← België

Arrest 154443 - - 02/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.443 Rolnummer: A. 131749/XIV-13437 Zaak: Arrest 154443 - - 02/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-04 08:05 Fiche Arrest nr 154.443 van 2 februari 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.443 van 2 februari 2006 in de zaak A. 131.749/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. ESTERCAM, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Louizastraat 39, bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 14 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. ESTERCAM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-13.437-1/11 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Wit-Russische nationaliteit, is in België binnengekomen op 21 december 1999 en heeft zich op 22 december 1999 vluchteling verklaard. Op 5 februari 2001 wordt haar het verblijf geweigerd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Zij gaat tegen deze beslissing in dringend beroep bij de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die op 25 maart 2002 beslist dat verder onderzoek noodzakelijk is. 1.
  4. Op 25 juni 2002 wordt de aanvraag om erkenning als vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
  5. De verzoekende partij tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 8 juli 2002 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 31 juli 2002 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “dat het beroep kennelijk ongegrond voorkomt” en dat hij het zelf als alleenrechtsprekend lid zal behandelen. 1.
  7. Op de zitting van 10 september 2002 wordt de verzoekende partij, bijgestaan door haar raadsvrouw, door de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer gehoord. 1.
  8. Naar aanleiding van de toevoeging van een relevant stuk aan het bundel worden de debatten heropend bij beslissing van 13 september
  9. 1.
  10. Op de zitting van 30 september 2002 wordt de verzoekende partij, bijgestaan door haar raadsvrouw, door de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer een tweede keer gehoord. XIV-13.437-2/11 1.
  11. Met een schrijven verstuurd op 8 oktober 2002 worden nog bijkomende stukken neergelegd door de verzoekende partij. 1.
  12. Op 18 december 2002 neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing luidt als volgt: “Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Aangaande: NAAM, VOORNAAM: XXX GEBOREN TE: Baranovici OP(IN): 23.02.1959 LAND VAN HERKOMST: Wit-Rusland GEKOZEN WOONPLAATS : op haar gekozen woonplaats bij mr. L. Estercam Louizastraat 39/2 2000 Antwerpen De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, 1ste Nederlandse kamer, Gelet op het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1969; Gelet op hoofdstuk II van titel II van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1987 en 18 juli 1991, bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992, bij de wetten van 6 mei 1993, 10 juli 1996, 15 juli 1996 en 9 maart 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 september 1996; Gelet op de machtiging verleend door de voorzitter van de 1ste Nederlandse kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 16 september 1999; Gelet op de aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling ingediend op 22 december 1999; Gelet op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 juni 2002 (CG/99/33389B/RA); Gelet op het verzoekschrift ingediend op 8 juli 2002; Gelet op de beschikking van 31 juli 2002 het ingediende beroep te behandelen ais alleenrechtsprekend lid; Gelet op de oproeping van appellante op 5 augustus 2002 voor de zitting van 10 september 2002; Gelet op de beslissing van 10 september 2002 waarbij de behandeling van de zaak wordt uitgesteld naar de zitting van 30 september 2002; Gehoord appellante en haar advocaat, mr. L. Estercam; Overwegende dat appellante haar aanvraag om als vluchteling te worden erkend, verbindt aan de asielaanvraag van haar echtgenoot, P. V. ; dat zij geen eigen motieven inroept; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij beslissing van 18 december 2002 de status van vluchteling weigert aan P. V.; dat derhalve in hoofde van appellante geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 kan worden in aanmerking genomen, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan Pilipenko Anna Sergejevna de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Aldus uitgesproken te Brussel op 18 december 2002 in openbare terechtzitting door L. Christiaens, gemachtigde bijzitter van de 1ste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, bijgestaan door B. De Pauw, secretaris. XIV-13.437-3/11 (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert : “Verzoekster baseert zich op het Internationaal verdrag betreffende het statuut van vluchteling, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende het statuut van vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1969 ; Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1987 en 18 juli 1991, bij het K.B. van 13 juli 1992, bij de wetten van 6 mei 1993, 10 juli 1996 en 9 maart 1998 ; Gelet op de gecoördineerde wetten van de Raad Van State Gelet op het K.B. van 9 juli 2000: Gelet op het Regentbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling van de Raad Van State ; In strijd met de voorschriften van de wet van 15 december 1980 motiveert de Vaste Beroepscommissie fout. Zij overtreedt niet alleen haar appreciatiebevoegdheid, doch overschrijdt deze, en maakt zich schuldig aan afwending van macht. De afwending van macht bestaat alleen al hierin dat de toestand van verzoekster in één pennentrek wordt gelijkgesteld met de toestand van de man, de Heer Pilipenko Sergej, daar waar zij in Wit-Rusland steeds een eigen zelfstandige oppositie heeft gevoerd. Ook zij nam in oktober 1999 deel aan de Vrijheidsmars te Minsk. Verzoekster werd ook gearresteerd en drie dagen vastgehouden. Dus de aanleiding tot noodzakelijke vlucht wegens vrees voor haar leven, spruitte dus eveneens voort uit eigen politieke activiteiten. Zij had duidelijk in tegenspraak met de bewering van de Vaste Beroepscommissie eigen motieven. Hier apprecieerde de Vaste Beroepscommissie dus reeds duidelijk verkeerd. En bestaat er grond tot beroep. Ook was het verzoekster die in Brussel voor de Ambassade van Belarus heeft deelgenomen aan een manifestatie voor de BNF oppositiepartij. Zij werd hierbij gefilmd, en haar fotos verschenen in de Wit-Russische krant. De Vaste beroepscommissie wist dit. De leden van de KGB hebben dus alles gefilmd, en als zij naar haar land van herkomst terug zou moeten keren, wordt zij onmiddellijk door de KGB gevangen genomen, met alle mogelijke gevolgen vandien. De appreciatiebevoegdheid werd dus verkeerd aangewend. Verzoekster werpt op dat het ontkennen van de echtheid van de lidkaart, pertinent de appreciatiebevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie te buiten gaat. Moest men een valse kaart willen voorbrengen, zou men zorgen voor een identieke nabootsing. Verzoekster integendeel kan de zaken alleen maar voorbrengen zoals zij zijn. De vaste Beroepscommissie had duidelijk moeten inzien dat ook zonder te vitten over een al dan niet lidmaatschap, de toestand voor alle sympathisanten van de oppositiepartij uiterst gevaarlijk is, wanneer zij zich openlijk tegen de regering van president Lukashenko verzetten. Zeker in een land als Wit-Rusland. Onlangs verscheen in een Belgische krant, in de periode van de herfst 2002, dat Europa de Wit-Russische president weert, en deze evenmin welkom is op de Navo-top. En een visaban tegen hem werd uitgevaardigd. Omwille van GEBREK AAN DEMOCRATIE, EN DE SLECHTE MENSEN- RECHTENSITUATIE IN WIT-RUSLAND. Duidelijk is dat wanneer men in een land leeft dat de mensenrechten met de voet treedt, er mensen in Wit-Rusland zijn die trachten dit roer om te werpen. En duidelijk is dat zulk een regime personen die onderschept worden, als zijnde gekant tegen de regering, zwaar vervolgen. Juist omdat zij de mensenrechten miskent. Ook voor wat verzoekster betreft dient duidelijk te worden gesteld dat de Vaste Beroepscommissie en destijds het commissariaat-generaal haar verwijten wat officieel XIV-13.437-4/11 in de Media gangbaar was als idee. De Radio CBABODA, Radio Free Europe/Radio Liberty, waarnaar verzoekster verwees, meldde dat de boycot van de parlementsverkiezingen niet doorging. Juist zoals verzoekster, weliswaar op een genuanceerde wijze voorbracht. Dit kan worden gevonden met volgende internetgegevens http/www/rfert. Lorg. De vaste Beroepscommissie ging dus haar appreciatiebevoegdheid te buiten, door als negatief te interpreteren, dat wat algemeen gangbaar was in de Media in haar land van herkomst. Ook hier weer heeft verzoekster duidelijk grond tot aantekenen van beroep tot nietigverklaring.