← België

Arrest 154432 - - 02/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.432 Rolnummer: A. 166018/X-12483 Zaak: Arrest 154432 - - 02/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:50 Fiche Arrest nr 154.432 van 2 februari 2006 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.432 van 2 februari 2006 in de zaak A. 166.018/X-12.

  1. In zake :
  2. Frank COLSON,
  3. Monique PEETERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. ARITS, kantoor houdende te 3650 DILSEN-STOKKEM, Borreshoefstraat 42 tegen : de stad DILSEN-STOKKEM, die woonplaats kiest bij Advocaat M. CILISSEN, kantoor houdende te 3600 GENK, Grotestraat
  4. tussenkomende partij : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VAN DEN HEUVEL, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VAN DEN BERGH, kantoor houdende te 3650 DILSEN-STOKKEM, Arnold Sauwenlaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frank COLSON en Monique PEETERS op 14 september 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 21 juni 2005 van de stad Dilsen- Stokkem houdende afgifte aan Gerry en Joke HURKENS-VANDENHEUVEL in naam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VANDENHEUVEL van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een "huisartsenpraktijk, aangepaste plannen (parking)", gelegen te Dilsen-Stokkem, Bloemendaal 32, op een perceel kadastraal bekend 1e afdeling, sectie A, nr. 600 l 2; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; X-12.483-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. CHRISTIAENS die loco Advocaat D. ARITS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat M. CILISSEN die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat B. VAN DEN BERGH die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VANDENHEUVEL met een verzoek- schrift van 28 september 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VANDENHEUVEL op 17 januari 2005 bij het College van burgemeester en schepenen van de stad Dilsen-Stokkem een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een huisartsenpraktijk te Dilsen-Stokkem, Bloemendaal 32, op een perceel kadastraal bekend 1e afdeling, sectie A, nr. 600 l 2; dat de verzoekende partijen eigenaars en bewoners zijn van het onmiddellijk links aanpalende perceel met woning in half open bebouwing; dat de aanvraag voorziet in 3 parkeerplaatsen voor het publiek vooraan en 4 parkeerplaatsen voor de artsen achteraan; dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland is gelegen in woongebied met landelijk karakter; dat het niet is gelegen binnen het beheersingsgebied van een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch deel uitmaakt van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek X-12.483-2/11 over de aanvraag een bezwaarschrift hebben ingediend, waarin zij aanvoeren dat er een grote toeloop van volk en drukte zal zijn in de rustige omgeving waarin zij thans wonen en dat er aanzienlijke hinder zal zijn doordat slechts 3 parkeerplaatsen voor het publiek zijn voorzien voor een praktijk waar vier artsen zullen werken; dat het College van burgemeester en schepenen het bezwaarschrift heeft beoordeeld als volgt : "Het bezwaarschrift wordt weerhouden. Er is voor deze praktijkruimten onvoldoende parkeerruimte voorzien op het eigen terrein waardoor overlast ontstaat naar de omwonenden. Bijgevolg kan geen gunstig advies geformuleerd worden voor deze aanvraag en dient het dossier aangepast te worden, waarbij voldoende parkeermogelijkheden voorzien worden aan de achterzijde met inachtname van een aantal randvoorwaarden zodat geen overlast ontstaat naar de gebuur"; dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VANDENHEUVEL op 28 april 2005 een nieuwe aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een huisartsenpraktijk "aangepaste plannen (parking)"; dat deze aanvraag voorziet in 3 parkeerplaatsen aan de straatzijde en 9 parkeerplaatsen aan de achterzijde, alle bestemd voor het publiek; dat de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek over deze aanvraag opnieuw een bezwaarschrift hebben ingediend, waarin zij aanvoeren dat deze aanvraag de rust in hun tuin volledig teniet zal doen; dat het college van burgemeester en schepenen het bezwaarschrift heeft beoordeeld als volgt : "(...) Het bezwaarschrift heeft geen betrekking op het bouwconcept