← België

Arrest 154508 - - 06/02/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.508 Rolnummer: A. 166625/IX-5084 Zaak: Arrest 154508 - - 06/02/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-02-22 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 08:54 Fiche Arrest nr 154.508 van 6 februari 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 154.508 van 6 februari 2006 in de zaak A. 166.625/IX-

  1. In zake : Inge VANDENBROUCKE, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. tussenkomende partij : Nathalie OSTIJN, die woonplaats kiest bij advocaten S. RONSE en J. BELEYN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Inge VANDENBROUCKE op 4 oktober 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het koninklijk besluit van 20 juli 2005 waarbij Nathalie OSTIJN benoemd wordt tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van hetzelfde besluit; Gezien “de nota” van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-5084-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 januari 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS, verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. BELEYN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoekster Inge VANDENBROUCKE wordt bij ministerieel besluit van 9 augustus 2001 benoemd tot gerechtelijk stagiair, met ingang van 1 oktober
  5. De stage verloopt als volgt : 15 maanden stage bij het parket te Gent, vervolgens 6 maanden buitenstage en tenslotte nogmaals 15 maanden stage bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Deze stage wordt vervolgens tweemaal met zes maanden verlengd tot 30 september
  6. 1.
  7. Verzoekster in tussenkomst Nathalie OSTIJN is bij koninklijk besluit van 7 oktober 1999 benoemd tot substituut-procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Voordien was zij als jurist werkzaam in de verzekeringssector. IX-5084-2/8 1.
  8. In het Belgisch Staatsblad van 31 januari 2005 wordt de vacature van een betrekking van rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk bekendgemaakt. Elf personen, onder wie verzoekster en verzoekster in tussenkomst, stellen zich kandidaat. 1.
  9. Over de kandidatuur van verzoekster worden de volgende adviezen gegeven : - De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent geeft op 29 maart 2005 een zeer gunstig advies. - De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk geeft op 6 april 2005 een zeer gunstig advies, waarin met betrekking tot de beroepservaring van de kandidaat wordt gesteld dat zij rekening houdend met haar leeftijd reeds ruime ervaring heeft verworven en dat haar optreden getuigt van maturiteit. In verband met de bijzondere noden van het rechtscollege of het korps wordt gesteld dat zij vlot in te schakelen is in de werking van de rechtbank, in staat is een positieve bijdrage te leveren en het een stijlvolle kandidate betreft die inzicht heeft in de taak van rechter. 1.
  10. Over de kandidatuur van verzoekster in tussenkomst worden volgende adviezen gegeven : - De procureur des Konings te Kortrijk geeft op 26 maart 2005 een zeer gunstig advies, waarin met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor het gewenste profiel van de vacante plaats wordt gesteld dat zij een multidisci- plinaire academische vorming heeft genoten en kan bogen op een flexibele en veelzijdige beroepservaring, zodat zij over de nodige maturiteit en kunde beschikt om het ambt van rechter uit te oefenen. - De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk geeft op 6 april 2005 een zeer gunstig advies waarin met betrekking tot de beroepservaring van de kandidaat wordt gesteld dat zij de nodige ervaring heeft verworven om de functie van rechter met bekwaamheid uit te oefenen, evenwichtig is en over de nodige maturiteit beschikt. Inzake de bijzondere noden van het rechtscollege of korps wordt gesteld dat zij zonder twijfel onmiddellijk haar plaats in het korps van de rechtbank van eerste aanleg, dat zij goed kent, zal kunnen opnemen, en dat zij voldoende veelzijdig is voor het veeleisend ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg. - De stafhouder van de balie van Kortrijk geeft op 6 april 2005 een zeer gunstig advies, waarbij wordt gesteld dat de kandidaat zeker de bekwaamheid en geschikt- heid heeft om rechter te worden in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. IX-5084-3/8 1.