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “! Ten eerste: gebrekkige omschrijving van de door verzoekster geschonden geachte wettelijke en internationale bepalingen. Betrokkene steunt haar enig middel op een veelheid van internationale en nationale bepalingen, waarvan verzoekster nalaat uiteen te zetten op welke wijze zij deze bepalingen door de bestreden beslissing geschonden acht. De verwerende partij merkt op dat de beslissing waartegen wordt opgekomen geenszins werkzaam kan worden bestreden met een op deze wijze omschreven middel. Immers, verzoekster laat na te omschrijven welk artikel van de opgeworpen bepalingen zij door de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dd. 18.12.2002 geschonden acht. Een omschrijving in die zin is bij elk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State nochtans noodzakelijk opdat er sprake zou kunnen zijn van een middel als bedoeld in art. 20, lid 2, 2/ van het Koninklijk besluit dd. 09.07.2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (cf. naar analogie de rechtspraak van de Raad van State i.v.m. het begrip "middelen" in de zin van art. 2, § 1, 2/ van het besluit van de Regent dd. 23.08.1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; waaronder bv. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.C.E 1993, z.p.) en dient nog strikter en nauwgezetter te worden in acht genomen m.b.t. een middel dat wordt aangevoerd ter ondersteuning van een administratief cassatieberoep tegen een beslissing van een administratief rechtscollege, zoals te dezen de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (cf. Arbitragehof nr. 14/97, 18.03.1997, B.S. 08.05.1997, 11.276; R.v.St. nr. 49.364, 04.10.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Het administratief cassatieberoep wordt immers beheerst door art. 14, § 2 van de gecoördineerde wetten van 12.01.1973 op de Raad van State, dat is geïnspireerd op art. 608 Gerechtelijk Wetboek (zie Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1960/1) en als zodanig, i.t.t. het daaraan voorafgaande art. 14, § 1, een expliciete verwijzing bevat naar de “overtreding van de wet”, die dan uiteraard naar behoren moet zijn aangeduid. Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere opsomming van diverse wetten en internationale bepalingen zonder te stellen welk(
  1. e)artikel(
  2. en)men geschonden acht. De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St. nr. 4934, 7.2.1956; R.v.St. nr. 7521, 6.1.1960). Deze niet-ontvankelijkheid moet het rechtscollege desnoods ambtshalve vaststellen, daar de ontvankelijkheid van een beroep bij een beroep bij een rechtscollege de openbare orde aanbelangt. De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat het voorgaande toelaat te stellen dat het enig middel in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. XIV-13.437-5/11 ! Ten tweede: verzoekster heeft nagelaten uiteen te zetten waarom zij een als geschonden opgeworpen bepaling geschonden acht door de bestreden beslissing. Bovendien is de verwerende partij van oordeel dat het enige middel van verzoekster niet voldoende duidelijk is omschreven. Verweerder merkt op dat de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is (zie o.m. R.v.St., nr. 3199, 4.3.1954, Belgische Staat/Hos ; R.v.St., nr. 8323, 6.1.1961, Belgische Staat/ Javaux; H. LENAERTS : Administratieve rechtscolleges, Adm.Lex., nr. 91, p. 48 ; Les Novelles : Le Conseil d'Etat, nr.1763, p. 605). De niet-naleving van deze vereiste heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (R.v.St., nr. 4934, 7.2.56, Kosinsky; R.v.St., nr. 7521, 6.1.1960, Verboomen). De rechter zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht hij een niet regelmatig aangebracht beroep ten gronde