← België

Arrest 154449 - - 02/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.449 Rolnummer: A. 136575/XIV-15079 Zaak: Arrest 154449 - - 02/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 08:51 Fiche Arrest nr 154.449 van 2 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.449 van 2 februari 2006 in de zaak A. 136.575/XIV-15.

  1. In zake :
  2. XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordigster van haar drie minderjarige kleinkinderen :
  3. XXX,
  4. XXX,
  5. XXX, wonende te V. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordigster van haar drie minderjarige kleinkinderen XXX, XXX en XXX, allen van Albanese nationaliteit, op 9 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 17 april 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 22 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 30 september 2005waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december 2005; XIV-15.079-1/12 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat J.-P. DOQUIR verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  7. XXX, van Albanese nationaliteit , is in België binnengekomen op 3 november 2002 vergezeld van haar drie minderjarige kleinkinderen XXX, XXX en XXX. Zij hebben zich op 6 november 2002 vluchteling verklaard. Op 20 november 2002 worden de asielaanvragen ontvankelijk verklaard door de Dienst Vreemdelingenzaken. 1.
  8. Op 20 februari 2003 worden de aanvragen om erkenning als vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
  9. De verzoekende partijen tekenen tegen deze weigeringsbeslissingen op 10 maart 2003 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  10. Op 20 maart 2003 beslist de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen “dat het beroep kennelijk ongegrond voorkomt” en dat hij het zelf als alleenrechtsprekend lid zal behandelen. 1.
  11. Op de zitting van 16 april 2003 worden de verzoekende partijen, bijgestaan door Mr. Jean-Paul DOCQUIR, door de gemachtigde bijzitter van de Tweede Nederlandse Kamer gehoord. 1.
  12. Op 17 april 2003 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissingen, die als volgt luiden: Wat de eerste verzoekende partij betreft : XIV-15.079-2/12 “(...) Overwegende dat de feiten aan de basis van appellantes asielrelaas door de bestreden beslissing als volgt worden samengevat: "U verklaarde afkomstig te zijn uit Berdicë (gemeente Shkodër) en de Albanese nationaliteit te bezitten. Onder het communistische regime zou uw echtgenoot tot twaalf jaar opsluiting veroordeeld zijn. Uw zoon Altin zou zeven jaar geleden politieagent te Shkodër geworden zijn. Na de dood van uw echtgenoot zou u bij uw zoon Altin en diens gezin ingetrokken zijn. Tijdens de verkiezingen in 2001 zou uw zoon een stembus moeten bewaken hebben. Drie mannen zouden stembrieven willen stelen hebben en uw zoon zou deze drie mannen in uw hoedanigheid van politieagent hebben aangehouden. Later zou u van uw jongste dochter de naam van de drie schuldigen vernomen hebben. Jullie zouden twee anonieme dreigbrieven ontvangen hebben. U zou uw zoon hebben aangeraden deze bij de politie neer te leggen en hij zou dit ook gedaan hebben. Midden juli 2002 zou uw zoon uit zijn functie ontslagen zijn. De reden hiervoor zou u niet kennen. Wel vermoedt u dat het iets met de machtswisseling tussen socialisten en democraten zou te maken hebben en dat Ali Vokshi, de broer van Adem Vokshi die onder het communistische regime tegen uw echtgenoot getuigde, nu uw zoon zou ontslagen hebben. Uit schrik, veroorzaakt door de dreigbrieven, zou uw zoon Altin na zijn ontslag niet meer thuis hebben verbleven. Op 5 augustus 2002 zou uw zoon ‘s avonds naar huis gekomen zijn. Hij zou met een neef naar een zieke tante gegaan zijn en zijn auto zou hij voor de woning hebben achtergelaten. Onbekende mannen zouden hebben aangeklopt. Uw schoondochter Vera zou de deur geopend hebben en daarbij onmiddellijk neergeschoten zijn. Ze zou aan haar verwondingen overleden zijn. Toen u deze schoten hoorde, zou u de gang ingestormd zijn. Bij het zien van het