zelf, doch wel op de overlast die het parkeren met zich meebrengt i.f.v. de dokterspraktijk. In deze aangepaste aanvraag zijn de parkeerplaatsen voorzien aan de achterzijde van het gebouw. Om tegemoet te komen aan de klacht van de gebuur en om de overlast tot een minimum te beperken zijn milderende maatregelen noodzakelijk, die als randvoorwaarden worden opgenomen in de vergunning."; dat de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag heeft uitgebracht, luidend als volgt : "Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een huisartsenpraktijk (4 kabinetten met bijhorend archief, vergaderlokaal en wachtruimten) in halfopen bebouwing tegen de linkerperceelsgrens; dat het parkeren wordt opgelost op het eigen terrein, gedeeltelijk (3 parkeerplaatsen) in de voortuinstrook en voor het grootste gedeelte (9 parkeerplaatsen) in de achterliggende zone voor koeren en hovingen; Overwegende dat en huisartsenpraktijk op deze locatie (aan de rand van de landelijke woonzone) niet aangewezen is en deze voorzieningen eerder centrumondersteunend dienen ingeplant te worden; dat aan de overzijde van de straat reeds een vergunde dokterspraktijk (2 parkeerplaatsen) aanwezig is; CONCLUSIE : X-12.483-3/11 uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag niet bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving; dat deze voorziening niet past binnen deze landelijke woonomgeving en geen voldoende oplossing wordt geboden voor het parkeerprobleem."; dat het college van burgemeester en schepenen bij het bestreden besluit van 21 juni 2005 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning heeft verleend; dat het zijn standpunt motiveert als volgt : "(...) OPPORTUNITEITSPRINCIPE : (...) Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen kan afwijken van het advies van de stedenbouwkundige ambtenaar, wat het opportuniteitsprincipe betreft; dat het college van oordeel is dat een huis- artsenpraktijk op deze locatie kan aanvaard worden mits milderende maat- regelen voorzien worden om de eventuele overlast van het parkeren tot een minimum te beperken; aan de linker perceelsgrens (vanaf de achtergevel over de volledige lengte) en de achterste perceelsgrens dient een groenblijvende haag (taxus, ...) met een hoogte van 2 m voorzien te worden om de inkijk naar het aangrenzend perceel onmogelijk te maken; daarenboven dienen op 2 m van de perceelsgrens en evenwijdig met de haag, leilinden aangeplant te worden (om de 2 parkeerplaatsen een boom)."; Overwegende dat de verzoekende partijen, wat de tijdigheid van de vordering betreft, aanvoeren dat zij maandelijks bij het gemeentebestuur hebben geïnformeerd naar de afgifte van een vergunning, dat hierop rond 20 juli 2005 bevestigend werd geantwoord, dat zij op 27 juli 2005 een afschrift van de vergunning hebben aangevraagd en op 16 augustus 2005 hebben ontvangen, en dat de werken begin september 2005 zijn gestart; Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning dateert van 21 juni 2005, dat het verzoekschrift tot schorsing werd neergelegd op 15 september 2005, d.i. 85 dagen later, dat verzoekers, die de vergunningsprocedure op de voet hebben gevolgd, niet aantonen dat zij slechts kennis hebben gekregen of hebben kunnen krijgen van de stedenbouwkundige vergunning in de periode van 60 dagen die de datum van neerlegging van het verzoekschrift voorafgaat, en dat hun beweringen hieromtrent louter eenzijdig en door niets gestaafd zijn, zodat het verzoekschrift laattijdig en derhalve onontvankelijk is; Overwegende dat aangezien stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn waarbinnen derden belanghebbenden daartegen met een annulatieberoep -en derhalve X-12.483-4/11 ook met een vordering tot schorsing- kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik maken van de mogelijkheid die hen krachtens het op het ogenblik van het instellen van de vordering geldende artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, werd geboden om er aldaar inzage van te nemen; dat het zaak is van degene die beweert dat een derde belanghebbende meer dan 60 dagen voor het instellen van de vordering kennis had of kon hebben van een zodanige vergunning, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat de vordering tot schorsing werd ingesteld met een op 14 september 2005 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift; dat