behandelen. De verwerende partij is van oordeel dat verzoekster in gebreke blijft om in haar beroepschrift een voldoende duidelijke uiteenzetting van dit eerste onderdeel van haar enige middel te geven. Betrokkene beperkt er zich immers toe te vermelden dat er volgens haar sprake is van een schending van de bepalingen opgesomd in verzoeksters eerste middel, zonder dat zij in haar enig middel verder toelicht in welke zin zij de opgesomde bepalingen geschonden acht. Derhalve kan met betrekking tot de vermeende schending van de opgesomde bepalingen bezwaarlijk van een (afdoende) uiteenzetting van het middel gesproken worden, hetgeen de onontvankelijkheid van het beroep betreffende dit onderdeel van het eerste middel tot gevolg heeft. Het enig middel van verzoekster zal dan ook slechts worden beantwoord, rekening houdende met verzoeksters concrete argumentatie. Niet te min dient uit de lezing van verzoeksters enig middel opgemaakt te worden dat zij haar vluchtrelaas opnieuw ten gronde aan de Raad van State wenst voor te leggen onder het mom van een inbreuk de bepalingen van de wet van 15.12.1980 betreffende de motivering. Verzoekster beroept zich dienaangaande op een vermeende schending van de voorschriften van de Wet van 15 december 1980. Betreffende de vermeende schending van de voorschriften van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 aangaande de motivering laat de verwerende partij gelden dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werd gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoeksters asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd, temeer daar art. 57/22 van de bovengenoemde wet dd. 15.12.1980 louter de uitdrukking vormt van de klassieke jurisdictionele motiveringsplicht en aldus een louter vormelijke verplichting uitmaakt (cf. naar analogie: Cass. A.R P.94.0068.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9, 25.5.1994, Arr. Cass. 1994, 523; Cass. 5.2.1980, Arr. Cass. 1979-80, 668; Cass. 24.1.1980, Arr. Cass. 1979-80, 592; Cass. 10. 1. 1979, Arr. Cass. 1978-79, 522). De naleving van de genoemde plicht houdt echter geenszins verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.J.E. 1998, 693). Verzoekster gaat klaarblijkelijk uit van het tegenovergestelde, want stelt dat “In strijd met de voorschriften van de wet van 15.12.1980 motiveert de Vaste Beroepscommissie fout”. Als zodanig is het enig middel niet afgestemd op de rechtsregel waarvan het de schending opwerpt, zodat het in rechte faalt. De aangevochten beslissing bevat bovendien een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het XIV-13.437-6/11 onderhavig geval geen elementen voorhanden zijn die doen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoekster zodanig in gevaar was dat deze haar land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Terwijl de affirmaties van verzoekster niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zou steunen. De argumentatie van verzoekster is daarenboven kennelijk gericht tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meer bepaald van de waarachtigheid en bewijskracht van de door verzoekster afgelegde verklaringen. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272, 18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht van de door verzoekster afgelegde verklaringen en de aangebrachte stukken soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze verklaringen en stukken moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoeksters enig middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen te betwisten, dient dit middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. Geheel ten overvloede laat de verwerende partij gelden dat er naar haar oordeel naar behoren werd voldaan aan de motiveringsplicht, nu in de bestreden beslissing uitvoerig wordt verwezen naar o.a. het feit dat: - het verzoek van verzoekster verbonden is met het verzoek van haar echtgenoot P. V. en dat zij geen eigen motieven inroept; - aan verzoeksters echtgenoot op 18.12.2002 de status van vluchteling geweigerd werd bij beslissing van de Vaste Beroepscommissie; - er derhalve in hoofde van verzoekster geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, par