  11. Op 24 mei 2005 beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, na beide voornoemde kandidaten te hebben gehoord, om verzoekster in tussenkomst voor de vacante betrekking voor te dragen. De voordracht vermeldt onder meer : “Indien men het dossier van Nathalie Ostijn in ogenschouw neemt, kan enkel tot het besluit worden gekomen dat zij als jurist in de verzekeringssector en substituut-procureur des Konings een zeer bekwaam en polyvalent jurist is gebleken, die de laatste jaren vooral strafdossiers behandelt, die sterk gemoti- veerd is en die alle elementen in zich heeft om te kunnen voldoen aan de vereisten van het ambt dat zij nastreeft. Haar maturiteit en evenwichtige houding staan hiervoor garant. Gelet op haar polyvalentie dient zij in staat te worden geacht om snel inzetbaar te zijn in verschillende kamers van de rechtbank. De commissie is bovendien van oordeel dat zij door de ervaring die zij heeft verworven in de privé-sector een meerwaarde te bieden heeft voor een rechtbank van eerste aanleg. Zij heeft m.a.w. de juiste kwaliteiten en bekwaam- heden om het ambt van rechter in een rechtbank van eerste aanleg uit te oefenen. (...) De gerechtelijke stagiairs (...) en Inge Vandenbroucke hebben hun gerechtelijke stage op een goede tot zeer goede wijze doorlopen. Voordien hadden zij beiden reeds relevante ervaring verworven als advocaat. Inge Vandenbroucke krijgt van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk een zeer gunstig advies (...). Nathalie Ostijn onderscheidt zich van de gerechtelijke stagiairs Inge Vandenbroucke (...) door haar ruimere en meer relevante ervaring”. 1.
  12. Bij koninklijk besluit van 20 juli 2005 wordt verzoekster in tussenk- omst benoemd tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Dat besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 augustus
  13. Overwegende dat de verwerende partij op 24 oktober 2005, dat is buiten de termijn van acht dagen na de kennisgeving van de vordering tot schorsing, het administratief dossier en een nota met opmerkingen heeft ingediend; dat naar het voorschrift van artikel 11, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991, de nota uit de debatten dient te worden geweerd;
  14. Overwegende dat Nathalie OSTIJN met een verzoekschrift van 27 oktober 2005 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat aangezien zij de begunstigde is van het bestreden besluit, op die vraag kan worden ingegaan;
  15. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan IX-5084-4/8 worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
  16. Overwegende dat verzoekster het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij vreest te zullen ondergaan als volgt uiteenzet : “
  17. De gerechtelijke stage van de verzoekende partij liep ten einde op 30 september
  18. Ondertussen werd haar stage tweemaal verlengd. De laatste verlenging liep ten einde op 30 september
  19. Een nieuwe verlenging is wettelijk niet mogelijk. Vanaf 1 oktober 2005 is de verzoekster derhalve werkloos en zal zij moeten gaan stempelen. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte brengt voor de verzoekende partij derhalve een moeilijk te herstellen nadeel mee. De bestreden beslissing heeft voor gevolg dat verzoekster een zwaar moreel nadeel onder- vindt. De vernietiging van de bestreden beslissing zonder voorafgaande schorsing zal niet volstaan om aan de verzoekende partij een genoegzaam herstel van het teweeggebrachte nadeel te waarborgen.
  20. De verzoekende partij is zich bewust van de rechtspraak van de Raad van State in het benoemingscontentieux waarbij wordt geoordeeld dat een moreel nadeel wordt hersteld door de morele genoegdoening welke een nietigverklaring verleent. Voor verzoekende partij is dit enigszins anders. Een uitspraak in een vernietigingsprocedure zal langere tijd op zich laten wachten. Verzoekende partij heeft ondertussen geen werk, ondanks haar zeer gunstige beoordelingen.