de verzoekende partijen stellen rond 20 juli 2005 kennis te hebben gekregen van het bestaan van de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat het verzoekschrift tot schorsing alleszins is ingediend binnen de termijn van 60 dagen te rekenen vanaf deze datum; dat de verwerende partij geen elementen bijbrengt waaruit kan blijken dat de verzoekende partijen meer dan 60 dagen voor het instellen van de vordering kennis hadden of konden hebben van deze vergunning; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van onder meer artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna "Inrichtingsbesluit"), van de uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals vastgelegd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de zorgvuldigheidsplicht; dat zij in de uiteenzetting van het middel onder meer uiteenzetten wat volgt : "
  6. Het bestreden besluit heeft betrekking op een terrein dat is gelegen in een woongebied met landelijk karakter volgens de bestemmingsvoorschriften van het X-12.483-5/11 gewestplan Limburgs-Maasland. In dergelijk gebied zijn de agrarische en de woonfunctie evenwaardig. Uit de samenlezing van de artikelen 5, 1.0., en 6, 1.2.
  7. van het Inrichtingsbesluit volgt dat inrichtingen voor ambacht of kleinbedrijf in een woongebied met landelijk karakter slechts mogen worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de "taken" van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied met landelijk karakter, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied met landelijk karakter dient rekening gehouden te worden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied met landelijk karakter kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied met landelijk karakter (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark). Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten.
  8. Het vergunde project heeft uiteraard geen agrarisch karakter doch het betreft ook geen woningbouw : het gaat om een gebouw dat volledig is bestemd als huisartsenpraktijk, zonder enige vorm van bewoning. Er worden vier praktijkruimten voorzien, zodat het een meer-dan-gewone huisartsenpraktijk betreft. Dit blijkt trouwens uit de 12 voorziene parkeerplaatsen. In de bestreden beslissing wordt afgeweken van het (negatieve) advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar met de volgende motivering : 'Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen kan afwijken van het advies van de stedenbouwkundig ambtenaar, wat het opportuniteitsprincipe betreft; dat het college van oordeel is dat een huisartsenpraktijk op deze locatie kan aanvaard worden mits milderende maatregelen voorzien worden om de eventuele overlast van het parkeren tot een minimum te beperken : aan de linker perceelsgrens (vanaf de achtergevel over de volledige lengte) en de achterste perceelsgrens dient een groenblijvende haag (taxus, ...) met een hoogte van 2 m voorzien te worden om de inkijk naar het aangrenzend perceel onmogelijk te maken; daarenboven dienen op 2 m van de perceelgrens en evenwijdig met de haag, leilinden aangeplant te worden (om de 2 parkeerplaatsen een boom).' Het parkeerprobleem zelf wordt dus niet besproken, er worden enkel 'milderende maatregelen' voorzien die beperkt blijven tot een groenscherm... Van enige beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving is geen sprake, nu niet wordt ingegaan op de specifieke kenmerken van de omgeving, die afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in de omgeving bestaande gebouwen of open ruimten. Dit klemt des te meer nu de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar reeds in zijn advies had gesteld : 'Overwegende dat een huisartsenpraktijk op deze locatie (aan de rand van de landelijke woonzone) niet aangewezen is en deze voorzieningen eerder centrumondersteunend dienen ingeplant te worden; dat aan de overzijde van de straat reeds een vergunde dokterspraktijk (2 praktijkruimten) aanwezig is'; Naast het feit dat de vereiste beoordeling van de onmiddellijke omgeving in de bestreden beslissing manifest achterwege is gebleven, dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing afwijkt van het voormelde advies. De uitdrukkelijke motiveringsplicht, zoals vastgelegd in de door verzoekers dienaangaande aangehaalde