A, al. 2 van de conventie van Genève van 28.07.1951 kan worden vastgesteld. ! Ten derde: voor zover verzoeksters concrete kritiek voor de afwijzing van het middel toch antwoord zou behoeven, quod certe non, kan de verwerende partij daarop nog het hierna volgende antwoorden. Verzoekster beperkt zich tot het louter woordelijk weerleggen van de bestreden beslissing. Verzoekster stelt dat ten onrechte haar toestand in één pennentrek wordt gelijkgesteld met de toestand van haar man, de heer P.S. De Vaste Beroepscommissie stelde vast dat het verzoek van verzoekster verbonden is met het verzoek van haar echtgenoot P. V. en oordeelde tevens dat verzoekster geen eigen motieven inroept. Er dient inderdaad te worden vastgesteld dat de motieven waarop verzoekster zich beroept identiek zijn aan deze waarop haar echtgenoot zich beroept, namelijk dat zij lid is van de BNF en dat zij deelnam aan dezelfde vrijheidsmars te Minsk, dat zij tevens gearresteerd werd en drie dagen vastgehouden en dat zij haar politiek engagement zou voort gezet hebben in België. Verzoeksters "eigen motieven" zijn zodoende identiek aan deze van haar echtgenoot P. V.. Het feit dat verzoekster gefilmd werd bij een deelname aan een manifestatie voor de Ambassade van Belarus te Brussel doet aan deze vaststelling geen afbreuk, evenmin kan dergelijke deelname op zich gelijkgesteld worden met een voldoende blijk van politiek engagement. XIV-13.437-7/11 Zodoende werd terecht geoordeeld dat daar aan verzoeksters echtgenoot op 18.12.2002 de status van vluchteling geweigerd werd bij beslissing van de Vaste Beroepscommissie, er derhalve in hoofde van verzoekster geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, par A, al. 2 van de conventie van Genève van 28.07.1951 kan worden vastgesteld. Er is in casu dan ook sprake van een terechte gelijkschakeling tussen de asielaanvragen en asielmotieven van verzoekster en haar echtgenoot. Daarnaast beroept verzoekster zich op de slechte situatie inzake mensenrechten in Wit-Rusland, echter slaagt verzoekster er niet in ook maar enigszins aannemelijk te maken dat zij haar land van herkomst is ontvlucht omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par A, al. 2 van de Conventie van Genève van 28.07.195 1, laat staan dat zij een dergelijk vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer. Bovendien is verzoeksters gehele vluchtrelaas als ongeloofwaardig beoordeeld hetgeen het overbodig maakt verzoeksters relaas verder te toetsen aan de Conventie van Genève van 28.07.1951. Uit de gegevens van de zaak blijkt genoegzaam dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen binnen de grenzen van de ruime beoordelingsbevoegdheid die de voormelde verdragsbepaling haar biedt, heeft kunnen beslissen dat verzoeksters verklaringen niet geloofwaardig moeten worden geacht. Hetgeen door verzoekster in haar middel wordt aangevoerd, is geenszins van aard om tot een ander besluit te kunnen komen, nu deze zich daarin beperkt tot het uiten van ongestaafde kritiek op de in casu bestreden beslissing die neerkomt op het vragen naar een feitelijke herbeoordeling van zijn aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gedane asielrelaas. De Raad van State kan de beoordeling die verzoekster van haar verlangt niet maken. Immers, niet enkel zou het gaan om een vervormde beoordeling van verzoeksters asielaanvraag, de Raad van State is bovenal niet bevoegd tot het overdoen van de feitelijke beoordeling van een asielaanvraag, zeker niet wanneer zij, zoals te dezen het geval is, optreedt als administratief cassatiegerecht (zie bv. R.v.St. nr. 50.272, 18.11.1994; nr. 47.325, 6.5.1994; nr. 45.632, 4.1.1994, R.A.C.E 1994, z.p.). De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft in casu in haar bestreden beslissing alle vaststellingen opgenomen die voor de beoordeling van het door verzoekster bij haar ingestelde beroep relevant zijn en die de afwijzing van dit beroep rechtvaardigen. Door op basis van de haar eigen feitelijke beoordelingsbevoegdheid verzoeksters asielrelaas ongeloofwaardig te achten en de daartoe in aanmerking genomen gegevens in haar beslissing te vermelden heeft zij het vluchtelingbegrip