaststelling van de pleitdatum. Na de in beraad name, wordt de langdurige en aanslepende ziekte van de Voorzitter opgeworpen. Deze ziekte wordt niet bewezen, niet door enig stuk noch door enige verklaring in het administratief dossier zodat verzoekende partij niet in de mogelijkheid wordt gesteld om een en ander te verifiëren. Verzoeken- de partij kan zich derhalve niet verweren op dit argument. De vaststelling dat verzoekende partij zich niet kan verdedigen volstaat om dit argument te verwerpen. Er is evenwel meer. Indien de ziekte dan langdurig en aanslepend was, diende uiteraard bijtijds te worden ingegrepen. Art. 248 § 1, 1/ K.B.-Z.I.V. (artikel 306 § 1, 1/ K.B.-Z.I.V. 1996) voorziet expliciet dat in elke commissie een voorzitter en een plaatsver- vangende voorzitter wordt benoemd. De vervanging van wettig verhinderde rechter is geen uitzondering en trouwens uitdrukkelijk voorzien in art. 248 § 2 lid 2 K.B.-Z.l.V. (artikel 306 § 2 lid 2 K.B.-Z.I.V. 1996). Een nieuwe oproeping voor pleidooi voor een anders samengestelde commissie had dienen te gebeuren, met nieuwe in beraad name voor arrest binnen de 6 weken. Overmacht is niet alleen niet bewezen maar kan hoe dan ook niet aangehou- den worden.
- Verzoekende partij wordt vervolgd voor feiten anno
- Vandaag zijn we 15 jaar verder. De oorzaak hiervan is te zoeken in een oordeel van een rechterlijke instantie, met name de Commissie van Beroep die haar roeping miskende en de zaak van verzoekende partij niet wilde onderzoeken door te stellen : Deze vaststellingen volstaan, zoals het een moderne rechtstaat betaamt, dat een einde wordt gemaakt aan een heksenjacht die het RIZIV in illo tempore ontkende op de ganse sector van de klinische biologie waarvan ook verzoekende partij een onterecht slachtoffer werd. Onterecht omdat in casu geen enkele VII-15.250-6/12 prestatie van klinische biologie werd uitgevoerd die niet was aangevraagd door een arts en geen enkele prestatie van klinische biologie werd aangerekend aan het ZIV die niet was uitgevoerd door het labo. Uw zetel kan de gemoedsrust, waarop ook verzoekende partij gerechtigd is, nadat reeds gedurende 15 jaar een zwaard van Damocles boven haar hoofd hangt (het RIZIV vordert in procedures nog steeds hangende voor de arbeids- rechtbanken alle beweerd onterechte aanrekeningen terug lastens verzoekende partij persoonlijk) brengen door haar te ontslaan van elke verdere rechtsvervol- ging door de bestreden beslissing te vernietigen zonder verwijzing"; 2.1.
- Bespreking Overwegende dat de Commissie van beroep er als administratief rechtscollege toe gehouden is haar uitspraken te verlenen binnen een redelijke termijn, ongeacht het al dan niet toepasselijk zijn van artikel 6 van het EVRM op voorliggend geding; Overwegende dat uit het tussenarrest nr. 132.é dat in deze zaak reeds werd gewezen, is gebleken dat de motivering van de bestreden beslissing beperkt is tot de stelling dat de Commissie van beroep zich niet hoeft uit te spreken over de onwettigheidsexceptie ex-artikel 159 van de Grondwet gericht tegen de nomenclatuurbepaling waarvan de weerhouden schending tot de bestreden sanctie heeft geleid, en de Commissie zich voor het overige zonder nadere motivering aansluit bij de beroepen beslissing van de Beperkte kamer; dat niet blijkt dat het onderzoek van het bestaan van de feiten en van de strijdigheid daarvan met de toegepaste nomenclatuurbepaling een abnormaal lange tijd vergde; dat in het licht van die vaststellingen een beslissingstermijn van 28 maanden, daar waar de wettelijke termijn -ook al gaat het om een termijn van orde- zes weken bedraagt, inderdaad onredelijk lang is; dat de verwerende partij zich niet vermag te beroepen op een overbelasting van de rol en praktische moeilijkheden bij de samenstelling van de zetel, en meer in het bijzonder de ziekte van de voorzitter; dat het haar toekwam de nodige maatregelen te nemen om daaraan te remediëren; dat de rechtsonderhorigen niet het slachtoffer mogen zijn van organisatorische moeilijkheden waaraan zij vreemd zijn; dat het