bloed zou u het bewustzijn verloren hebben. Uw buren zouden een ambulance gebeld hebben en ook de politie zou onmiddellijk ter plaatse gekomen zijn om een onderzoek in te stellen. Op 7 augustus 2002 zou uw schoondochter begraven zijn en die dag zou u uw zoon Altin voor het laatst gezien hebben. Daarop zou u met uw drie minderjarige kleinkinderen XXX, XXX en XXX afwisselend bij uw broer Mhill en uw zus File verbleven hebben. Omdat het onmogelijk was voor uw familie om vier mensen op te vangen en omdat veel familieleden afgelegen wonen" zou u besloten hebben Albanië op 27 oktober 2002 samen met uw drie minderjarige kinderen te verlaten" richting België, waar u op 3 november 2002 aankwam. Op 6 november 2002 vroeg u hier asiel aan. Ook uw drie minderjarige kleinkinderen XXX (O.V. 5.270.374), XXX (O.V. 5.270.374) en XXX (O.V. 5.270.389) vroegen die dag asiel aan.”; Overwegende dat appellante haar reisweg niet bewijst; dat zij niet aantoont wanneer zij het land verlaten heeft, noch wanneer zij in België aankwam; dat zij verklaart niet in het bezit van een paspoort geweest te zijn; dat zij evenwel een geboorteakte voorlegt waarop haar foto bevestigd is; dat zij eveneens geboorteaktes met foto van de drie kinderen voorlegt; dat een foto op een geboorteakte in Albanië enkel wordt aangebracht teneinde een paspoort aan te vragen (zie document CEDOCA, met betrekking tot de afgifte van geboorteaktes in Albanië); dat zij ter zitting stelt dat zij clandestien reisde met de drie kleine kinderen in een gesloten vrachtwagen van Albanië naar België en dit gedurende drie dagen en dat noch zij, noch haar kleinkinderen ooit in het bezit waren van een paspoort; dat appellants verklaringen omtrent haar reisweg en -documenten niet geloofwaardig zijn; dat dergelijke houding een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas inhoudt; Overwegende dat met betrekking tot vervolging van familieleden tijdens het communistisch regime de bestreden beslissing reeds terecht stelde dat: "Vooreerst moet worden opgemerkt dat de door u aangehaalde feiten - de vervolging van uw familie en de veroordeling van uw echtgenoot, zoals bevestigd in de door u neergelegde attesten - die dateren van voor de zogenaamde politiek omwenteling in Albanië (1990-1991), dienen geplaatst te worden tegen de achtergrond van het repressief optreden van de toenmalige communistische autoriteiten tegen alle politieke opposanten. Niettegenstaande Albanië nog steeds niet als een volwaardig democratisch land kan worden omschreven, werden sindsdien toch enkele belangrijke democratische hervormingen doorgevoerd. Politieke gevangenen werden vrijgelaten, partijen van verschillende ideologische strekkingen werden opgericht en kunnen onafhankelijk functioneren, vrije verkiezingen worden georganiseerd. In het licht van deze vaststellingen kan dan ook bezwaarlijk worden aangenomen dat u omwille van het XIV-15.079-3/12 toenmalige anti-communistische verleden van uw familie, anno 2003 bij een eventuele terugkeer naar Albanië het gevaar loopt persoonlijk en doelgericht te worden vervolgd zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie.”; dat appellante in haar verzoekschrift stelt dat er een evident verband is tussen de communisten van voor 1990-1991 en de huidige socialisten aan de macht; dat immers het niet willen meestappen in het frauduleus manipuleren van de verkiezingen door de politieagent van de familie geïnterpreteerd kan worden als het niet willen meewerken met het huidige regime; dat hij tenslotte ontslagen werd nadat hij bedreigingen ontvangen had; Dat appellante uitgaat van een niet bewezen hypothese; dat indien er werkelijk een verband zou zijn tussen het ontslag van appellantes zoon (in samenhang met de bedreigingen) en het anti-communistisch verleden van de familie, hij al zou ontslagen zijn geweest in 1997 aangezien in dat jaar de socialisten terug aan de macht kwamen; dat appellante niet aantoont dat er een verband is tussen het anti-communistisch verleden van de familie en de bedreigingen en het ontslag van haar zoon; Overwegende