  21. Wanneer iemand kiest voor de gerechtelijke stage, kiest deze persoon expliciet voor de magistratuur. De wetgever heeft deze gerechtelijke stage gecreëerd om aan personen, na het afleggen van een examen, de mogelijkheid te geven om zich op een grondige en specifieke wijze voor te bereiden. Het blijft uiteraard de bedoeling van de verzoekster om als rechter benoemd te worden, als een vervolg van de gerechtelijke stage die zij op zeer goede wijze en naar ieders grote voldoening, doorliep. Enkel omwille van deze reden heeft zij gedurende 4 jaar, na het slagen in het toelatingsexamen, geïnvesteerd. Ook de wetgever heeft uiteraard steeds deze bedoeling gehad. Er wordt immers gedurende 3 tot 4 jaar geïnvesteerd in de personen die geslaagd zijn voor het vergelijkend toelatingsexamen tot het ambt van gerechtelijk stagiair. Het kan niet de bedoeling zijn dat deze personen, zeker niet deze die de stage op een dergelijke geslaagde wijze als de verzoekende partij hebben doorlopen, uiteindelijk niet in de magistratuur zouden terechtkomen. Het toetreden tot de gerechtelijke stage brengt mee dat men opteert voor een carrière als magistraat. De investeringen die de verzoekende partij heeft gedaan bestaan enerzijds uit de voorbereiding voor het vergelijkend toegangsexamen tot de gerechtelijke stage (waarbij verzoekster slaagde als 11de van 33) en anderzijds in het doorlopen van 4 jaar gerechtelijke stage. De gerechtelijke stage omvat een bijzonder intensieve voorbereiding op de magistratuur. De vergoeding voor deze stage is laag voor een universitair geschoold persoon met de leeftijd en ervaring van verzoekster. Bovendien wordt een stagiair na een tijd ook ingeschakeld in de dienst, waardoor de stagiair op dat ogenblik hetzelfde werk doet, met dezelfde verantwoordelijkheid, van een magistraat. IX-5084-5/8 Wanneer iemand ervoor opteert deze investeringen te doen, toont hij of zij derhalve een duidelijke en uitgebreide motivatie om magistraat te worden. De verzoekster doorliep haar gerechtelijke stage op een zeer goede wijze. Zij werd door alle stagemeesters en de diverse buitendiensten zeer gunstig geëvalueerd. De eerste stagemeester stelde in het eerste stageverslag dat zij op diverse punten het ‘gemiddelde van de klassieke stagiair uitstijgt’ en dat zij alles in zich had om ‘een gedegen magistrate te worden’. Alle rapporten van de buitendiensten waar verzoekster stage liep waren zeer lovend. In het tweede stageverslag wordt bevestigd dat verzoekster voldoet aan de in haar gestelde verwachtingen en bovendien een ‘aanwinst betekent voor de magistratuur’. Ook het eindverslag van de stage besluit dat verzoekster ‘de kwaliteiten heeft om een goed magistraat te worden en niets haar benoeming als rechter in de weg staat’. Ondanks deze zeer gunstige beoordelingen, wordt de verzoekende partij thans geconfronteerd met het gegeven dat zij niet is benoemd en werkloos is geworden. Door na de stage niet benoemd te worden, ontstaat er minstens een breuk in het loopbaanverloop van verzoekster. Dit brengt in hoofde van de verzoekster een groot nadeel met zich mee. Verzoekster kan geen ervaring meer opdoen voor de functie van magistraat. Naarmate er tijd verstrijkt, wordt dit nadeel steeds groter.
  22. Wanneer zij verder kandideert voor een nieuwe vacature als rechter moet zij dit doen vanuit haar werkloze positie. Uiteraard heeft dit element een negatief effect en stelt dit haar in een slecht daglicht. Ondanks het feit dat zij een zeer goede beoordeling van haar stage kreeg en uit het dossier zonder meer kan worden besloten dat verzoekster alle kwaliteiten heeft om een goed magistraat te worden, moet zij toch vanuit een werkloze positie kandideren. Indien de verzoekende partij ervoor zou opteren om te solliciteren naar een andere functie dan deze van magistraat, dan zal dit per definitie slechts tijdelijk zijn. Zij blijft er uiteraard voor opteren om haar ambitie om magistraat te worden waar te maken. Een werkgever zal niet vlug geneigd zijn om slechts tijdelijk, in afwachting van een benoeming of de afloop van de vernietigingsprocedure, verzoekster te aanvaarden. Bovendien zal ook hier het feit dat zij werkloos is een grote negatieve rol spelen. Indien zij ervoor opteert te solliciteren naar een andere functie zal zij dus genoodzaakt zijn om haar motivatie en ambitie om magistraat te worden, waarvoor zij reeds zware investeringen en inspanningen leverde, op te geven. Zoniet blijft zij in de werkloosheid tot wanneer zij is benoemd. De gedwongen werkloosheid, na de vermelde inspanningen en investeringen, vormen in hoofde van verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  23. De verzoekende partij heeft reeds tijdens haar stage en de verlenging volop gekandideerd. Eigen aan de gerechtelijke stage (al dan niet met verlengingen) is dat na het einde van de stage onmiddellijk naar een benoeming kan en moet worden gekandideerd. Verzoekster mocht er op vertrouwen, minstens de verwachting hebben, dat zij na verloop van haar stage zou benoemd worden. De wetgever heeft immers de gerechtelijke stage voorzien als een specifieke voorbereiding op het ambt van rechter. Verzoekster doorliep deze stage op een zeer gunstige wijze, doch werd niet benoemd. Dit heeft voor verzoekster een vernederend effect.