middel gegrond is; Overwegende dat er geen aanleiding toe bestaat in te gaan op de vraag van de verzoeker om de bestreden beslissing te vernietigen zonder terugverwij- zing; dat, overeenkomstig artikel 15 van de Raad van State-wet, het administratief rechtscollege waarnaar de Raad van State de zaak na een arrest van nietigverklaring heeft verwezen, zich naar dat arrest gedraagt ten aanzien van de daarin beslechte rechtspunten; dat derhalve de Kamer van beroep bij het nemen van haar beslissing na VII-15.250-7/12 de verwijzing, de overschrijding van de redelijke termijn dient te betrekken in haar beoordeling van de zaak en in haar eindbeslissing; 2.2.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift het derde middel als volgt wordt geformuleerd : "Derde middel tot nietigverklaring SCHENDING van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 250 § 1 en 251 § 2 van het K.B.-Z.I.V. (artikel 308 § 1 en 309 § 2 K.B.-Z.I.V. 1996) evenals het algemeen rechtsbeginsel luidens welke jurisdictionele beslissingen moeten gemotiveerd worden; DOORDAT de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep het middel van verzoekende partij dat haar geen inbreuken kunnen worden verweten, gezien de neerlegging van een set van aanvraagformulieren, nopens de drie tenlasteleg- gingen gezamenlijk, volledig conform aan het bepaalde in artikel 24 Nomencla- tuur K.B., verwerpt, overwegende dat zij enkel de oorspronkelijke vaststellingen in aanmerking kan nemen bij de beoordeling van de inbreuken ten laste gelegd aan de in overtreding bevonden verstrekker van geneeskundige verzorging; TERWIJL, eerste onderdeel, overeenkomstig art. 250 § 1 en 251 § 2 van het K.B.-Z.I.V. de Commissie van Beroep over een volheid van bevoegdheid beschikt en onder meer bijkomende onderzoeken kan gelasten en derhalve nieuwe elementen en vaststellingen in overweging kan nemen; ZODAT de bestreden beslissing genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen. TERWIJL, tweede onderdeel, geen enkele wetsbepaling verhindert dat aanvraagformulieren gewijzigd kunnen worden, voor zover dit gebeurt door de voorschrijvende arts, zoals dit in casu gebeurde en in de beroepsakte werd opgeworpen door verzoekende partij; ZODAT de bestreden beslissing, in de mate dat zij enkel steunt op de overweging dat enkel de oorspronkelijke vaststellingen in overweging kunnen worden genomen, niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen"; 2.2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, samengevat, antwoordt : - dat het niet is omdat de verzoeker de voorschrijvende arts na de beslissing van de Beperkte kamer een aantal correcties laat aanbrengen dat de Commissie van beroep plots zou moeten aanvaarden dat er nooit inbreuken zouden gepleegd zijn; - dat de Commissie van beroep de voorgelegde verbeterde stukken soeverein heeft beoordeeld, maar hieruit niet heeft afgeleid dat de inbreuken ineens niet meer zouden bestaan; - dat in deze zin ook afdoende geantwoord werd in de bestreden beslissing; - dat de motiveringsplicht niet betekent dat op elk argument in detail moet geantwoord worden; VII-15.250-8/12 - dat geen enkele wetsbepaling verhindert dat aanvraagformulieren gewijzigd kunnen worden voor zover dit gebeurt door de voorschrijvende arts, doch dat dit naast de kwestie is en niets kan afdoen aan het feit dat de verzoeker wel degelijk de beschreven inbreuken heeft gepleegd; 2.2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederant- woord, samengevat, repliceert dat er ten aanzien van de oorspronkelijke aanvraagfor- mulieren een "volledige conformstelling" gebeurde, dat hierdoor met terugwerkende kracht de oorspronkelijke -onregelmatig geachte- aanvragen werden vervangen en dat geen enkele wettelijke bepaling verhindert dat een op louter formele punten onregelmatig bevonden aanvraagformulier wordt geregulariseerd, zodat hierdoor zowel de vastgestelde inbreuk als de rechtvaardigingsgrond voor de sanctie verdwijnt; 2.2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie niets wezenlijks toevoegt; 2.2.