dat de feiten aan de basis van appellantes vertrek gelegen zijn in het neerschieten van haar schoondochter, de bedreigingen die haar zoon ontving, gevolgd door zijn ontslag; dat appellante onder meer een overlijdensakte neerlegt van haar schoondochter; dat, volgens haar verklaringen, de politie onmiddellijk ter plaatse was om deze moord vast te stellen; dat zij evenwel in gebreke blijft ook maar enig document aan te brengen waaruit zou kunnen blijken dat haar schoondochter geen natuurlijke dood gestorven is, maar door moord om het leven kwam; dat zij in bijkomende conclusies stelt dat zij een videocassette van de begrafenis neerlegt; dat uit een video- opname van een begrafenis evenmin kan blijken dat deze schoondochter door schotwonden om het leven kwam; Dat, met betrekking tot het ontslag van haar zoon Altin bij de politie, appellante zelf verklaard heeft niet te weten om welke reden haar zoon ontslagen is; dat zij enkel documenten aanbrengt waaruit blijkt dat haar zoon in februari 1996 bij de politie werkte; dat zij hoe dan ook geen documenten aanbrengt waaruit kan blijken dat haar zoon ontslagen werd; dat zelfs indien wordt aangenomen dat appellantes zoon in juli 2002 bij de politie ontslagen werd, zij niet aantoont dat er enig verband zou zijn tussen het ontslag en de criteria van het vluchtelingenverdrag; Overwegende dat appellante verklaarde dat de politie een onderzoek opstartte naar de moord op haar schoondochter; dat zij ter zitting verklaart dat zij niet weet hoe ver het onderzoek gevorderd is omdat zij geen contact meer heeft met haar zoon; dat de weinige interesse die appellante aan de dag legt omtrent het onderzoek naar de beweerde moord op de moeder van haar drie kleinkinderen de geloofwaardigheid omtrent de aangevoerde feiten aantast; Overwegende dat appellante verklaart dat haar zoon met onbestemde bestemming vertrok na de begrafenis van zijn echtgenote in augustus 2002; dat evenwel uit het dossier blijkt dat appellantes zoon op 29 oktober 2002 nog een attest van familiesamenstelling bekomen heeft waarop hijzelf en zijn drie kinderen vermeld staan (stuk 19); Overwegende tenslotte dat appellante stelde dat zij niet in Albanië kon blijven omdat er geen plaats was bij andere familieleden die met geldgebrek kampten; dat deze problemen van socio-economische aard zijn en geenszins ressorteren onder het toepassingsgebied van het vluchtelingenverdrag; Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J.C., The law of refugee status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84); dat de verklaringen plausibel moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54); dat de verklaringen van appellante niet geloofwaardig zijn; Overwegende dat appellante niet aantoont dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit, niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees XIV-15.079-4/12 voor vervolging wegens haar ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of haar politieke overtuiging in de zin van artikel 1, A

(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Aldus uitgesproken te Brussel op 17 april 2003 in openbare terechtzitting door A. Van Isacker, gemachtigde bijzitter van de 2de Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, bijgestaan door S. Museeuw, secretaris.”. De motivering van de beslissingen met betrekking tot de tweede, derde en vierde verzoekende partij, waarbij het vluchtelingenstatuut eveneens wordt geweigerd, zijn eensluidend en luiden als volgt: “Overwegende dat de bestreden beslissing wijst op de samenhang tussen het dossier van appellante en dit van haar grootmoeder XXX; dat de motieven van beide asielaanvragen immers op dezelfde gronden berusten; Overwegende dat bij beslissing van 17 april 2003 aan XXX de status van vluchteling werd geweigerd; Overwegende dat derhalve in hoofde van appellante geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, kan worden in aanmerking genomen,”; 1.
  1. Op 25 april 2003 dienen de verzoekende partijen een aanvraag om toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in.