geenszins miskend. Immers, uit een arrest van de Raad van State dd. 12.01.1999 (nr. 78.054) blijkt dat wanneer het verhaal van de asielzoek(st)er kennelijk niet geloofwaardig is, er geen reden is om het verhaal van de betrokkene nog te toetsen aan de bovengenoemde verdragsbepaling. Er kan derhalve geen sprake zijn van de door verzoekster ingeroepen schending van die verdragsbepaling. In de mate dat het op deze schending is gesteund, is verzoeksters enig middel dan ook ongegrond. Verzoeksters enige middel kan niet aangenomen worden ter vernietiging van de bestreden beslissing.”; XIV-13.437-8/11 2.3. Overwegende dat verzoekster repliceert : “Verzoekster heeft een perfekte aanduiding van de wetgeving gegeven, waarop zij zich baseert. Verzoekster is niet verplicht verschillende middelen aan te halen, wanneer zij zich inzonderheid dient te baseren op het te buiten gaan van de appreciatiebevoegdheid. Hiervoor zou verzoekster al geen specifiëring van wetsartikel dienen te geven. Het is een algemeen rechtsbeginsel dat vonnissen-en inzonderheid beslissingen van het commissariaat-generaal en van de Vaste Beroepscommissie voldoende moeten gemotiveerd zijn en zeker geen appreciatie mogen geven wanneer die niet voldoende aan de werkelijkheid is getoetst. ( Cass. 9 november 1965, R.C.J. - B 196) Verzoekster haar zaak is verbonden met die van haar echtgenoot, de Heer Pilipenko Sergej. Maar het is totaal ongegrond, en hier wordt wel degelijk een procedure-fout gemaakt, haar verzoek niet individueel te behandelen. Haar situatie betreft eigen persoonlijke redenen van vrees, en zeker persoonlijke redenen van vrees voor terugkeer naar haar land van herkomst. Deze vrees vloeit voort uit haar eigen politieke activiteit. Verzoekster was het die in maart en mei 2001 te Brussel voor de Ambassade van Belarus heeft deelgenomen aan een manifestatie voor de BNF oppositiepartij. Zij werd hierbij gefilmd en haar foto's verschenen in een Wit-Russische krant. De leden van de KGB hebben alles gefilmd, en als zij naar haar land van herkomst zou moeten terugkeren, wordt zij onmiddellijk door de KB gevangen genomen. De Vaste Beroepscommissie zegt ten onrechte dat de lidkaart van het " BNF " van verzoekster vals is. Refererend aan wat gezegd wordt in de memorie van wederantwoord van haar echtgenoot, kon de echtheid van haar lidkaart worden vergeleken met die van lgor Lazarcuk, de voorzitter van het Belarusian Center in België, die totaal dezelfde lidkaart heeft, en in België als asielaanvrager erkend werd. Dus van kennelijke ongeloofwaardigheid is er geen sprake. De lidkaart is echt en had moeten en kunnen vergeleken worden. Al de andere feiten zouden dan uiteraard absoluut als geloofwaardig moeten weerhouden worden. De Vaste Beroepscommissie weigerde dit tastbaar argument te onderzoeken, en argumenteerde dat zij hiertoe niet verplicht is. De Vaste beroepscommissie had anders alles voorhanden. Zij vergrijpt zich duidelijk aan afwending van macht. Een ruime beoordelingsbevoegdheid wil niet zeggen een manke beoordelingsbevoegdheid of een foutieve beoordeling. Art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zegt duidelijk dat een beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing van de Vaste Beroepscommissie kan ingesteld worden wegens overtreding van hetzij "de substantiële vormen, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doch ook op grond van OVERSCHRIJDING OF AFWENDING VAN MACHT. Het ingestelde hoger beroep is dus wel degelijk ontvankelijk en ook gegrond. Het bijzonderste middel door verzoekster gehanteerd is behoorlijk opgebouwd, en wanneer de Vaste Beroepscommissie enkele feiten aanhaalt om de ongegrondheid voor te wenden, is het normaal dat verzoekster in zijn beroepsverzoekschrift de foutieve beoordeling van deze feiten uitbouwt. Verzoekster stelt zich net op dezelfde wijze op als de Vaste Beroepscommissie dat doet. Als de vaste Beroepscommissie enkel als motivatie heeft feiten uit hun verband te trekken, en ten onrechte als bedrieglijk te bestempelen, kan verzoekster niet anders dan het te buiten gaan van de opgelegde appreciatiebevoegdheid desbetreffend aan te tonen. Verzoekster benadrukt dat in weerwil met de