- Bespreking Overwegende dat het middel als volgt wordt beoordeeld : Eerste onderdeel In zijn beroepsakte aan de Commissie van beroep liet de verzoeker gelden dat hij "de voorschrijvende geneesheren (had) verzocht alle litigieuze aanvragen volledig conform te stellen met het bepaalde in artikel 24, § 12, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering". Gelet op deze "conformstelling van de aanvraagformulieren" zou men hem dan geen inbreuk meer kunnen verwijten op de Z.I.V.-reglementering. Dit verweer wordt in de aangevochten beslissing verworpen op grond van de overweging dat "de Commissie van beroep enkel de oorspronkelijke vaststellingen in aanmerking kan nemen bij de beoordeling van de inbreuken ten laste gelegd aan de in overtreding bevonden verstrekker van geneeskundige verzorging". Deze considerans moet als antwoord op de stelling van de verzoeker -dat "hem (gelet op de conformstelling) geen inbreuken kunnen ten laste gelegd worden"-, aldus worden verstaan dat de door de verzoeker voorgebrachte VII-15.250-9/12 regularisatie geen afbreuk vermag te doen aan de oorspronkelijk vastgestelde inbreuken. In tegenstelling tot wat de verzoeker meent te lezen, wordt de door hem voorgebrachte "conformstelling" dus niet verworpen omdat zij als nieuw element volgens de Commissie van beroep niet in aanmerking kan worden genomen, doch wel omdat dit gegeven niet van aard is de sanctioneerbaarheid van de vastgestelde inbreuken weg te nemen. Het eerste onderdeel gaat dus niet op. Tweede onderdeel Artikel 24, § 12, punt 4, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, luidde toentertijd als volgt : "Artikel 24, §
- Om te mogen worden aangerekend moeten de verstrekkingen inzake klinische biologie die worden verricht door een geneesheer, specialist voor klinische biologie, of door iemand die is erkend om ze uit te voeren, aan de volgende voorwaarden voldoen :
- De analyses moeten afzonderlijk worden voorgeschreven, aangezien één enkele omschrijving niet verscheidene verstrekkingen mag dekken die in de nomenclatuur voorkomen onder verschillende codenummers. Wanneer de analyseaanvragen uit vooraf gedrukte lijsten bestaan of worden aangebracht met een stempel, moeten ze vakjes bevatten zodat de voorschrijvende geneesheer elke gevraagde analyse positief en afzonderlijk kan aanduiden door afvinken, onderstrepen of ponsen. Het gebruik van de omschrijvingen die talrijke verstrekkingen omvatten of van een hoofdvak waarmee verscheidene analyses ineens kunnen worden aangevraagd, is niet toegestaan, zelfs indien het aanvraagformulier het voorts mogelijk maakt de analyses individueel aan te vragen. Geen enkele analyse kan als deugdelijk aangevraagd worden beschouwd als, op vooraf opgemaakte lijsten de andere, niet gewenste analyses zijn geschrapt. Op de voorschriften moeten de geneeskundige aanwijzingen voorkomen die de bioloog nodig heeft om zijn onderzoeken te kunnen oriënteren en vakkundig uit te voeren. Die gegevens mogen met name nooit ontbreken bij aanvragen in het raam van de therapeutische monitoring, de toxicologie, de virologie, de parasitologie en de mycologie”. De verzoeker mocht de door hem verstrekte prestaties inzake klinische biologie slechts aan de ziekteverzekering aanrekenen indien onder meer was voldaan aan de in artikel 24, § 12, van de nomenclatuur opgenomen voorschrijfregels. Met een aanpassing door de geneesheren van de aanvraagformulieren kon slechts rekening worden gehouden voor zover deze wijzigingen gebeurden vóór de aanrekening van de prestaties aan de ziekteverzekering. VII-15.250-10/12 Een regularisatie van de aanvraagformulieren naderhand -zoals in casu- was geenszins van aard de sanctioneerbaarheid van de feiten in hoofde van de verzoeker weg te nemen. De motivering waarop de Commissie van beroep zich heeft gesteund om het desbetreffend argument van de verzoeker te verwerpen, is dus wettig. Het tweede onderdeel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 30 december 1996 houdende bevestiging van de beslissing van de Beperkte kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 27 juni 1994 waarbij beslist werd de verzekeringsinstellingen te verbieden tegemoet te komen in de kosten voor geneeskundige verstrekkingen, welke zullen verleend worden door apotheker WAETERSCHOOT Marc over een periode van één jaar. Artikel
- Dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van de voormelde Commissie en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de Kamer van beroep. VII-15.250-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.250-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.424 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.