  2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat om een administratief cassatieberoep bij de Raad van State in te dienen men partij moet zijn geweest bij de aangevochten beslissing; dat de verscheidene verzoekende partijen dan ook enkel kunnen opkomen tegen de beslissing die met betrekking tot hun aanvraag werd genomen;
  3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  4. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren : “Moyen unique Pris de la violation de l'article 57/22 de la loi du 15.12.1980 sur l'accès, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers En ce que l'article susmentionné de la loi du 15.12.1980 exige l'indication dans l'acte des circonstances de la cause ou, ce qui revient au même, les considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision qui doit être adéquate. Alors que la motivation de la décision prise par la Commission Permanente n'est pas conforme à la réalité car elle n'a pas pu examiner avec tout le sérieux la requête des requérants. Pris aussi de la violation de l'article 57/12 alinéa 3 de la loi du 15.12.1980 sur l'accès, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. XIV-15.079-5/12 En ce que cet article requiert que l'examen du recours devant la Commission Permanente se fasse devant une chambre à trois juges lorsque ce recours n'apparaît pas irrecevable ou manifestement non fondé. Alors que l'examen du recours s'est fait devant une chambre à juge unique cependant que les recherches faites montrent que de plus amples investigations ont été nécessaires (CEDOCA). Que les décisions de la Commission Permanente de recours des Réfugiés sont libellées comme suit : (...)”; dat vervolgens de verzoekende partijen de bestreden beslissingen citeren, waarna zij als volgt hun middel verder zetten: “Qu'il y a lieu de se prononcer sur ces griefs : Le premier grief fait à la requérante 1 concerne ses conditions de voyage. On remarquera tout de suite qu'il a fallu à la CPRR se renseigner auprès du CEDOCA, institution spécialisée s'il en est, pour se rendre compte que l'on est censé apposer des photos sur un passeport uniquement en vue d'obtenir un passeport. Sur ce premier élément, il ne s'agissait donc pas de quelque chose de manifeste. Au contraire, c'est un point qui avait déjà fait l'objet de débats (vu les conclusions déposées en audience le 16.04.2003) et par la suite il a été demandé des recherches supplémentaires auprès d'une institution spécialisée. Votre jurisprudence constante est très claire dans un telle cas, un examen devant une chambre à trois juge s'impose car il faut entendre par manifeste « ce dont l'existence ou la nature s'impose à un esprit raisonnable avec une telle force de conviction que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires. » Or ici, il y a eu recherches et investigations et l'examen a eu lieu devant une chambre à juge unique. (Arrêt CE 100.059 du 23.10.2001, + note dans RDE 2001, n/ 116, pp. 698-701). Comme défauts dans la motivation proprement dite, on remarquera qu'il n'apparaît nulle part que la CPRR ait répondu aux arguments soulevés en audience (par voie de conclusions), à savoir que si des photos ont été apposées sur les actes de naissance, pratique récente par ailleurs, c'était pour éviter d'être accusée de trafic d'êtres humains dans le chef de la grand-mère, la requérante. S'il n'appartient bien sûr pas au Conseil d'Etat de substituer ici son appréciation à celle de la CPRR, du moins peut-il constater la vacuité de la motivation sur ce point. On remarquera aussi que la motivation de la CPRR est lacunaire car elle n'indique pas en quoi il ne serait pas crédible pour une grand-mère de voyager avec ses trois petits- enfants sans passeport. La réalité va parfois bien au-delà et les médias nous montrent que des Chinois peuvent traverser toute l'Asie et l'Europe pour venir échouer sur les plages belges ou françaises de la Mer du Nord. En cela, et dans la ligne de votre jurisprudence constante (arrêt CE 72.350 du 10.03.1998), la motivation n'indique donc pas les circonstances de la cause et ne satisfait pas aux exigences de l'article 3 de la loi du 29.07.
  5. Ensuite, concernant le pouvoir communiste en Albanie et le passé d'opposants politiques de la famille des requérants, la Commission Permanente se contente de reprendre textuellement la motivation du CGRA dans sa décision et donne donc à sa propre motivation un caractère stéréotypé la rendant contraire à l'obligation de motivation imposée par l'article 57/22 de la loi du 15.12.1980 ainsi que l'article 149 de la Constitution. (arrêt CE 83.558 du 22.11.1999) En plus, elle ne rencontre pas l'argument du manque d'objectivité reproché dans le recours introduit devant la CPRR : « (..) les rapports internationaux concernant ce pays font état de grandes violences politiques. Il s'agirait de se voiler la face et de nier les éléments figurant dans les rapports des droits de l'homme. ». Or, si la CPRR « n'a pas l'obligation de rencontrer l'ensemble des arguments avancés par le requérant, il n'en demeure pas moins que l'obligation de motivation implique que le destinataire de l'acte comprenne les raisons qui ont amené la juridiction administrative à prendre la décision le concernant, afin, le cas échéant, de lui permettre de contester valablement et en connaissance de cause la décision en question » (arrêt CE 83.558 du 22.11.1999). En l'espèce, la CPRR reconnaît même, reprenant la