verklaringen van de Belgische Staat, wel degelijk haar vrees met als gevolg het vluchten, en haar vrees voor het gevaar van terugkeer werd uitgelegd. Eenieder weet dat wie lid is van de "BNF", op elk ogenblik in Wit-Rusland groot gevaar loopt. Er zijn zo vele verdwijningen. In tegenstrijd met art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State durft de Belgische Staat te beweren, goed wetende dat er zich bij de appreciatie afwending van XIV-13.437-9/11 macht heeft voorgedaan, dat de vaste Beroepscommissie willekeurig zou mogen appreciëren. Noch een juridische, noch een feitelijke correctheid zou nodig zijn. Zulks is onmogelijk. Soeverein oordelen, betekent niet oordelen op een wijze die de mensenrechten schaadt. De vaste Beroepscommissie verwijst overigen naar "zoals ons algemeen bekend." Zonder de aanvraag tot erkenning van verzoekster afzonderlijk te beoordelen, maakt men zich schuldig aan procedure-fouten. De Belgische Staat doet het ten onrechte voorkomen als zou de reisroute die niet duidelijk werd uitgelegd, en de documenten die de identiteit aantonen ontbreken, een afdoend appreciatie-element is. Daar waar de vaste Beroepscommissie in haar beslissing zelf aanhaalt dat dit geen afdoende grond is om een weigeringsbeslissing te verantwoorden. Bij de meeste asielaanvragers werden dezen in hun land van herkomst afgenomen en is het aannemelijk dat zij de exacte reisroute niet kennen. Dit maakt dus eveneens een grond uit voor de Raad van State om de correctheid van de procedure te beoordelen.”; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij de Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951, het Protocol van New York van 31 januari 1967, de Vreemdelingenwet, de gecoördineerde wetten van de Raad van State, het koninklijk besluit van 9 juli 2000 en het regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot “regeling van de rechtspleging voor de afdeling van de Raad van State” geschonden acht; dat zij tevens stelt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar appreciatiebevoegdheid overschrijdt doordat zij de asielaanvraag van verzoekster met één pennentrek gelijkschakelt met de toestand van haar man, terwijl zij eigen motieven heeft ingeroepen in tegenstelling tot hetgeen werd gesteld in de motivering van de bestreden beslissing; 2.4.2.1. Overwegende dat het middel, in zover het de schending aanvoert van wetten, uitvoeringsbesluiten en verdragen, onvoldoende duidelijk en precies is; 2.4.2.2. Overwegende dat in principe de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toekomt in laatste aanleg te oordelen of de vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft; dat haar appreciatie door de Raad van State als onrechtmatig kan worden aangemerkt indien de concrete gegevens van de zaak doen blijken dat die appreciatie, in strijd met wat in de beslissing wordt aangevoerd, kennelijk onredelijk is; 2.4.2.3. Overwegende dat uit het gehele dossier blijkt dat verzoekster eigen motieven heeft ingeroepen, naast het feit dat haar echtgenoot gelijkaardige feiten heeft ondergaan, zoals dit ook wordt bevestigd in de voorafgaande beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat uit het beroepschrift van verzoekster tegen de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen blijkt dat zij nog eigen, recente gebeurtenissen aanvoert en nergens expliciet stelt zich uitsluitend op de feiten, aangevoerd door haar echtgenoot, te beroepen; dat ook ter zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zij geen afstand hebben gedaan van de eigen motieven; dat de vaststelling in de bestreden beslissing dat zij haar aanvraag om als XIV-13.437-10/11 vluchteling te worden erkend verbindt aan de asielaanvraag van haar echtgenoot en zij geen eigen motieven inroept aldus kennelijk onjuist is; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 18 december 2002 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd A.P .als vluchteling te erkennen. Artikel 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.437-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.443 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940525.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.