  24. Door de vernietiging van de bestreden beslissing zullen de moeilijk te herstellen ernstige nadelen in hoofde van verzoekster niet kunnen worden weggenomen of vermeden. Voor zover het nadeel ook zou voortvloeien uit andere beslissingen waarbij verzoekster niet werd benoemd, en waartegen zij zich zal verzetten voor zover zij wettigheidsbezwaren heeft, neemt niet weg dat het nadeel kan verdwijnen door een benoeming in andere dossiers. Het nadeel vloeit dan ook voort uit de bestreden beslissing. IX-5084-6/8
  25. Alhoewel een louter financieel nadeel in principe niet moeilijk te herstellen is, zijn er in hoofde van de verzoekende partij bijzondere redenen aanwezig om dit toch te aanvaarden. Zo valt de verzoekende partij terug op een werkloos- heidsuitkering. Dit brengt voor de verzoekende partij en haar gezin met twee kinderen, uiteraard een gevoelige vermindering van het gezinsinkomen met zich mee. Dit financieel nadeel, dat misschien op zich niet kan volstaan, versterkt in grote mate het morele nadeel zoals hierboven geschetst.”; 5.
  26. Overwegende dat het besluit waardoor een andere kandidaat benoemd wordt in de door de verzoekster geambieerde betrekking aan haar huidige rechtstoestand niets verandert : haar wordt niets ontnomen dat zij reeds bezit; dat het risico niet benoemd te worden inherent is aan elke kandidaatstelling, zodat degene die kandideert meteen ook met de teleurstelling van een eventuele mislukking rekening moet houden; dat in zoverre verzoekster stelt dat zij, na het volbrengen van haar gerechtelijke stage, de verwachting had om tot rechter benoemd te worden, het wel zo is dat de betrokkene, indien zij geschikt geacht wordt en indien er een vacature is, benoemd kan worden tot magistraat; dat zo weliswaar de benoeming tot magistraat in de lijn van de verwachtingen ligt, daaromtrent echter geen zekerheid bestaat en ook geen recht op benoeming; dat haar kansen tevens afhangen van de aard van de vacature en van de aanspraken van andere kandidaten; dat verzoekster, gelet op die gegevens er dus rekening moest mee houden dat zij zonder betrekking kon vallen; dat overigens de situatie waarin verzoekster zich momenteel bevindt in de eerste plaats het gevolg is van het feit dat haar gerechtelijke stage, na twee verlengingen, niet meer opnieuw verlengd kon worden; dat met andere woorden het nadeel dat verzoekster aanvoert geen rechtstreeks gevolg is van de bestreden benoemingsbeslissing; dat de schorsing van die beslissing het nadeel niet zou verhelpen, daar zij, evenmin als de nietigverklaring, geen recht om in de plaats van de tussenkomende partij benoemd te worden zou doen ontstaan, te meer daar de schorsing eveneens door een andere kandidaat gevorderd wordt; Overwegende dat de benoeming van verzoekster in deze of een andere betrekking van magistraat uiteraard het nadeel dat zij aanvoert zou doen ophouden; dat daartoe evenwel niet vereist is dat de tenuitvoerlegging van het bestreden benoemingsbesluit geschorst wordt; dat na de eventuele vernietiging van de bestreden benoemingsbeslissing verzoekster een nieuwe kans zal krijgen om zelf in de vacante betrekking benoemd te worden, ook als die beslissing niet geschorst wordt; dat bovendien de bestreden beslissing niet uitsluit dat zij zich nog voor andere vacante betrekkingen kandidaat kan stellen; IX-5084-7/8 Overwegende dat verzoekster bijgevolg niet aantoont dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan; dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde cumulatieve schorsingsvoorwaarde, BESLUIT: Artikel
  27. Het verzoek tot tussenkomst van Nathalie OSTIJN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes februari 2000 en zes, door : de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5084-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.154.508 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.304 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.