XIV-15.079-6/12 motivation du CGRA que l'Albanie n'est pas parmi les pays les plus démocratiques qui soient. Sur ce point, il faut aussi noter que la CPRR dénature les faits et leur relation en ce qu'elle réduit le fait de dénoncer une fraude électorale pour des motifs politiques à de simples motifs d'appartenance politique. Or, s'il existe un lien entre les communistes au pouvoir d'avant 1990-1991 et les socialistes au pouvoir actuellement, ce que confirment les requérants, il ne s'agit pas de l'unique raison pour craindre des persécutions. Et cela se comprend. En effet, il est logique, lorsqu'on se met à la place d'un agent persécutant « en voie vers la démocratie » qu'on ne persécute pas sur une base d'une simple appartenance, mais uniquement au cas où la personne (en l'occurrence le fils de la requérante) devient dérangeante dans et par ses actions. A cet égard, vous avez rappelé à juste titre, dans votre arrêt 99.599 du 10.10.2001, que vous êtes également là, en qualité de juge de cassation administrative pour censurer «l'erreur objective dans la relation matérielle des faits retenus par la juridiction, et vérifier si cette dernière a bien pris en considération ceux qui lui ont été présentés.» Le grief qui est fait, pour suivre, à la requérante, porte principalement sur les éléments de preuve, lesquels sont tous contestés. A cet égard, le requérant a tenté par tous les moyens de joindre à sa demande d'asile un maximum de preuves à l'établissement des faits relatés apportant, entre autres, acte de décès de la belle-fille, constatation par la police de ce décès, vidéocassette de l'enterrement de la belle-fille, attestation du fait que le fils de la requérante travaillait dans la police. Ces documents sont purement et simplement ignorés et rejetés dans le sens où ils n'apportent pas une preuve irréfutable, incontestable du lien par exemple entre le décès de la belle-fille et les persécutions. Une telle preuve est bien sûr impossible à fournir vu que toute preuve « reste donc en fin de compte ce qui exige la foi en ce qui est dit» et ici, il n'y pas de foi en ce qui est dit ou alors s'agit-il plutôt de mauvaise foi... Outre le fait que la motivation donnée par la CPRR n'apporte rien de nouveau par rapport à la motivation du CGRA, ce qui déjà la disqualifie pour les mêmes raisons énoncées plus haut (caractère stéréotypé, CE arrêt CE 83.558 du 22.11.1999), elle isole des éléments de leur contexte et donc ne considère pas les circonstances de la cause. Et la Commission doit apprécier le récit du requérant dans sa globalité, en toute objectivité, en adoptant une approche individualisée (les circonstances de la cause) et en confrontant ces éléments avec le reste du dossier dont doit tenir compte la Commission, en ayant égard à toutes les déclarations antérieures du requérant, à la constance des récits successifs et aux divers documents produits, aussi et surtout lorsque aucune contradiction ni incohérence ou inconséquence n'est reprochée à la requérante. Concernant maintenant le peu d'intérêt que la requérante aurait porté à l'enquête de police, ici encore, les éléments sont considérés en dehors du contexte et des circonstances de la cause, s'agissant d'une dame âgée, pas habituée à sortir de chez elle (position des femmes dans la culture albanaise), et ayant à charge trois petits-enfants, et se trouvant dans une situation de stress et de crainte de persécution. La motivation donnée par la CPRR en ce qui concerne la composition de famille la rend à son tour illégale en ce qu'elle commet une erreur objective dans la relation matérielle des faits, erreur que vous censurez pour suivre votre jurisprudence constante (arrêt CE 99.599 du
  6. 10.200 1). En effet, il ressort de la décision de la CPRR que le fils de la requérante aurait eu, aurait obtenu (bekomen heeft) le document reprenant la composition de famille sur lequel il se trouverait ainsi que ses trois enfants. Or, une telle chose est contraire à la réalité objective des faits. Certes, il n'est pas contesté que le fils de la requérante est repris dans la composition de famille, mais nulle part il n'apparaît dans le dossier que c'est lui qui l'a obtenue. C'est donc une dénaturation des faits. Pour le surplus, il n'y a aucune contradiction ni incohérence dans le récit. Qu'il y avait lieu dès lors d'accorder le bénéfice du doute au requérant comme le prévoit le point 203 du « Guide des Procédures et critères à appliquer pour déterminer le Statut de réfugié » publié par le Haut Commissariat Général aux Réfugiés et Apatrides. Qu'en effet, il est énoncé : « Il est possible qu'après que le demandeur se sera sincèrement efforcé d'établir l'exactitude des faits qu'il rapporte, certaines de ses affin nations ne soient cependant pas prouvée à l'évidence. ( ... ) un réfugié peut difficilement XIV-15.079-7/12 « prouver » tous les éléments de son cas et, si c'était là une condition absolue, la plupart des réfugiés ne seraient pas reconnus comme tels. Il est donc souvent nécessaire de donner au demandeur le bénéfice du doute. » Qu'il y a donc là une erreur de droit, même si le Guide mentionné ne constitue pas un texte légal à proprement parler ; Attendu que la Commission fait un faux commentaire du récit du requérant en ce qu'elle énonce que celui-ci « n'établit nullement qu'il aurait été menacé du fait de sa race, de sa nationalité ... » ; De sorte que l'acte attaqué doit être cassé. Que le moyen est sérieux.”; 3.