bepalingen, vereist dat de motivering in dat geval des te nauwkeuriger is, zodat duidelijk wordt waarom van het advies wordt afgeweken. Met de enkele verwijzing naar beperking van parkeerhinder door het X-12.483-6/11 opleggen van een groenscherm wordt echter geenszins gemotiveerd waarom het college van burgemeester en schepenen, anders dan de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, een huisartsenpraktijk wel aangewezen acht aan de rand van de landelijke woonzone, zonder zelfs maar nader op de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselijke aanleg in te gaan."; Overwegende dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor de bouw van een huisartsenpraktijk zonder woongelegenheid met 12 parkeerplaatsen; Overwegende dat niet wordt betwist dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland is gelegen in woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat krachtens artikel 6, 1.2.2., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, woongebieden met landelijk karakter een nadere aanwijzing zijn van woongebieden, en zijn bestemd "voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven"; dat artikel 5, 1.0., van hetzelfde besluit bepaalt dat "woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf, voor zover deze 'taken' van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen en voor agrarische bedrijven", en dat "deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen (...) echter maar (mogen) worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving"; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij in haar nota met opmerkingen voorhoudt, de door voormeld artikel 5, 1.0., opgelegde dubbele voorwaarde van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving geldt voor alle in dit artikel aangegeven bedrijven, voorzieningen en inrichtingen, andere dan wonen, en niet alleen voor ambacht en kleinbedrijf; Overwegende dat een huisartsenpraktijk zonder woongelegenheid op het eerste gezicht als een gebouw voor dienstverlening in de zin van voormeld artikel 5, 1.0., dient te worden gekwalificeerd; dat uit de samenlezing van voormelde bepalingen volgt dat de betrokken aanvraag dient te worden beoordeeld onder meer wat de verenigbaarheid ervan met de onmiddellijke omgeving betreft; dat bij deze X-12.483-7/11 beoordeling dient te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik van de in die onmiddellijke omgeving bestaande gebouwen of open ruimten; Overwegende dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat elke bestuurshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de feitelijke en de juridische overwegingen dient te vermelden die haar verantwoorden, en dat deze afdoende moeten zijn; dat uit deze bepalingen volgt dat met niet in de betrokken akte opgenomen redenen geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar in zijn advies over de aanvraag heeft geconcludeerd dat de aanvraag niet bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving aangezien enerzijds deze voorziening niet past binnen de betrokken landelijke woonomgeving om reden "dat een huisartsenpraktijk op deze locatie (aan de rand van de landelijke woonzone) niet aangewezen is en deze voorzieningen eerder centrumondersteunend dienen ingeplant te worden; dat aan de overzijde van de straat reeds een vergunde dokterspraktijk (2 praktijkruimten) aanwezig is", en anderzijds "geen voldoende oplossing wordt geboden voor het parkeerprobleem"; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen is afgeweken van voormeld ongunstig advies van de stedenbouwkundige ambtenaar en heeft geoordeeld "dat een huisartsenpraktijk op deze locatie kan aanvaard worden mits milderende maatregelen voorzien worden om de eventuele overlast van het parkeren tot een minimum te beperken", met name het aanbrengen van een groenblijvende haag met een hoogte van 2 m om inkijk naar het aangrenzend perceel onmogelijk te maken en de aanplant van leilinden op 2 m van de perceelgrens; Overwegende dat de redengeving van het college van burgemeester en schepenen geen enkel concreet feitelijk gegeven bevat met betrekking tot de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, met name betreffende de aard, de omvang en het gebruik van de in deze omgeving bestaande bebouwing; dat louter en alleen het opleggen van "milderende maatregelen" om "eventuele overlast van het parkeren tot een minimum te beperken", op het eerste gezicht niet als een afdoende verantwoording kan worden beschouwd om, anders dan de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, te oordelen dat de betrokken huisartsenpraktijk op X-12.483-8/11 de aangegeven locatie wel kan worden aanvaard en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat het middel in de aangegeven mate ernstig is; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden besluit de bouw vergunt van een dokterspraktijk met 12 achterliggende parkeerplaatsen die naar hun perceel zijn gericht, dat aldus ieder normaal, rustig gebruik van hun tuin onmogelijk wordt gemaakt, dat er voortdurend activiteit zal zijn door de open spreekuren, afspraken of wachtdienst en dus een groot aantal voertuigbewegingen, dat met vier artsen kan worden geraamd op 100 per dag, dat er dus voortdurend een starten, vertrekken, en inrijden van auto's zal zijn, met slaande deuren en alle daaraan verbonden lawaai- en geurhinder, ook 's nachts, dat het gaat om een zeer open en landelijke omgeving, zonder busverbinding, zodat de patiënten bijna allemaal met de auto zullen komen, dat het aantal voorziene parkeerplaatsen het groot aantal patiënten bevestigt, dat een groenscherm weliswaar rechtstreekse inkijk zou moeten verhinderen, maar niet het lawaai, de brandstofgeur en het algemene gevoel van drukte, dat de werken voor de oprichting van het gebouw reeds zijn aangevat en dat het, eenmaal het er staat, zonder meer in gebruik kan worden genomen, dat het nadeel aldus enkel kan worden hersteld door de afbraak van het gebouw, hetgeen uiteraard zeer moeilijk te verkrijgen zal zijn, dat het nadeel derhalve ook moeilijk te herstellen is; Overwegende dat de goedgekeurde plannen naast de huisartsenpraktijk zelf, omvattende 4 kabinetten met bijhorend archief, vergaderlokaal en wachtruimten, ook voorziet in de aanleg van in totaal 12 parkeerplaatsen, waarvan 3 in de voortuinstrook en 9 in de tuinstrook; dat deze 9 parkeerplaatsen alle worden ingeplant tegen de perceelgrens met de eigendom van de verzoekende partijen, en dit over de ganse lengte ervan; dat de bewering van de verzoekende partijen dat het ter plaatse gaat om een open en landelijke omgeving noch door de verwerende partij, noch door de tussenkomende partij wordt tegengesproken; dat, gelet op het groot aantal parkeerplaatsen, de inplanting ervan onmiddellijk tegen de perceelgrens met de tuin van de verzoekende partijen en over de volledige lengte ervan, en het niet denkbeeldig zijn van het intensieve gebruik van deze parkeerplaatsen aangezien de plannen 4 dokterskabinetten voorzien, het betoog van de verzoekende partijen dat de vergunde werken ernstige lawaai- en geurhinder zullen veroorzaken aannemelijk is; dat een stedenbouwkundige vergunning één onlosmakelijk geheel vormt en dat de omstandigheid dat het nadeel geen betrekking heeft op het gebouw op zich aan voormelde vaststelling geen afbreuk doet; dat de omstandigheid dat de aanleg van de parkeerplaatsen in de tuin het gevolg is van het X-12.483-9/11 bezwaar dat de verzoekende partijen hebben ingediend naar aanleiding van de eerste aanvraag aan hen niet kan worden tegengeworpen aangezien uit dit bezwaar niet blijkt dat zij akkoord zouden gaan met de inplanting van parkeerplaatsen in de tuinstrook; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen voldoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen; BESLUIT: Artikel
  9. Het verzoek tot tussenkomst van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VAN DEN HEUVEL in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  10. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 juni 2005 van de stad Dilsen-Stokkem houdende afgifte aan Gerry en Joke HURKENS-VANDENHEUVEL in naam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOKTERS HURKENS-VANDENHEUVEL van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een "huisartsenpraktijk, aangepaste plannen (parking)", gelegen te Dilsen-Stokkem, Bloemendaal 32, op een perceel kadastraal bekend 1e afdeling, sectie A, nr. 600 l
  11. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.483-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.483-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.432 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.