  7. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Verzoekster beroept zich in een enig middel op een vermeende schending van de artt. 57/22 en 57/12 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
  8. Ter ondersteuning stelt verzoekster dat “la motivation de la décision prise par la Commission Permanente n'est pas conforme a la réalité car elle n’a pas pu examiner avec tout le seriuex la requête des requérants". Betreffende de vermeende schending van het art. 57/22 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 laat de verwerende partij gelden dat de beslissing dd. 17.04.2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zowel in rechte als in feite genoegzaam werden gemotiveerd en de motieven werden weergegeven die aan de basis liggen van (de) deze beslissingen. Door op omstandige wijze de argumenten weer te geven die haar deden besluiten verzoeksters asielaanvraag als ongegrond af te wijzen, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar beslissing naar behoren gemotiveerd. De aangevochten beslissing bevat een duidelijke weergave van de in acht genomen feiten en de gemaakte overwegingen om te besluiten dat in het onderhavig geval geen elementen voorhanden zijn die doen blijken dat het leven of de vrijheid van verzoekster zodanig in gevaar was dat deze haar land verliet uit vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Terwijl de affirmaties van verzoekster niet van aard zijn aan te tonen dat de bestreden beslissing niet op verantwoorde motieven zouden steunen. Temeer nu de argumentatie van verzoekster gericht is tegen een feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, meerbepaald van de waarachtigheid, aannemelijkheid en bewijskracht van de door verzoekster afgelegde verklaringen en aangebrachte elementen. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de feitenrechter, in casu de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, wanneer deze haar eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent (R.v.St. nr. 45.632, 4.1.94, R.A.C.E. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 47.325, 6.5.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 49.801, 21.10.94, R.A.C.E 1994, z.p.; R.v.St. nr. 50.272,18.11.94, R.A.C.E 1994, z.p). Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over de bewijskracht, aannemelijkheid en geloofwaardigheid van de door verzoekster afgelegde verklaringen en aangebrachte stukken soeverein oordeelt, komt het aan haar toe om in laatste aanleg te beslissen welke de gevolgen zijn die uit deze verklaringen en stukken moeten worden afgeleid. Het is niet aan de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de feitenrechter bij de beoordeling van de bewijskracht en waarachtigheid van de aangevoerde gegevens. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoeksters enig middel in de huidige zaak er echter wel degelijk toe is beperkt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen van de feitelijke toedracht van de zaak en van de bewijskracht en waarachtigheid van afgelegde verklaringen en stukken te betwisten, dient dit middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. Er werd overigens naar oordeel van de verwerende partij naar behoren voldaan aan de door verzoekster geschonden geachte motiveringsplicht, nu in de bestreden beslissing uitvoerig wordt verwezen naar o.a. het gegeven dat: XIV-15.079-8/12 - verzoekster haar reisweg niet bewijst, - zij niet aantoont wanneer zij haar land heeft verlaten of in het Rijk is aangekomen, - verzoeksters verklaringen omtrent haar reisweg en -documenten niet geloofwaardig zijn, - dat verzoekster vertrekt van een niet bewezen hypothese, - verzoekster niet aantoont dat er een verband is tussen het anticommunistisch verleden van de familie en de bedreigingen en het ontslag van haar zoon, - verzoekster geen enkel document kan aanbrengen waaruit blijkt dat haar dochter geen natuurlijke dood gestorven is, - verzoekster geen documenten aanbrengt waaruit blijkt dat haar zoon ontslagen werd, - dat zelfs indien verzoeksters zoon daadwerkelijk ontslagen werd, zij niet aantoont dat er enig verband zou zijn tussen het ontslag en de criteria van de Vluchtelingenconventie, - de weinige interesse die verzoekster aan de dag legt omtrent het onderzoek naar de beweerde moord van haar schoondochter de geloofwaardigheid omtrent de aangevoerde feiten aantast, - dat verzoeksters stelt dat haar zoon met onbekende bestemming vertrok na de begrafenis van zijn echtgenote in augustus 2002, maar dat evenwel uit het dossier blijkt dat verzoeksters zoon op 29 oktober 2002 nog een attest van familiesamenstelling bekomen heeft waarop hijzelf en zijn drie kinderen vermeld staan, - de door verzoekster aangehaalde problemen van als reden waarom zij niet in Albanië kon blijven van socio-economische aard zijn en geenszins ressorteren onder het toepassingsgebied van het vluchtelingenverdrag, dat de verklaringen van verzoekster niet geloofwaardig zijn; - geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden in verzoeksters hoofde. Verzoeksters vage en summiere beschouwingen kunnen aan het bovenstaande geen afbreuk doen. In zoverre verzoekster nog de schending van het art. 57/12 opwerpt laat de verwerende partij nog gelden dat door verzoekster enkel de eindbeslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt aangevochten en niet de in het middel (zij het zeer summier) nochtans gelaakte voorbereidende beslissing, zijnde de beschikking waarbij de gemachtigde bijzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen besliste de zaak te behandelen als alleenrechtsprekend lid. Echter, het feit dat er dient te worden gewacht op de genoemde eindbeslissing betekent daarom nog niet: - dat er meteen zou mogen worden afgezien van het afzonderlijk aanvechten van de onderscheiden beslissing waarbij werd beslist de zaak te behandelen als alleensprekend lid; - dat men de daarop gevolgde eindbeslissing (gewezen door dit alleenrechtsprekend lid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen) zou kunnen gaan bestrijden met een middel dat een aangelegenheid betreft waarover in die eindbeslissing niets is beslist geworden. Dat is nu echter precies wat verzoekster wél doet met haar middel, zoals blijkt uit haar inleidend verzoekschrift. Het middel dat is gebaseerd op de schending van een rechtsregel die niet aan de bestreden beslissing, maar aan een daarvan onderscheiden beslissing ten grondslag ligt, is onontvankelijk (R.v.St. nr. 44.228, 24.9.1993, R.A.C.E. 1993, z.p.). Minstens is een dergelijk middel, dat betrekking heeft of toch minstens zou moeten hebben op een andere dan de bestreden beslissing, niet ter zake dienend en als zodanig ongegrond (R.v.St. nr. 50.895, 21.12.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoeksters enig middel niet kan worden aangenomen.”; 3.3.
  9. Overwegende dat in het middel, waarin de schending van de artikelen 57/12 en 57/22 van de Vreemdelingenwet wordt aangevoerd, in een eerste kritiek wordt gesteld dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen beroep kon doen op artikel 57/12 van de Vreemdelingenwet, gelet op het feit dat zij zich bij de beoordeling van XIV-15.079-9/12 het beroep heeft beroepen op een Cedoca-rapport, dat voorts niet werd geantwoord op de argumenten van de verzoekende partijen die in het beroep werden opgeworpen, met name wat het aanbrengen van foto’s op de geboorteakten betreft, dat niet wordt aangegeven waarom het ongeloofwaardig zou zijn dat een grootmoeder met haar kleinkinderen zonder paspoort zou reizen zodat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat bovendien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een deel van de motivering van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overneemt zodat haar eigen motivering een stereotiep karakter krijgt, dat zij niet ingaat op het argument dat het gebrek aan objectiviteit aan de kaak stelt in het beroepschrift en de feiten verdraait waardoor een objectieve fout met betrekking tot de feiten wordt gemaakt; dat verzoekster voorts opwerpt dat zij alle mogelijke bewijzen heeft voorgelegd ter staving van haar relaas, doch deze alle worden verworpen als zijnde niet onweerlegbaar, waarbij zij uit hun context worden getrokken en geen incoherente verklaringen werden afgelegd, dat ten onrechte wordt gesteld in de bestreden beslissing dat verzoeksters zoon het document met betrekking tot de familiesamenstelling heeft verkregen zodat er reden was om verzoekster het voordeel van de twijfel, conform de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties, te gunnen zodat ten onrechte wordt besloten dat zij niet beantwoordt aan de criteria van het Vluchtelingenverdrag; 3.3.
  10. Overwegende dat in de mate de verzoekende partijen van mening zijn dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geschonden is erop dient gewezen dat deze wet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft; dat de Raad van State geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat in beginsel de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toekomt in laatste aanleg te oordelen of de vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft; dat haar appreciatie dienaangaande door de Raad van State slechts als onrechtmatig kan worden aangemerkt indien de concrete gegevens van de zaak doen blijken dat die appreciatie, in strijd met wat in de beslissing wordt aangevoerd, kennelijk onredelijk is; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of het asielrelaas dat een kandidaat-vluchteling naar voren brengt geloofwaardig is, of de ongeloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen het asielrelaas zodanig ondermijnen dat er in het geheel geen geloof meer kan worden aan gehecht, of aan de voorgelegde stukken bewijswaarde kan worden toegekend, of de verbanden die de kandidaat-vluchteling tussen bepaalde gebeurtenissen legt bewezen worden en of het gebrek XIV-15.079-10/12 aan interesse in een politieonderzoek de geloofwaardigheid van de betrokkene aantast; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat uit het loutere feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motivering of een deel ervan uit de beslissing van de Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft overgenomen niet bij voorbaat kan worden afgeleid dat zij het beroep niet integraal heeft onderzocht en als zodanig de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden; dat de volle rechtsmacht die zij bezit de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verplicht, noch verbiedt de weigeringsmotieven van de voor haar bestreden beslissing over te nemen of te verwerpen; dat zij enkel een beslissing dient te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en aangeeft waarom een kandidaat-vluchteling (niet) beantwoordt aan de erkenningscriteria van het Vluchtelingenverdrag; dat hierbij niet noodzakelijk expliciet op elk aangevoerd argument in het beroepschrift dient te worden ingegaan; dat de bewering dat de motivering van de bestreden beslissing stereotiep is omwille van het feit dat zij een deel van de motivering van de aangevochten beslissing heeft overgenomen dan ook niet kan worden aangenomen; dat de Raad van State enkel kan vaststellen dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de haar toegekende appreciatiebevoegdheid geenszins kennelijk te buiten is gegaan toen ze op grond van de door haar aangegeven vaststellingen besloot geen geloof te hechten aan het door verzoekster opgediste verhaal; dat artikel 57/12, vierde lid, van de Vreemdelingenwet de behandeling van de zaak door een alleenrechtsprekend lid toelaat wanneer “het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is”; dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is geweest dat een alleenzetelend lid ook kennelijk ongegronde beroepen zou behandelen; dat een beroep kennelijk ongegrond is wanneer het weliswaar ontvankelijk is ingesteld maar de erin ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beroepen beslissing kunnen leiden; dat de gemachtigde bijzitter zijn appreciatiebevoegdheid dan ook niet te buiten is gegaan toen hij oordeelde dat het door betrokkene aangevoerde verweer niet tot een andere beslissing in beroep kon leiden, zodat zijn beroep kennelijk ongegrond was; dat de verzoekende partij er alleszins niet in slaagt aan te tonen dat op basis van de vaststellingen die in de bestreden beslissing werd gemaakt de alleenzetelende rechter zijn bevoegdheid ex artikel 57/12 van de Vreemdelingenwet heeft overschreden; dat het verwijt dat de verzoekende partij maakt met betrekking tot het gebruik van informatie uit een Cedoca-rapport niet kan worden aangenomen; dat blijkt dat dit rapport niet werd ingewonnen naar aanleiding van de huidige zaak, doch reeds werd ingewonnen in mei 2001 en bovendien wordt geclassificeerd als “publieke info”; dat er moet van worden uitgegaan dat om over deze informatie te beschikken geen afzonderlijke onderzoeksmaatregelen noodzakelijk waren; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.3.
  11. Overwegende dat de beslissingen die ten aanzien van de tweede, derde en vierde verzoekende partij werden genomen rusten op de niet-erkenning van de eerste verzoekende partij als vluchteling; dat de verwerping van het beroep van de eerste XIV-15.079-11/12 verzoekende partij meebrengt dat ook het beroep van de overige verzoekende partijen moeten worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee februari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.079-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.